‘Nee.’
Colin slikte weer. ‘Het gaat nu wel.’ Hij keek om zich heen. ‘Waar zou Kivrin ergens kunnen zijn?’
Niet hier, smeekte Dunworthy in stilte.
‘Misschien in de kerk.’ Hij pakte het paard bij de teugels en begon te lopen. ‘We moeten toch kijken of de tombe daar is. Misschien is dit een ander dorp.’ Het paard bleef na twee passen staan en legde zijn oren in zijn nek. Het schudde met zijn hoofd en hinnikte angstig.
‘Breng hem maar naar de schuur,’ zei Dunworthy. ‘Hij ruikt bloed en daar wordt hij bang van.’
Hij gaf de teugels aan Colin, die bezorgd naar het paard keek. ‘Kom maar,’ zei hij, teruglopend naar het huis van de meier. ‘Ik weet precies hoe je je voelt.’
Dunworthy liep snel over het veld naar het kerkhof. Er lagen vier lijken in de ondiepe kuil en in de twee graven ernaast, bedekt door sneeuw. Misschien waren dit de eerste slachtoffers, toen er nog mensen waren om ze te begraven. Hij ging naar de kerkdeur.
Voor de ingang lagen nog twee lijken, boven op elkaar, met hun gezicht naar beneden. De bovenste was een oude man, de onderste een vrouw. Hij zag de ruwe stof van haar mantel en een van haar handen. De man had zijn armen over de schouders van de vrouw geslagen.
Dunworthy tilde voorzichtig een arm van de man op en het lichaam schoof met de mantel opzij. Het kleed van de vrouw was vuil en besmeurd met bloed, maar hij zag nog iets van de helblauwe kleur. Hij trok de kap van haar hoofd. Er zat een touw om haar hals. Haar lange blonde haar zat beklemd onder de grove vezels.
Ze hebben haar opgehangen, dacht hij, en het verbaasde hem helemaal niet.
Colin holde naar hem toe. ‘Ik weet wat die sporen in de sneeuw betekenen,’ zei hij. ‘Ze hebben de lijken naar het kerkhof gesleept. Achter de schuur ligt een jongetje met een touw om zijn nek.’
Dunworthy keek naar de strop, naar het verwarde blonde haar dat grijs van het vuil zag.
‘Ik denk dat ze ze moesten slepen omdat ze ze niet meer konden dragen,’ zei Colin.
‘Heb je het paard in de schuur gezet?’
‘Ja. Ik heb hem aan een dinges vastgebonden. Hij wilde met me mee.’
‘Hij heeft honger,’ zei Dunworthy. ‘Ga maar wat hooi voor hem zoeken.’
‘Is er iets?’ vroeg Colin. ‘U wordt toch niet weer ziek?’
De jongen kon het blauwe kleed niet zien. ‘Nee,’ zei hij. ‘Er is wel hooi in de schuur, denk ik. Of haver. Ga hem te eten geven.’
‘Ik ga al,’ zei Colin timide. Hij holde weg, maar op de open plek bleef hij staan. ‘Ik hoef hem toch niet zelf te voeren? Ik kan het hooi toch gewoon voor hem neerleggen?’
‘Ja,’ zei Dunworthy. Hij keek naar haar hand. Ook de vingers en de pols zaten onder het bloed. Haar arm was gebogen alsof ze haar val had willen breken. Hij hoefde alleen maar haar elleboog te pakken om haar op haar rug te draaien.
Hij pakte de hand. Die was stijf en koud. De vuile huid was rood en geschaafd en overal gebarsten. Het kon onmogelijk Kivrin zijn. Wat had ze anders in die twee weken niet moeten doorstaan om zo toegetakeld te zijn?
Het zou allemaal op de recorder staan. Hij draaide haar hand voorzichtig om en keek naar de pols, maar die zat onder het vuil en hij kon geen litteken van de implantatie zien.
En al was het Kivrin, wat dan nog? Moest hij Colin soms een bijl uit het huis van de meier laten halen en de recorder uit haar pols hakken om haar te horen vertellen welke verschrikkingen ze had meegemaakt? Daar was hij natuurlijk niet toe in staat, evenmin was hij in staat het lichaam om te draaien en zich ervan te vergewissen dat het Kivrin was.
Hij legde de hand behoedzaam neer, pakte de elleboog van de vrouw en draaide haar om.
Ze was aan de builenpest gestorven. Een gore gele vlek zat op haar blauwe kleed, vlak bij haar oksel. Haar tong was zwart en helemaal gezwollen, alsof iemand haar op een verschrikkelijke manier had laten stikken, en haar bleke gezicht was opgezet en verwrongen.
Het was Kivrin niet. Hij ging wankelend rechtop staan en bedacht te laat dat hij het gezicht had moeten bedekken.
‘Meneer Dunworthy!’ Colin kwam aanrennen en Dunworthy staarde hem hulpeloos aan.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Colin op verwijtende toon. ‘Heeft u haar gevonden?’
‘Nee.’ Hij ging voor de jongen staan. We zullen haar niet vinden.
Colin keek langs hem naar de vrouw. Haar gezicht was blauwwit tegen de witte sneeuw en haar helblauwe kleed. ‘U heeft haar wel gevonden. Is ze dat?’
‘Nee,’ zei Dunworthy, maar misschien toch wel. Misschien wel. En ik kan niet nog meer lijken omdraaien in de verwachting dat zij het is. Zijn knieën begonnen te knikken. ‘Help me naar de schuur,’ zei hij.
Colin bleef koppig staan. ‘U kunt het wel zeggen als zij het is. Ik kan ertegen.’
Maar ik niet, dacht Dunworthy, ik kan het niet verdragen als ze dood is.
Hij zocht steun tegen de koude stenen muur van de kerk en ging op weg naar het huis van de meier. Hij vroeg zich af wat hij moest beginnen als hij bij het open veld kwam.
Colin kwam naast hem lopen, pakte zijn arm en keek hem gespannen aan. ‘Wat is er? Bent u weer ziek?’
‘Ik moet alleen even rusten,’ zei hij, maar hij liep bijna ongewild verder. ‘Kivrin had een blauw kleed aan toen ze wegging.’ Toen ze wegging, toen ze op de grond ging liggen en haar ogen sloot, machteloos en vol vertrouwen, toen ze voorgoed in deze hel verdween.
Colin deed de deur van de schuur open en hielp Dunworthy met twee handen naar binnen. De hengst keek op van een zak graan.
‘Ik kon geen hooi vinden,’ zei Colin, ‘daarom heb ik dat maar gegeven. Paarden eten toch graan?’
‘Ja.’ Dunworthy ging tegen een paar graanzakken zitten. ‘Maar laat hem niet te veel eten, dan wordt hij ziek.’
Colin probeerde de zak weg te trekken. ‘Waarom dacht u dat het Kivrin was?’
‘Ik zag een blauw kleed,’ zei Dunworthy. ‘Net zo’n kleed als Kivrin aanhad.’
De zak was te zwaar voor Colin. Hij rukte er met twee handen aan, de naad scheurde open en het graan stroomde eruit. Het paard at er gretig van. ‘Nee, ik bedoel dat zij is ingeënt. Al die mensen zijn toch aan de pest gestorven? Kivrin kon het niet krijgen en waar zou ze anders aan gestorven moeten zijn?’
Hieraan, dacht Dunworthy. Niemand kon overleven terwijl kinderen en zuigelingen als ratten stierven, in kuilen of op een hoop gegooid, met een touw om hun nek door de sneeuw gesleept. Hoe had Kivrin dit moeten doorstaan?
Colin kreeg eindelijk beweging in de zak. Hij zette hem naast een kleine kist en ging hijgend voor Dunworthy staan. ‘Weet u zeker dat u niet ziek wordt?’
‘Ja,’ zei hij, maar hij begon al te rillen.
‘Misschien bent u een beetje moe,’ zei Colin. ‘Rust maar uit, ik ben zo terug.’
Hij ging naar buiten en deed de deur achter zich dicht. De hengst stond luidruchtig te knabbelen aan de gemorste graankorrels. Dunworthy kwam overeind, hield zich vast aan de ruwe draagbalk en ging naar het kistje. Het koperbeslag was dof geworden en er zat een snee in het leren deksel, maar verder zag het er gloednieuw uit.
Hij ging zitten en maakte het open. De meier bewaarde er zijn werktuigen in. Dunworthy zag een rol leer en de roestige punt van een houweel, die de blauwe stof aan de binnenkant had gescheurd. De blauwe stof waarover Gilchrist in de pub had gesproken.
Colin kwam terug met de emmer. ‘Ik heb voor u water uit de beek gehaald.’ Hij zette de emmer neer en haalde een flesje uit een van zijn zakken. ‘Ik heb maar tien aspirientjes, dus u mag niet erg ziek worden. Ik heb ze van Finch gepikt.’
Hij schudde twee tabletten uit het flesje. ‘Ik heb ook wat synthamycine gepakt, maar ik was bang dat ze dat nog niet hadden uitgevonden.’ Hij gaf Dunworthy de tabletjes en zette de emmer bij hem neer. ‘U moet maar uit uw hand drinken. Ik denk dat de bekers en zo hier wel vol bacteriën zullen zitten.’