De wijnfles was onder het bed gerold. Kivrin ging op de grond liggen en probeerde hem te grijpen, maar hij rolde weg en ze moest half onder het bed kruipen om hem te pakken.
De kurk was eraf gegaan, waarschijnlijk toen ze tegen de fles had geschopt. Er zat alleen nog een restje kleverige wijn in de hals.
‘O nee,’ zei Kivrin. Ze bleef verslagen zitten met de lege fles in haar hand.
Roche had de miswijn uit de kerk al gebruikt voor de laatste sacramenten.
Plotseling herinnerde ze zich dat Roche haar een kruik had gegeven om de knie van Agnes te behandelen. Ze kroop weer onder het bed en tastte voorzichtig de vloer af, bang de kruik om te stoten. Ze wist niet meer hoeveel erin zat, maar ze dacht niet dat ze alle wijn had gebruikt.
Ondanks haar voorzichtigheid gooide ze hem bijna om, maar ze kon nog net de brede hals grijpen. Ze stond op en schudde de kruik. Hij was bijna halfvol. Ze stak het mes onder haar gordel en nam de kruik en de mantel van de klerk mee naar beneden. De ratten zaten alweer op de tafel, maar nu vlogen ze weg zodra Kivrin de trap afkwam.
De koe zat nog steeds klem in de deuropening en versperde haar de weg. Kivrin veegde wat stro opzij om de kruik en de lantaren rechtop te kunnen zetten, legde de mantel neer en duwde het tegenstribbelende dier naar buiten.
De koe probeerde meteen weer bij haar te komen. ‘Nee,’ zei ze, ‘ik heb geen tijd voor je.’ Toch ging ze naar de hooizolder om een lading stro voor het dier te halen. Daarna pakte ze haar spullen uit het portaal en rende terug naar de kerk.
Roche was buiten westen. Zijn lichaam was slap. Zijn lange benen waren gespreid en zijn handen lagen met de palmen naar boven naast zijn lichaam. Het was of hij bewusteloos was geslagen. Zijn ademhaling was zwaar en ongelijkmatig, alsof hij lag te rillen.
Kivrin legde de zware paarse mantel over hem heen. ‘Ik ben terug, Roche.’ Ze klopte op zijn uitgestrekte arm, maar hij reageerde niet.
Ze pakte de kaars uit de lantaren en stak er de andere kaarsen weer mee aan. Er waren nog maar drie halve waskaarsen van vrouwe Imeyne over. Ze stak ook de bieslampjes aan en de grote talgkaars in de nis bij het beeld van Katherine en zette ze dicht bij Roche neer, zodat ze de buil goed kon zien.
Ze sloeg de sprei terug. ‘Ik ga uw broek omlaag doen,’ zei ze. ‘Ik moet de buil doorsteken.’ Ze maakte de gerafelde koorden van zijn broek los en hij rochelde zacht toen ze hem aanraakte.
Ze probeerde de broek over zijn heupen te trekken, maar hij zat te strak. Ze moest hem afsnijden.
Ze draaide zich om en pakte het mes en de wijnkruik. ‘Ik zal proberen u geen pijn te doen.’ Ze rook aan de kruik, nam een klein slokje en begon te kokhalzen. Het was in elk geval oude wijn, vol alcohol. Ze goot wat over het lemmet heen en wreef het af aan haar broekspijp. Ze maakte het mes zo goed mogelijk schoon en zorgde ervoor genoeg wijn over te houden om de wond mee schoon te maken.
‘Beata,’ mompelde Roche. Zijn handen tastten naar zijn dijbeen.
‘Rustig maar,’ zei Kivrin. Ze pakte een van zijn broekspijpen en sneed de stof open. ‘Ik weet dat het pijn doet, maar ik moet de buil doorprikken.’ Met twee handen scheurde ze de broek verder open en de ruwe wol gaf gelukkig makkelijk mee. Roche trok zijn knieën op. ‘Nee, nee, hou uw benen op de grond.’ Kivrin probeerde zijn knieën naar beneden te duwen. ‘Ik moet het doen.’
Roche verzette zich. Ze liet zijn knie los en scheurde de ruwe wol tot bovenaan los tot ze de buil kon zien. Hij was twee keer zo groot als die van Rosemund en helemaal zwart. Ze had hem uren, dagen geleden moeten doorprikken.
‘Roche, leg alstublieft uw benen neer,’ zei ze, uit alle macht tegen zijn knieën duwend. ‘Ik moet de buil doorsteken.’
Hij reageerde niet. Ze wist niet of hij zijn spieren nog wel beheerste, misschien was hij net als de klerk verkrampt, maar ze wilde niet wachten tot de aanval voorbij was. De buil kon elk moment barsten.
Ze wachtte een minuut en knielde daarna tussen zijn voeten neer, het mes in haar hand. Roche kreunde. Ze stak haar hand naar voren, heel langzaam en voorzichtig, tot de punt van het mes de buil raakte.
Zijn voet schoot uit en trof haar hard tegen haar ribben. Het mes viel uit haar hand en gleed rammelend over de stenen vloer. Alle lucht was uit haar longen gedreven en Kivrin haalde gierend adem. Ze probeerde rechtop te gaan zitten, maar een pijnscheut trok door haar rechterzij en ze bleef liggen met haar handen tegen haar ribben gedrukt.
Roche schreeuwde onafgebroken, als een gefolterd dier. Kivrin draaide zich voorzichtig op haar andere zij om naar hem te kijken. Nog steeds schreeuwend lag hij te wiegen als een kind, zijn benen helemaal opgetrokken tot op zijn borst. Ze kon de buil niet zien.
Kivrin duwde zichzelf behoedzaam overeind en ging op haar knieën zitten. De beweging ontlokte haar een kreet van pijn, die overstemd werd door Roche. Ze moest een paar ribben hebben gebroken. Ze spuugde in haar hand, bang dat ze bloed zou zien.
Ze bleef even zo zitten, voorovergebogen tegen de pijn. ‘Het spijt me,’ fluisterde ze. ‘Ik wilde u geen pijn doen.’ Ze schoof op haar knieën naar hem toe, steunend op haar rechterhand. Ze haalde zwaar adem en bij elke beweging voelde ze haar ribben. ‘Rustig maar, Roche,’ fluisterde ze. ‘Ik kom, ik kom.’
Zijn benen begonnen weer te trillen toen hij haar hoorde en ze schoof naar de nis, een eindje bij hem vandaan. Hij had met zijn voet een van de kaarsen omgegooid en die lag nu brandend naast hem in een gele plas. Kivrin zette de kaars rechtop en legde een hand op zijn schouder. ‘Stil maar, Roche,’ zei ze. ‘Alles is goed. Ik ben bij u.’
Hij hield op met schreeuwen. Ze boog zich over hem heen. ‘Het spijt me. Ik wilde u geen pijn doen. Ik wilde alleen de buil doorprikken.’
Hij trok zijn benen weer helemaal op. Kivrin pakte een rode kaars en hield die omhoog boven zijn naakte middel. Ze zag de buil, donker en hard in het licht van de kaars. Het mes had de huid niet eens geschramd. Ze hield de kaars nog hoger om te zien waar het mes was gebleven. Het moest ergens bij de tombe liggen. Ze keek die kant op, maar ze zag nergens metaal glinsteren.
Heel voorzichtig probeerde ze te gaan staan, maar ineens voelde ze weer een pijnscheut in haar ribben en ze slaakte een kreet.
‘Wat is er?’ vroeg Roche. Zijn ogen waren open en er zat wat bloed op zijn mondhoek. Ze vroeg zich af of hij zijn tong had stukgebeten toen hij lag te schreeuwen. ‘Heb ik u pijn gedaan?’
‘Nee.’ Ze knielde weer bij hem neer. ‘Nee, u heeft niets gedaan.’ Ze veegde het bloed met haar mouw van zijn mond.
‘U moet…’ Een straaltje bloed liep over zijn lippen. Hij slikte. ‘U moet het gebed voor de doden zeggen.’
‘Nee,’ zei ze. ‘U gaat niet dood.’ Ze veegde zijn mond weer af. ‘Maar ik moet de buil doorprikken voor hij barst.’
‘Nee,’ zei hij. ‘Ga niet weg.’ Bloed sijpelde tussen zijn opeengeklemde tanden door. Voorzichtig ging Kivrin naast hem zitten en legde zijn hoofd in haar schoot.
‘Requiem aeternam dona eis,’ zei hij rochelend, ‘et lux perpetua.’
Bloed drupte van zijn gehemelte. Ze legde de paarse mantel onder zijn hoofd en veegde zijn mond en kin af. Haar mouw was doorweekt. Ze wilde zijn miskleed pakken. ‘Ga niet weg,’ zei hij.
‘Ik ga niet weg. Ik blijf bij u.’
‘Bid voor mij,’ zei hij, en hij probeerde zijn handen op zijn borst te vouwen. ‘Req…’ Hij begon weer te rochelen.
‘Requiem aeternam,’ zei Kivrin. Ze vouwde haar handen. ‘Requiem aeternam dona eis, Domine.’
‘Et lux…’
De rode kaars naast haar ging uit en de scherpe rook vulde de kerk. Ze keek naar de andere kaarsen. Alleen een waskaars van vrouwe Imeyne brandde nog, maar het was niet meer dan een stompje.