‘Et lux perpetua,’ zei Kivrin.
‘Luceat eis,’ zei Roche. Hij zweeg en probeerde zijn bloederige lippen te likken. Zijn tong was opgezet en stijf. ‘Dies irae, dies illa.’ Hij slikte weer en probeerde zijn ogen te sluiten.
‘Laat hem niet nog langer lijden,’ zei ze in modern Engels. ‘Alstublieft. Dit heeft hij niet verdiend.’
‘Beata,’ dacht ze dat hij zei, maar de volgende regel begon niet met ‘gezegend’.
‘Wat zegt u?’ vroeg ze, zich over hem heen buigend.
‘In de laatste dagen,’ zei hij, moeilijk sprekend door zijn gezwollen tong.
Ze bracht haar oor dicht bij zijn mond.
‘Ik vreesde dat God ons voorgoed zou verlaten,’ zei hij.
Dat heeft Hij ook gedaan, dacht ze. Ze veegde zijn mond en kin af met een droog stuk van haar tuniek. Dat heeft Hij gedaan.
‘Maar in Zijn grote genade heeft Hij aan ons gedacht…’ Roche slikte weer. ‘… en ons zijn heilige gezonden.’
Hij tilde zijn hoofd op en begon te hoesten. Het bloed stroomde over zijn borst en over Kivrins knieën. Wanhopig probeerde ze zijn hoofd rechtop te houden om het bloeden te stelpen, maar door haar tranen kon ze niet goed meer zien.
‘Maar ik kan niets voor u doen,’ zei ze, haar wangen afvegend.
‘Waarom huilt u?’
‘U heeft mijn leven gered,’ zei ze snikkend, ‘en ik kan niets voor u doen.’
‘Iedereen moet sterven,’ zei Roche. ‘Zelfs Christus kan daar niets aan veranderen.’
‘Ik weet het,’ zei ze. Ze hield een hand onder haar kin om haar tranen op te vangen. Een paar vielen in de hals van Roche.
‘Toch heeft u mij behoed,’ zei hij, en zijn stem klonk vaster. ‘Behoed voor angst.’ Hij haalde rochelend adem. ‘En voor ongeloof.’
Ze wiste haar tranen af en pakte zijn hand, die koud en al stijf aanvoelde.
‘Door uw aanwezigheid ben ik gezegend boven alle mensen,’ zei hij, en hij sloot zijn ogen.
Kivrin leunde met haar rug tegen de muur. Buiten was het donker geworden en er viel geen licht meer door de smalle ramen. De kaars van vrouwe Imeyne sputterde even en laaide weer op. Ze verlegde het hoofd van de priester iets om haar ribben niet te voelen. Hij kreunde en probeerde zijn hand weg te trekken, maar ze liet hem niet los. De kaarsvlam flakkerde een laatste maal op en doofde uit.
Ik geloof niet dat ik nog terugkom, meneer Dunworthy. Roche heeft me verteld waar de open plek is, maar ik heb mijn ribben gebroken en alle paarden zijn weg. Ik denk niet dat ik zonder zadel op de ezel kan blijven zitten.
Ik zal proberen ervoor te zorgen dat Montoya de recorder kan vinden. Zegt u maar tegen Latimer dat adjectieve verbuigingsuitgangen in 1348 nog in zwang waren. En tegen Gilchrist dat hij ernaast zat. De statistieken waren niet overdreven.
Ik wil niet dat u de schuld op u neemt. Ik weet dat u me zou hebben teruggehaald als u had gekund, maar ik had Agnes nooit ziek kunnen achterlaten.
Ik wilde zelf naar de middeleeuwen en anders zouden ze helemaal alleen zijn geweest en niemand zou ooit hebben geweten hoe angstig en moedig en hoe uniek ze waren.
Het is gek. Toen ik de open plek niet kon vinden en de pest uitbrak, leek u zo ver weg dat ik u nooit meer dacht terug te zien. Maar nu weet ik dat u al die tijd bij me geweest bent en dat niets mij kan scheiden van uw liefde en bezorgdheid, geen pest en geen zevenhonderd jaar, geen dood en geen komende dingen en geen ander schepsel. U bent elke minuut bij me geweest.
34
‘Colin!’ riep Dunworthy. Hij greep de jongen bij zijn arm toen hij met zijn hoofd naar voren onder de sluiers doorkroop. ‘Wat ben je in godsnaam aan het doen?’
Colin rukte zijn arm los. ‘Ik mag u niet alleen laten gaan!’
‘Je kunt niet zomaar het net binnenlopen! Dit is geen quarantaine! Je had wel dood kunnen zijn als het net open was gegaan.’ Hij pakte Colin weer beet en trok hem mee. ‘Badri! Wacht even!’
Badri was er niet. Dunworthy tuurde bijziend in de richting van het paneel. Hij zag alleen maar bomen. De grond was bedekt met sneeuw en kristallen zweefden glinsterend in de lucht.
‘Er moet toch iemand op u passen?’ zei Colin. ‘Misschien krijgt u wel een terugval.’ Hij keek langs Dunworthy en zijn mond viel open. ‘Zijn we er?’
Dunworthy liet hem los en pakte snel zijn bril.
‘Badri!’ riep hij. ‘Doe het net open!’ Hij zette zijn bril op. De glazen waren beslagen van de kou. Hij nam zijn bril weer af en probeerde hem schoon te poetsen. ‘Badri!’
‘Waar zijn we?’ vroeg Colin.
Dunworthy haakte de brillepoten achter zijn oren en keek om zich heen. Het waren oude bomen, met klimop langs hun wit uitgeslagen stammen. Er was geen spoor van Kivrin.
Hij had verwacht dat ze er zou zijn, wat natuurlijk belachelijk was. Het net was al eerder geopend zonder dat ze er was, maar hij had gehoopt dat ze zou terugkomen en wachten zodra ze besefte waar ze was. Maar ze was er niet en er was geen enkel teken dat ze hier ooit was geweest.
De sneeuw rond hun voeten was glad en er waren geen voetafdrukken te zien. Het was een dikke laag, maar niet dik genoeg om de kapotte kar en de verspreide kisten te verbergen. En de weg naar Bath was evenmin te zien.
‘Ik weet niet waar we zijn,’ zei hij.
‘In elk geval niet in Oxford.’ Colin stampte rond door de sneeuw. ‘Het regent niet.’
Dunworthy keek omhoog naar de bleke, heldere lucht. Als er dezelfde verschuiving was geweest als bij Kivrin, moest het halverwege de ochtend zijn.
Colin holde door de sneeuw naar een groepje rode wilgen.
‘Wat ga je doen?’ vroeg Dunworthy.
‘Ik ga de weg zoeken. Die moet hier toch ergens in de buurt zijn?’ Hij liep door en verdween tussen de wilgen.
‘Colin!’ Dunworthy ging achter hem aan. ‘Kom terug!’
‘Hier is het!’ riep Colin, nog steeds onzichtbaar. ‘Ik heb de weg gevonden!’
‘Kom onmiddellijk terug!’
Colin duwde een paar takken opzij.
‘Kom hier,’ zei Dunworthy op rustiger toon.
‘Verderop is een heuvel.’ Colin kwam terug naar de open plek. ‘We kunnen op de top gaan staan om te zien waar we zijn.’
Hij was nu al nat. Zijn bruine jas zat onder de sneeuw die van de takken was gevallen. Hij keek Dunworthy schichtig aan, voorbereid op slecht nieuws.
‘U wilt me zeker terugsturen?’
‘Ik moet wel,’ zei Dunworthy, maar de moed zonk hem in de schoenen. Badri zou het net pas over twee uur weer openen. Die tijd kon hij niet missen, maar hij kon Colin ook niet alleen achterlaten. ‘Ik ben verantwoordelijk voor je.’
‘En ik voor u,’ zei Colin koppig. ‘Tante Mary zei dat ik op u moest passen. Straks wordt u weer ziek.’
‘Je begrijpt het niet. De Zwarte Dood…’
‘Ik snap het heus wel. Ik heb ook streptomycine gehad, dat heb ik aan William gevraagd. U kunt me nu niet terugsturen, want het net is niet open en het is te koud om hier te wachten. Als we Kivrin gaan zoeken, hebben we haar misschien over een uur gevonden.’
Het was waar dat ze hier niet konden blijven. De kou drong al door zijn buitenissige Victoriaanse mantel en Colins ruwe jas baatte nog minder dan zijn natte oude jack.
‘Dan gaan we naar de heuvel,’ zei hij. ‘Maar eerst moeten we een spoor achterlaten om de plek terug te kunnen vinden. En je mag niet zomaar weglopen. Denk erom dat je steeds in mijn buurt blijft. Ik heb geen tijd om jou ook nog eens te gaan zoeken.’