‘Nee, u bent alleen maar moe. U moet rusten.’
Ze bracht hem naar de kerk. Hij struikelde bijna. Als hij valt, krijg ik hem nooit meer overeind, dacht ze. Ze duwde de deur met haar rug open en liet hem tegen de muur op de grond zakken.
‘Ik vrees dat het me te veel is geworden,’ zei Roche. Hij legde zijn hoofd tegen de steen. ‘Ik moet even slapen.’
‘Ja, doe dat maar,’ zei Kivrin. Hij sloot zijn ogen en ze rende meteen naar het grote huis om dekens en een kussen te halen. Roche was verdwenen toen ze terugkwam.
‘Vader Roche!’ Ze tuurde rond in de donkere ruimte. ‘Waar bent u?’
Er kwam geen antwoord. Ze holde weer naar buiten met het beddegoed nog in haar armen. Hij was niet in de klokketoren of op het kerkhof en hij kon onmogelijk naar de ridderzaal zijn gegaan. Ze ging terug naar de kerk en liep naar voren. Daar zag ze hem, geknield voor het beeld van Sinte Katherine.
‘U moet gaan liggen.’ Ze spreidde de dekens op de vloer uit.
Hij gehoorzaamde en ze legde het kussen onder zijn hoofd. Hij keek haar aan. ‘Is het de pest?’
‘Nee.’ Ze trok de sprei over hem heen. ‘U bent moe, meer niet. Probeert u maar te slapen.’
Hij draaide zich op zijn zij, van haar afgewend, maar na een paar minuten schoot hij overeind en gooide de deken van zich af. Zijn gezicht was weer vertrokken van woede. ‘Ik moet de klok luiden,’ zei hij op beschuldigende toon. Kivrin kon hem slechts met moeite verhinderen op te staan. Hij doezelde weg en ze scheurde een paar repen uit de stof van haar gerafelde tuniek om zijn handen aan het koorhek vast te binden.
‘Laat het niet waar zijn,’ stamelde Kivrin zonder dat ze er zelf erg in had. ‘Alstublieft! U mag hem dit niet aandoen!’
Hij deed zijn ogen open. ‘God zal zo’n vurig gebed zeker verhoren,’ zei hij, en hij zakte weg in een diepere, rustiger slaap.
Kivrin holde naar buiten, haalde de bagage van de ezel en maakte het dier los, waarna ze de zakken met eten en een lantaren mee naar de kerk nam. Roche lag nog te slapen. Geruisloos ging ze naar buiten en rende naar de put om een emmer water te halen.
Roche leek nog te slapen, maar toen Kivrin een strook uit het altaarkleed scheurde en in het water drenkte om op zijn voorhoofd te leggen, zei hij zonder zijn ogen te openen: ‘Ik was bang dat u was weggegaan.’
Ze veegde het gestolde bloed van zijn kin. ‘Ik ga niet zonder u naar Schotland.’
‘Niet naar Schotland,’ zei hij. ‘Naar de hemel.’
Ze at een stukje oud brood en kaas en probeerde zelf te slapen, maar het was te koud. Ze zag de adem van Roche toen hij zich in zijn slaap omdraaide en zuchtte.
Ze sloopte het hek bij een van de hutten en maakte een vuur van de palen, maar de rook vulde de hele ruimte, zelfs als ze de twee deuren openzette. Roche begon te hoesten en gaf weer over. Ze zag bijna alleen maar bloed. Kivrin doofde het vuur en ging nog twee keer haastig naar het grote huis om alle dekens en mantels te halen die ze kon vinden.
Die avond begon hij weer te ijlen. Hij schopte de dekens van zich af en riep meest onverstaanbare dingen tegen Kivrin. ‘Ga heen, vervloekte!’ hoorde ze hem zeggen, en af en toe zei hij woedend: ‘Het wordt al donker!’
Kivrin pakte de kaarsen van het altaar en het koorhek en zette ze op de grond voor het beeld van Katherine. Ze stak ze aan toen Roche weer over het donker begon en legde de dekens over hem heen, waarna hij iets rustiger werd.
Zijn koorts werd steeds heviger en hij lag te klappertanden onder de dikke dekens. Zijn huid scheen al donker te worden door de bloeduitstortingen. Alstublieft, doe hem dit niet aan.
De volgende ochtend was hij er iets beter aan toe. Hij had toch geen bloeduitstortingen, zijn huid had alleen gevlekt geleken in het flakkerende licht van de kaarsen. Zijn temperatuur was iets gezakt en hij sliep een groot deel van de dag, zonder over te geven. Voor het donker werd ging ze een nieuwe emmer water halen.
Sommige zieken herstelden spontaan en andere werden door gebed behouden. Ze stierven niet allemaal. Het sterftecijfer voor longpest was maar 90 procent.
Hij was wakker toen ze terugkwam, vaag zichtbaar in het licht van een venster. Ze knielde neer en hield een kommetje water voor zijn mond.
‘Het is de blauwe ziekte,’ zei hij, toen ze zijn hoofd weer liet zakken.
‘U gaat niet dood,’ zei ze. Negentig procent. Negentig procent.
‘U moet mijn biecht horen.’
Nee. Hij mocht niet doodgaan. Ze zou hier helemaal alleen achterblijven. Ze schudde haar hoofd, niet in staat iets te zeggen.
‘Vergeef mij, Vader, want ik heb gezondigd,’ begon hij in het Latijn.
Hij had niet gezondigd. Hij had de zieken verpleegd, de stervenden getroost, de doden begraven. God zou hem om vergeving moeten smeken.
‘In gedachte, woord, daad en onwetendheid. Ik ben boos geweest op vrouwe Imeyne en op Maisry.’ Hij slikte. ‘Ik heb vleselijke begeerte gevoeld voor een heilige.’
Vleselijke begeerte.
‘Ik vraag God nederig om vergiffenis en als u mij waardig acht, Vader, geef mij dan de absolutie.’
Er valt niets te vergeven, dacht ze. Je hebt niet gezondigd. Vleselijke begeerte. We hebben Rosemund verzorgd en een arme bode uit het dorp geweerd en een baby van zes maanden begraven. Dit is het einde van de wereld. Dan mag je best vleselijke begeerte voelen.
Ze maakte een machteloos gebaar, niet in staat hem de absolutie te schenken, maar hij leek het niet te merken. ‘Mijn God,’ zei hij, ‘het spijt me oprecht dat ik U heb gegriefd.’
Gegriefd? Je bent zelf een heilige, dacht ze, en wat doet God voor je? Waarom komt Hij je niet redden?
Er was geen olie meer. Ze stak haar vingers in het water en raakte zijn ogen en oren aan, zijn neus en mond, zijn handen waarmee hij haar had getroost toen ze zelf op sterven lag.
‘Quid quid deliquiste,’ zei hij, en ze doopte haar vingers weer in het water om zijn voetzolen te zegenen.
‘Libera nos, quaesumus, Domine.’
‘Ad omnibus malis,’ vulde Kivrin aan, ‘praeteritis, praesentibus, et futuris.’ Wij smeken U, Heer, bevrijd ons van alle kwaad, in verleden, heden en toekomst.
‘Perducat te ad vitam aeternam,’ stamelde hij.
En geef u het eeuwige leven. ‘Amen,’ zei Kivrin. Ze boog naar voren om het bloed te stelpen dat uit zijn mond stroomde.
De rest van de nacht en een groot deel van de volgende dag bleef hij bloed opgeven. In de middag raakte hij bewusteloos en haalde nog maar oppervlakkig en onregelmatig adem. Kivrin zat naast hem en bette zijn gloeiende voorhoofd. ‘Ga niet dood,’ zei ze, toen zijn adem stokte en moeizaam weer op gang kwam. ‘Laat me niet alleen. Wat moet ik zonder u beginnen?’
‘U mag hier niet blijven,’ zei Roche. Hij deed zijn ogen open. Ze waren rood en gezwollen.
‘Ik dacht dat u sliep,’ zei ze spijtig. ‘Ik wilde u niet wakker maken.’
‘U moet teruggaan naar de hemel en voor mij bidden, opdat mijn ziel niet lang in het vagevuur blijve.’
Het vagevuur. Alsof God hem nog langer wilde laten lijden.
‘U heeft mijn voorspraak niet nodig,’ zei ze.
‘U moet terug naar waar u vandaan bent gekomen.’ Hij tilde zijn hand op en hield hem voor zijn gezicht, alsof hij een slag wilde afweren.
Kivrin pakte zijn hand voorzichtig beet om zijn huid niet te beschadigen en legde hem tegen haar wang.
Terug naar waar je vandaan komt. Kon ik dat maar, dacht ze. Ze vroeg zich af hoe lang het net open was gebleven voordat ze het opgaven. Vier dagen? Een week? Misschien was het nog steeds open. Meneer Dunworthy zou het niet laten sluiten zolang hij nog enige hoop had. Maar er is geen hoop meer. Ik ben niet in 1320. Ik ben hier en het is het einde van de wereld.
‘Dat kan ik niet,’ zei ze. ‘Ik weet de weg niet meer.’