‘U moet het zich herinneren,’ zei Roche. Hij maakte zijn hand los en zwaaide ermee. ‘Agnes, voorbij de vork.’
Hij begon weer te ijlen. Kivrin ging rechtop zitten, bang voor een nieuwe aanval.
‘Waar u bent gevallen.’ Hij steunde met zijn elleboog op de vloer en Kivrin besefte dat hij probeerde te wijzen. ‘Voorbij de vork.’
De vork in de weg.
‘Wat is er voorbij de vork?’ vroeg ze.
‘Waar ik u heb gevonden toen u uit de hemel neerdaalde.’ Hij liet zijn arm zakken.
‘Ik dacht dat Gawyn me had gevonden.’
‘Ja,’ zei hij, alsof hij nooit iets anders had gezegd. ‘Ik kwam hem tegen toen hij u naar de hofstede bracht.’
Hij had Gawyn op de weg ontmoet.
‘De plaats waar Agnes viel,’ zei Roche. Hij probeerde haar te helpen. ‘Toen we hulst gingen zoeken.’
Waarom heb je dat niet meteen gezegd, dacht Kivrin, maar ineens herinnerde ze zich het weer. Hij had zijn handen vol gehad aan de ezel, die op de top van de heuvel stond te balken en geen stap meer wilde verzetten.
Omdat ook het dier haar had zien doorkomen. Roche was het dus die vlak bij haar had gestaan toen ze met haar arm voor haar gezicht op de open plek lag. Ik heb hem gehoord, dacht ze. Het was zijn voetafdruk.
‘U moet teruggaan en opstijgen naar de hemel,’ zei hij en sloot zijn ogen.
Hij had haar zien doorkomen en was dichterbij gekomen toen ze met gesloten ogen bleef liggen. Hij had haar op zijn ezel gelegd toen ze ziek was. En ze had er geen idee van gehad, zelfs niet toen ze hem in de kerk zag of toen Agnes zei dat hij dacht dat ze een heilige was.
Gawyn had immers gezegd dat hij haar had gevonden. Gawyn, die graag opschepte en vooral indruk op vrouwe Eliwys had willen maken. Daarom had hij gezegd dat hij haar had gevonden en naar de hofstede had gebracht en misschien zag hij er niet eens een leugen in. Een dorpspriester was immers helemaal niemand. En al die tijd had Roche geweten waar de open plek was, terwijl Rosemund ziek werd en Gawyn naar Bath was vertrokken en het net voorgoed was gesloten.
‘U hoeft niet op mij te wachten,’ zei hij. ‘Iedereen zal naar uw terugkeer uitzien.’
‘Stil,’ zei ze zachtjes. ‘U moet slapen.’
Hij zakte weer weg in een onrustige slaap, onafgebroken met zijn handen wijzend of aan de dekens plukkend. Af en toe gooide hij de sprei van zich af en legde een hand op zijn dij. Arme man, dacht Kivrin, er blijft hem niets bespaard.
Ze legde zijn handen op zijn borst en probeerde de sprei weer over hem heen te trekken, maar hij duwde haar weg. Hij trok de tuniek uit zijn broek en voelde weer tussen zijn benen. Er trok een huivering door hem heen en Kivrin moest ineens aan Rosemund denken.
Ze dacht fronsend na. Hij had bloed opgegeven en ze had geen builen onder zijn oksels gevoeld toen ze zijn jas uittrok, daarom had ze gedacht dat hij longpest had. Ze schoof zijn tuniek omhoog. Hij droeg een broek van grof geweven wol, die strak om zijn middel zat. Ze zou hem nooit omlaag kunnen krijgen zonder Roche op te tillen en door de stof heen kon ze niets zien.
Heel voorzichtig legde ze een hand op zijn dijbeen, want ze herinnerde zich hoe gevoelig Rosemunds arm was geweest. Zijn gezicht vertrok, maar hij werd niet wakker. Ze liet haar hand licht over zijn been glijden. Zijn huid voelde gloeiend aan. ‘Vergeef me,’ zei ze, en ze stak haar hand tussen zijn benen.
Hij slaakte een kreet en trok met een ruk zijn knieën op, maar Kivrin was al teruggedeinsd en sloeg een hand voor haar mond. De buil aan de binnenkant van zijn dij was reusachtig groot en gloeiend heet. Ze had hem uren geleden al moeten doorprikken.
Roche was zelfs nu nog niet wakker geworden. Zijn gezicht was vlekkerig en hij haalde luidruchtig adem. Door de onverhoedse beweging was de sprei weer van hem afgegleden. Kivrin dekte hem toe. Hij trok zijn knieën weer op, maar nu langzaam. Ze pakte de laatste kaars van het koorhek, zette die in de lantaren en stak hem aan.
‘Ik ben zo terug,’ zei ze, en ze ging naar de deur.
Ze knipperde met haar ogen tegen het daglicht, hoewel het al donker werd. De lucht was bewolkt, maar er stond wat wind en het was buiten warmer dan in de kerk. Ze hield haar hand voor de open lantaren en holde over het open veld.
In de schuur lag nog het scherpe mes waarmee ze het touw aan stukken had gesneden. Ze moest het ontsmetten voordat ze er de buil mee doorprikte. De gezwollen lymfklier kon elk moment barsten. Hij zat heel dicht bij de dijbeenslagader en al het gif zou rechtstreeks in zijn bloedbaan terechtkomen, als Roche niet onmiddellijk doodbloedde. Ze had het uren geleden moeten doen.
Ze rende langs het lege varkenskot naar de voorhof. De staldeur stond open en ze hoorde daarbinnen iets. Haar hart begon te bonzen. ‘Wie is daar?’ Ze hield de lantaren omhoog.
De koe van de meier stond in een van de boxen de haver te eten die Kivrin had gemorst. Het dier loeide en kwam schommelend op haar af.
‘Ik heb geen tijd,’ zei Kivrin. Ze raapte het mes op en haastte zich naar buiten. De koe volgde haar, moeizaam lopend met haar overvolle uier en deerniswekkend loeiend.
‘Ga nou weg,’ zei Kivrin, die bijna in tranen was. ‘Hij gaat dood als ik niets doe.’ Ze keek naar het mes, dat smerig was. Het was al vuil toen ze het uit de keuken haalde en daarna had het tussen de mest in de stal gelegen.
Ze ging naar de put en pakte de emmer. Er stond nog maar een paar centimeter water in, bedekt met een dun laagje ijs. Het was niet genoeg om het mes schoon te maken en dan moest ze eerst nog een vuur maken en het water aan de kook brengen. Daar was geen tijd voor. De buil kon intussen opengaan. Ze had alcohol nodig, maar alle wijn was opgegaan om de wonden van de andere zieken te ontsmetten en ze de laatste sacramenten toe te dienen. Ze herinnerde zich de kruik van de klerk die nog in de bovenkamer moest liggen.
De koe stootte haar aan. ‘Nee,’ zei ze op besliste toon. Ze nam de lantaren mee en duwde de deur van de ridderzaal open.
Het was donker in het portaal, maar in de zaal zelf viel het zonlicht in stoffige gouden bundels door de vensteropeningen en bescheen de koude haardstenen en de tafel op de verhoging waarop Kivrin de zak met appels had neergelegd.
De ratten sloegen niet op de vlucht. Ze keken even op toen Kivrin binnenkwam, snuivend met hun zwarte neusjes, en deden zich verder te goed aan de appels. Er zaten er zeker twintig op de tafel en Kivrin zag er nog een op het driepotige krukje van Agnes, met zijn dunne pootjes voor zijn snuit alsof hij zat te bidden.
Ze zette de lantaren op de grond. ‘Ga weg,’ zei ze.
De ratten op de tafel sloegen geen acht op haar. Die op het krukje keek haar alleen maar kil aan, alsof ze een indringer was.
‘Maak dat je wegkomt!’ riep ze, en rende naar de tafel.
De ratten gingen niet op de loop. Twee verstopten zich achter het zoutvat en een derde liet een appel uit zijn poten vallen. De appel rolde over de rand en viel op het stro.
Kivrin zwaaide met haar mes. ‘Verdwijn!’ Ze haalde uit en de ratten vlogen alle kanten op. Kivrin veegde de appels van de tafel en ze rolden over de vloer. De rat op het krukje rende van schrik recht op haar af. ‘Opgedonderd!’ riep ze. Ze gooide het mes naar de rat, die zich snel omdraaide en tussen het stro verdween.
‘Laat me toch met rust,’ zei Kivrin. Ze sloeg haar handen voor haar gezicht.
Ze hoorde de koe loeien in het portaal.
‘Het is een ziekte,’ fluisterde Kivrin met bevende stem. ‘Niemand kan er iets aan doen.’
Ze raapte het mes op en pakte de lantaren. De koe zat klem in de deuropening en loeide klaaglijk.
Ze liet het dier waar het was en ging naar boven, zonder aandacht te schenken aan het geluid van krabbelende pootjes. Het was ijskoud in de bovenkamer. De linnen doek voor het venster was losgeraakt. De gordijnen rond het bed waren door de klerk half naar beneden getrokken en de matras lag schuin op de grond. Kivrin lette niet op het gescharrel onder het bed. De kist bij het voeteneind was open, met het bewerkte deksel ernaast. De zware paarse mantel van de klerk lag erin.