Выбрать главу

Hij zocht tussen de bomen naar voetsporen, maar die waren nergens te zien. De hengst begon weer te hinniken en hij ging terug om het dier los te maken, her en der wat gras uit de sneeuw plukkend.

‘Een paard! Apocalyptisch!’ zei Colin, die enthousiast kwam aangerend. ‘Waar heeft u dat gevonden?’

‘Je zou daar blijven tot ik terugkwam.’

‘O ja, maar ik hoorde het paard hinniken en ik dacht dat u in de knoei zat.’

‘Des te meer reden voor jou om je schuil te houden.’ Hij gaf het gras aan Colin. ‘Geef hem dat maar.’

Hij ging op zijn tenen staan en trok aan de teugels. In zijn pogingen om zich te bevrijden was de hengst hopeloos verstrikt geraakt in de doornige takken. Dunworthy moest ze opzij duwen en met zijn vrije hand de teugels lostrekken. Hij zat meteen onder de schrammen.

‘Van wie is hij?’ vroeg Colin. Van een afstandje stak hij het dier wat gras toe. Het uitgehongerde paard stapte er gretig op af en Colin liet het gras uit zijn hand vallen toen hij geschrokken naar achteren sprong. ‘Weet u zeker dat hij tam is?’

Dunworthy dreigde zelf in de struik verward te raken toen het paard wegliep, maar hij had de teugel los en hij wikkelde hem om zijn bloedende hand.

‘Ja,’ zei hij.

‘Van wie is hij?’ Colin streek het dier schuchter over de neus.

‘Van ons.’ Hij gespte het zadel vast, hielp de protesterende Colin op de rug van het paard en steeg zelf op.

De hengst keek verwijtend om toen Dunworthy hem zachtjes de sporen gaf, maar toonde zich verrukt over de herwonnen vrijheid en zette het op een lopen over het besneeuwde pad.

Colin drukte zich angstig tegen Dunworthy aan, met zijn handen tegen diens pijnlijke ribben, maar al na honderd meter ging hij rechtop zitten. ‘Hoe kunt u hem nou sturen?’ vroeg hij. ‘Kan hij niet harder?’

Ze waren snel weer terug bij het eerste pad. Colin wilde terug naar de haag en dan door het open veld, maar Dunworthy volgde het pad. Na een halve kilometer bereikten ze een tweesprong en Dunworthy koos het pad dat naar links ging.

Dit was duidelijk vaker gebruikt, ook al leidde het naar een nog dichter bos. De lucht was inmiddels helemaal betrokken en de wind nam toe in sterkte.

‘Daar is het!’ riep Colin. Hij stak zijn arm uit en wees naar een groepje essen, waarachter een donkergrijs dak tegen de bewolkte lucht afstak. Het kon een kerk of een stal zijn. Het lag iets verder naar het oosten en ze bereikten al snel een zijpad, dat naar een beek met een gammele houten plank erover leidde. Daarachter lag een smalle weide.

De hengst stak zijn oren niet op en ging niet sneller lopen, waaruit Dunworthy concludeerde dat het dier niet uit dit dorp kwam. Dat is maar goed ook, dacht hij, anders worden we hier nog als een stel paardendieven opgehangen voor we kunnen vragen waar Kivrin is. Plotseling zag hij de schapen.

Ze lagen op de grond als grote bollen grijze wol. Een paar hadden nog bij de bomen beschutting gezocht tegen de wind en de sneeuw.

Colin had ze nog niet gezien. ‘Wat doen we als we er zijn?’ zei hij tegen Dunworthy’s rug. ‘Sluipen we naar binnen of vragen we gewoon iemand of ze haar gezien hebben?’

Er is niemand om het aan te vragen, dacht Dunworthy. Hij gaf het paard de sporen en ze reden voorbij de laatste bomen het dorp in.

Het leek helemaal niet op de illustraties in Colins boek, met gebouwen rond een open veld. De huizen stonden her en der tussen de bomen. Af en toe zag hij een rieten dak en verderop de kerk tussen een paar essen. Op een klein veldje stonden slechts een planken huis en een lage schuur.

Het was te klein voor een hofstede, maar het zou het huis van een meier of een baljuw kunnen zijn. De houten deur van de schuur hing open en de sneeuw was naar binnen gewaaid. Er kwam geen rook uit het huis en er viel geen geluid te horen.

‘Misschien zijn ze gevlucht,’ zei Colin. ‘Veel mensen zijn gevlucht voor de pest. Zo is de ziekte verspreid.’

Ja, misschien waren ze gevlucht. De sneeuw voor het huis was aangestampt, alsof er veel mensen en paarden hadden gelopen.

‘Blijf bij het paard,’ zei hij, en hij ging naar het huis. De deur stond op een kier. Hij bukte en ging door de smalle opening naar binnen.

Het was er ijskoud en zo donker dat hij alleen nog de sneeuw op zijn netvlies zag branden. Hij duwde de deur helemaal open, maar er viel nauwelijks licht naar binnen en alles had een rode gloed.

Dit moest het huis van de meier zijn. Er waren twee kamers met een houten schot ertussen en op de vloer lagen matten. De tafel was leeg en het haardvuur had al dagen niet meer gebrand. De kleine ruimte stonk naar koude as. De meier en zijn familie waren gevlucht, net als de andere dorpelingen waarschijnlijk. Ze hadden ongetwijfeld de pest met zich meegenomen. En Kivrin ook.

Hij leunde tegen de deurpost en voelde de pijn in zijn borst weer opkomen. Hij had zich de verschrikkelijkste dingen voorgesteld, maar het was nooit bij hem opgekomen dat Kivrin weg kon zijn.

Hij keek in de tweede kamer. Colin stak zijn hoofd om de hoek. ‘Het paard wil drinken uit een emmer die daar staat. Mag dat?’

‘Ja,’ zei Dunworthy. Hij richtte zich op, zodat Colin niet over de afscheiding kon kijken. ‘Maar laat hem niet te veel tegelijk drinken. Hij heeft al dagen niets gehad.’

‘Er zit maar een beetje in de emmer.’ Colin keek belangstellend om zich heen. ‘Dit is zeker de hut van een lijfeigene? Wat een arme lui waren het toch! Heeft u iets gevonden?’

‘Nee. Je moet op het paard passen. Hij mag niet weglopen.’

Colin ging naar buiten. Zijn haar streek langs de bovenkant van de deuropening.

De baby lag op een strozak in de hoek. Hij had kennelijk nog geleefd toen de moeder stierf. Zij lag op de aarden vloer, de armen naar het kind uitgestrekt. Ze waren allebei bijna zwart en de doeken waarin de baby was gewikkeld zaten onder de bloedkorsten.

‘Meneer Dunworthy!’ riep Colin geschrokken. Dunworthy keek gealarmeerd op en rende naar buiten. Colin stond nog bij het paard, dat zijn neus in de emmer had gestoken.

‘Wat is er?’ vroeg hij.

‘Er ligt daar iets op de grond.’ Colin wees naar een paar hutten. ‘Ik geloof dat het een lijk is.’ Hij trok aan de teugels en het paard gooide de emmer om. Een straaltje water liep over de sneeuw.

‘Wacht,’ zei Dunworthy, maar Colin holde al met het paard achter zich aan naar de bomen.

‘Het is een…’ Colin zweeg abrupt. Dunworthy rende naar hem toe, een hand tegen zijn zij gedrukt.

Het was het lijk van een jonge man. Hij lag op zijn rug in een zwarte plas. Een dun laagje sneeuw bedekte zijn gezicht. Zijn builen zijn opengegaan, dacht Dunworthy. Hij keek naar Colin. De jongen keek niet naar het lijk, maar naar de open plek daarachter.

Het veld was iets groter dan dat bij het huis van de meier. Het werd omgeven door een stuk of tien hutten en aan de andere kant stond de Normandische kerk. In het midden, op de aangestampte sneeuw, lagen de lijken.

Ze waren niet meer begraven, hoewel er bij de kerk een ondiepe kuil was met een besneeuwde hoop aarde ernaast. Sommige doden waren naar het kerkhof gesleept, want er waren lange sporen in de sneeuw te zien, en een van de slachtoffers lag precies op de drempel van een hut.

‘Vrees God,’ mompelde Dunworthy, ‘want de dag des oordeels is gekomen.’

‘Het lijkt wel of er een veldslag is geweest,’ zei Colin.

‘Dat was het ook,’ zei Dunworthy.

Colin deed een stap naar voren en keek naar het lichaam van de jonge man. ‘Denkt u dat ze allemaal dood zijn?’

‘Raak ze niet aan,’ zei Dunworthy. ‘Blijf uit de buurt.’

‘Ik heb gammaglobuline gehad,’ zei Colin, maar hij deinsde terug en slikte moeilijk.

Dunworthy legde een hand op zijn schouder. ‘Haal diep adem en kijk ergens anders naar.’

‘Ik heb er in het boek over gelezen,’ zei Colin, strak naar een eik starend. ‘Ik dacht eerlijk gezegd dat het nog veel erger zou zijn. Je ruikt niks, bedoel ik.’