‘Ik kan niet verdwalen.’ Hij haalde een plat, rechthoekig voorwerp te voorschijn. ‘Ik heb een lokator meegenomen. Ik heb hem al op deze plek ingesteld.’
Hij hield de wilgetakken uit elkaar voor Dunworthy en ze gingen naar de weg. Het was nauwelijks breder dan een koeienpad en bedekt met maagdelijke sneeuw, slechts hier en daar onderbroken door de afdrukken van eekhoorns en een hond of een wolf. Colin bleef netjes naast Dunworthy lopen, maar halverwege de heuvel kon hij zich niet meer inhouden en rende naar boven.
Dunworthy ploeterde langzaam verder. Hij begon het al benauwd te krijgen. De bomen groeiden maar tot halverwege de heuvel en daarboven stond een ijzige wind.
‘Ik kan het dorp zien!’ riep Colin naar hem.
Hij kwam op de top. De wind was hier nog sterker en sneed dwars door zijn gevoerde mantel. Langgerekte wolken schoten door de bleekblauwe lucht. Ver naar het zuiden zag hij een rookpluim opstijgen, meegevoerd door de wind.
Colin wees ernaar. ‘Ziet u wel?’
In de laagte strekte zich een glooiende vlakte uit, verborgen onder de oogverblindende sneeuw. De kale bomen en de wegen staken er donker tegen af, als tekens op een kaart. De weg naar Bath was een rechte zwarte lijn die de besneeuwde vlakte doormidden sneed en Oxford was net een pentekening. Dunworthy zag witte daken en de vierkante toren van St. Michael boven de donkere wallen uitsteken.
‘Je zou niet zeggen dat de Zwarte Dood er al is,’ zei Colin.
Hij had gelijk. De stad zag er sereen en onaangetast uit, het oude Oxford van de legenden. Dunworthy kon zich niet voorstellen dat de pest er was uitgebroken, met volle lijkwagens die door de smalle straten werden getrokken, de collegegebouwen dichtgetimmerd of verlaten, en overal stervenden en doden. Hij kon zich niet voorstellen dat Kivrin hier ergens was, in een van die dorpen die hij niet kon zien.
Colin wees naar het zuiden. ‘En daar, achter die bomen.’
Hij keek in de aangewezen richting. Tussen de grijze takken was een donkere vorm te zien, misschien de toren van een kerk of de muur van een riddergoed.
‘Er loopt een pad naartoe.’ Colin wees naar een smal grijs spoor dat ergens in de laagte begon.
Dunworthy bekeek de kaart die Montoya hem had gegeven. Ondanks haar aanwijzingen kon hij onmogelijk zeggen welk dorp het was, want dan moest hij eerst weten waar de plek was waar Kivrin was doorgekomen. Als ze zich verder naar het zuiden bevonden, kon het dorp niet Skendgate zijn, maar waar het had moeten liggen zag hij zelfs geen bomen, alleen maar een besneeuwde vlakte.
‘Gaan we er niet heen?’ vroeg Colin.
Het was het enige zichtbare dorp, als het al een dorp was, en het lag op ongeveer een kilometer afstand. Het lag in elk geval in dezelfde richting als Skendgate en als ze het aan de hand van Montoya’s kaart konden thuisbrengen, zouden ze precies weten waar ze waren.
‘Als je maar bij me blijft en tegen niemand je mond opendoet, begrepen?’
Colin knikte zonder te luisteren. ‘Ik geloof dat het pad deze kant op is,’ zei hij, en hij holde aan de andere kant de heuvel af.
Dunworthy liep hem achterna. Hij probeerde te vergeten hoeveel dorpen er wel niet waren, hoe weinig tijd hij had, hoe moe hij al was na het beklimmen van die ene heuvel.
‘Hoe heb je William zo gek gekregen jou een inenting te geven?’ vroeg hij toen hij Colin had ingehaald.
‘Hij moest het registratienummer van tante Mary hebben om toestemming te krijgen. Dat stond op een kaart in haar tas.’
‘En jij wilde het hem pas geven als hij jou zou helpen?’
‘Ja, en anders zou ik zijn moeder hebben verteld over al die meiden.’ Hij holde weer vooruit.
De grijze lijn bleek een haag te zijn. Dunworthy wilde niet door het aangrenzende veld gaan lopen. ‘We moeten op de weg blijven.’
‘Dit is sneller,’ protesteerde Colin. ‘En we kunnen toch niet verdwalen? We hebben de lokator.’
Dunworthy had geen zin in een discussie. Hij liep verder over het pad. De smalle akkers liepen tot aan de bosrand en de weg draaide terug naar het noorden.
‘Misschien ligt er helemaal geen dorp aan deze weg,’ zei Colin, maar na een volgende bocht zagen ze een zijpad.
Het was nog smaller dan het spoor bij het rendez-vous en niemand had erover gelopen sinds de sneeuw was gevallen. Bij elke stap zakten ze met hun voeten door het laagje ijs. Dunworthy keek gespannen voor zich uit, maar het bos was te dicht om ver te kunnen kijken.
Door de sneeuw kwam hij maar langzaam vooruit. Hij was al buiten adem en de beklemming op zijn borst werd steeds heviger.
‘Wat doen we als we er zijn?’ vroeg Colin, die moeiteloos door de sneeuw waadde.
‘Jij houdt je gedeisd en wacht op me,’ zei Dunworthy. ‘Heb je dat goed begrepen?’
‘Ja,’ zei Colin. ‘Weet u zeker dat dit het goede pad is?’
Dunworthy was er allerminst zeker van. Het pad liep in westelijke richting, waar het dorp niet lag, en maakte iets verderop een bocht naar het noorden. Hij keek bezorgd door de bomen om een glimp van steen of riet op te vangen.
‘Volgens mij was het niet zo ver,’ zei Colin, over zijn armen wrijvend. ‘We lopen al uren.’
Dat was overdreven, maar een uur waren ze minstens onderweg en ze hadden nog geen hut gezien, laat staan een heel dorp. Er moesten hier tientallen dorpen zijn, maar waar?
Colin pakte zijn lokator en liet hem aan Dunworthy zien. ‘Kijk, we zijn te ver naar het zuiden gegaan. Ik denk dat we terug moeten naar het andere pad.’
Dunworthy keek op de display en vervolgens op de kaart. Ze bevonden zich bijna pal ten zuiden van het rendez-vous, op een afstand van ruim drie kilometer. Ze moesten bijna de hele weg weer terug. In die tijd zouden ze Kivrin zeker niet vinden en hij wist niet of hij daarna nog de kracht zou hebben om verder te gaan. Hij kreeg nu al bijna geen lucht meer en voelde een scherpe pijn in zijn borst. Hij draaide zich om en keek aarzelend naar de bocht.
‘Mijn tenen zijn bevroren,’ zei Colin. Hij liep stampvoetend rond in de sneeuw en een vogel vloog geschrokken op. Dunworthy keek fronsend naar de lucht. De bewolking werd dikker.
‘We hadden bij de haag moeten blijven,’ zei Colin. ‘Dan waren we…’
‘Ssst,’ zei Dunworthy.
‘Wat is er? Hoort u iemand komen?’
‘Stil,’ fluisterde Dunworthy. Hij duwde Colin in de berm en bleef staan luisteren. Hij dacht dat hij een paard had horen hinniken, maar nu was alles stil. Misschien was het alleen de vogel maar geweest.
Hij beduidde Colin achter een boom te gaan staan. ‘Blijf hier,’ fluisterde hij, en hij sloop verder tot hij de bocht kon overzien.
De zwarte hengst was aan een doornstruik vastgebonden. Dunworthy dook snel weg achter een spar en bleef roerloos staan. Er was geen ruiter te zien. Met ingehouden adem luisterde hij. Er was geen mens op het pad en hij hoorde alleen het paard onrustig heen en weer lopen.
Het dier was gezadeld en de teugels waren met zilver beslagen, maar het was erg mager. Dunworthy zag de ribben uitsteken bij de buikriem. De riem was losgeschoten en het zadel hing een beetje scheef. De hengst schudde zijn hoofd en trok aan de teugels waarmee hij vastzat. Toen Dunworthy dichterbij kwam zag hij dat de teugels in de struik verward waren geraakt.
Hij liep het pad op. De hengst draaide zijn hoofd om en begon wild te hinniken.
‘Rustig maar, jongen, braaf.’ Dunworthy naderde het paard voorzichtig van opzij en legde een hand tegen de hals van het dier. Het hinnikte niet meer en drukte zijn neus tegen hem aan.
Dunworthy keek om zich heen, maar er groeide bijna geen gras rond de doornstruik.
‘Hoe lang zit je hier al vast, ouwe jongen?’ Was de eigenaar onderweg ziek geworden of doodgegaan en was het paard er in paniek vandoor gegaan en met de slingerende teugels verstrikt geraakt?