Выбрать главу

‘Vergeet niet de deur dicht te doen,’ zei ze tegen Colin en liep naar voren.

Dunworthy keek haar na. ‘Laat me raden, is zij soms een kennis van William?’

‘Natuurlijk,’ zei Colin. ‘Ze vroeg of ik dacht dat mevrouw Gaddson een goede schoonmoeder zou zijn.’ Hij hielp hem in de ziekenwagen te klimmen.

‘Waar is Badri?’ vroeg Dunworthy, zijn brilleglazen droogwrijvend.

Colin trok de deur dicht. ‘Op Balliol. We hebben hem het eerst gehaald, dan kon hij vast met het net beginnen.’ Hij keek bezorgd door het raam. ‘Ik hoop niet dat de hoofdzuster alarm slaat voor we weg zijn.’

‘Dat zal wel meevallen,’ zei Dunworthy. Hij had Williams capaciteiten schromelijk onderschat. De ouderwetse zuster zat nu waarschijnlijk in de linnenkamer bij hem op schoot om hun initialen op de handdoeken te borduren.

Colin knipte de lamp aan en richtte hem op de brancard. ‘Ik heb uw kleren meegebracht.’ Hij gaf Dunworthy het zwarte wambuis.

Dunworthy deed zijn badjas uit en trok het hemd aan. Hij viel bijna omver toen de ambulance optrok. Hij ging op het bankje zitten en leunde tegen de zijwand om de zwarte maillot aan te trekken.

De verpleegster had beter de sirene kunnen aanzetten, zo snel scheurden ze door de straten. Dunworthy hield zich met één hand zo goed mogelijk vast en probeerde met de andere zijn broek aan te trekken. Colin sloeg bijna over de kop toen hij de laarzen wilde pakken.

‘We hebben een mantel voor u gevonden,’ zei hij. ‘Finch heeft hem geleend van de klassieke toneelvereniging.’ Hij vouwde het kledingstuk open. Het was een negentiende-eeuws gewaad, zwart en afgezet met biezen van rode zijde. Colin drapeerde de mantel over zijn schouders.

‘Uit welke voorstelling komt die nou weer? Dracula soms?’

De ziekenwagen kwam met een schok tot stilstand en de verpleegster rukte de deuren open. Colin hield als een echte schildknaap de sleep van de ruimvallende mantel omhoog terwijl Dunworthy uitstapte. Ze liepen snel onder de poort door. De regen kletterde op de stenen boven hun hoofd, maar Dunworthy hoorde nog een ander geluid.

‘Wat is dat?’ vroeg hij, over de donkere binnenplaats kijkend.

“‘Als Tenslotte Mijn Heiland Komt”,’ zei Colin. ‘De Amerikanen zijn aan het oefenen voor hun optreden. Vindt u het niet necrotisch?’

‘Mevrouw Gaddson zei dat ze dag en nacht repeteerden, maar ik wist niet dat ze dat letterlijk bedoelde.’

‘Het optreden is vanavond.’

‘Vanavond?’ Dunworthy besefte ineens dat het de vijftiende was, de zesde volgens de Juliaanse kalender. Driekoningen, de aankomst van de Wijzen.

Finch kwam haastig aangelopen met een paraplu. ‘Het spijt me dat ik zo laat ben.’ Hij hield het scherm boven Dunworthy’s hoofd. ‘Ik kon geen paraplu vinden. U heeft geen idee wat de reizigers allemaal meenemen. Vooral de Amerikanen…’

Dunworthy begon de binnenplaats over te steken. ‘Is alles klaar?’

‘Ik heb geen verpleegkundige kunnen vinden,’ zei Finch, die zijn best deed om Dunworthy droog te houden. ‘Maar William Gaddson heeft net gebeld om te zeggen dat hij een zuster zou sturen. Ze kan er elk ogenblik zijn.’

Dat zal dan wel een vrijwilligster wezen, dacht Dunworthy. ‘Ik hoop niet dat William ooit nog eens het verkeerde pad op gaat,’ zei hij.

‘O, dat lijkt me niet, meneer. Dat zou zijn moeder nooit toestaan.’ Finch moest zijn pas versnellen om hem bij te houden. ‘Chaudhuri is bezig met de voorlopige coördinaten. En mevrouw Montoya is er.’

Dunworthy bleef staan. ‘Montoya? Wat moet zij hier?’

‘Ik weet het niet, meneer. Ze zei dat ze nieuws voor u heeft.’

Laat het niet waar zijn, dacht hij. We zijn er zo dichtbij.

Hij ging naar het laboratorium. Badri zat achter de computer en Montoya keek over zijn schouder naar de monitor, gehuld in haar kapersjack en modderige spijkerbroek. Badri zei iets tegen haar en ze schudde haar hoofd en keek op haar horloge. Toen ze Dunworthy zag, kwam er een trek van medelijden op haar gezicht. Ze stond op en haalde iets uit haar borstzak.

Nee, dacht Dunworthy.

Ze kwam naar hem toe. ‘Ik wist niet wat u van plan was,’ zei ze, terwijl ze hem een opgevouwen blaadje papier gaf. ‘Misschien kan ik helpen. Dit had Kivrin bij zich toen ze wegging.’

Hij vouwde het blad open. Het was een landkaart.

‘Hier is het rendez-vous.’ Ze wees naar een kruisje bij een zwarte lijn. ‘En dit is Skendgate. U kunt het herkennen aan de kerk. Normandische stijl, met muurschilderingen boven het koorhek en een beeld van de heilige Antonius.’ Ze keek hem glimlachend aan. ‘Dat is de heilige die de mensen aanriepen als ze iets kwijt waren. Ik heb het beeld gisteren gevonden.’

Ze wees nog een paar kruisjes aan. ‘Als ze om de een of andere reden niet naar Skendgate is gegaan, zijn dit de dichtstbijzijnde dorpen: Esthcote, Henefelde en Shrivendun. Ik heb op de achterkant een paar kenmerken opgeschreven.’

Badri ging staan en kwam naar hen toe. Hij zag er zo mogelijk nog zwakker uit dan in het ziekenhuis en hij liep even moeizaam als de oude man die hij was geworden. ‘Welke variabelen ik ook invoer, het verschil blijft minimaal.’ Hij drukte een hand tegen zijn ribben. ‘Ik zorg ervoor dat het net om de twee uur vijf minuten wordt geopend. Op die manier kunnen we het vierentwintig tot zesendertig uur volhouden.’

Dunworthy vroeg zich af hoe lang Badri het zou volhouden. Hij zag er nu al afgepeigerd uit.

‘U kunt het net gebruiken zodra u de glinstering in de lucht of de condensatie ziet,’ zei Badri.

‘En als het donker is?’ vroeg Colin. Hij had zijn witte jas uitgetrokken en Dunworthy zag dat hij zijn middeleeuwse kostuum droeg.

‘De glinstering is altijd wel zichtbaar en we zullen u waarschuwen.’ Badri kreunde zachtjes en drukte weer een hand tegen zijn zij. ‘Bent u ingeënt?’

‘Ja.’

‘Goed. Dan is het wachten alleen nog op de verpleegster.’ Hij keek Dunworthy strak aan. ‘Weet u zeker dat u sterk genoeg bent?’

‘En jij?’ vroeg Dunworthy.

De deur ging open en de blonde zuster uit het ziekenhuis kwam binnen in een regenjas. Ze bloosde toen ze Dunworthy zag. ‘William zei dat u me nodig had. Waar wilt u me hebben?’

Ja, ik moet Kivrin beslist waarschuwen voor William, dacht Dunworthy. Badri bracht de zuster naar haar plaats en Colin holde naar buiten om haar spullen te halen.

Montoya nam Dunworthy mee naar een cirkel die met krijt op de vloer was getrokken. ‘Houdt u uw bril op?’ vroeg ze.

‘Ja,’ zei hij. ‘U kunt ze terugvinden op uw begraafplaats.’

‘Dat zeker niet,’ zei ze ernstig. ‘Wilt u zitten of liggen?’

Hij moest aan Kivrin denken, die met een arm over haar gezicht en met gesloten ogen hulpeloos op de grond had gelegen. ‘Ik blijf wel staan,’ zei hij.

Colin kwam binnen met een eerstehulpkoffertje. Hij zette het neer bij het bedieningspaneel en ging naar Dunworthy. ‘U kunt niet alleen gaan,’ zei hij.

‘Ik moet wel, Colin.’

‘Waarom?’

‘Het is te gevaarlijk. Je hebt geen idee wat de Zwarte Dood was.’

‘Jawel. Ik heb het boek twee keer gelezen en ik ben inge…’ Hij zweeg abrupt. ‘Ik weet alles van de Zwarte Dood af. Trouwens, als het zo erg is, moet u helemaal niet alleen gaan. Ik zal niet in de weg lopen, echt niet.’

‘Colin,’ zei Dunworthy radeloos, ‘ik ben verantwoordelijk voor je. Ik kan het risico niet nemen.’

Badri liep onder de sluiers van het net rond met een lichtmeter. ‘De zuster vraagt of je haar met de andere spullen wilt helpen,’ zei hij tegen Colin.

‘Als u niet terugkomt, weet ik niet eens of u nog leeft of niet,’ zei Colin. Hij draaide zich om en rende naar buiten.

Badri liep langzaam om Dunworthy heen. Fronsend pakte hij hem bij zijn elleboog en keek opnieuw op zijn meter. De zuster kwam aanlopen met een injectiespuit. Dunworthy rolde de mouw van zijn wambuis op.