Выбрать главу

Dunworthy stopte de aspirine in zijn mond en spoelde de tabletjes weg met een handvol water. ‘Colin,’ zei hij.

Colin bracht de emmer naar het paard. ‘Ik geloof niet dat we in het goede dorp zijn. Ik ben in de kerk gaan kijken en daar is alleen maar een tombe van een vrouw.’ Hij haalde de kaart en zijn lokator uit een andere zak. ‘We zijn nog te ver naar het oosten. Ik denk dat we hier zitten.’ Hij wees naar een van Montoya’s kruisjes. ‘Dus als we nu teruggaan naar het eerste pad en dan pal naar het oosten…’

‘We gaan terug naar het net,’ zei Dunworthy. Hij stond voorzichtig op zonder de wand of het kistje aan te raken.

‘Waarom? Badri zei dat we minstens een dag hebben en we zijn nog maar in dit ene dorp geweest. Er zijn er nog veel meer in de omgeving.’

Dunworthy maakte de hengst los.

‘Of ik kan het paard nemen en haar gaan zoeken,’ zei Colin. ‘Ik kan heel snel rijden en alle dorpen afgaan en dan kom ik u halen als ik haar heb gevonden. Of we nemen allebei een ander dorp en dan spreken we een signaal af om elkaar te waarschuwen. Een groot vuur bijvoorbeeld, zodat de ander weet dat Kivrin gevonden is.’

‘Ze is dood, Colin. We zullen haar niet vinden.’

‘Dat moet u niet zeggen!’ riep Colin. Zijn stem was hoog en kinderlijk. ‘Ze is niet dood! Ze is ingeënt!’

Dunworthy wees naar het leren kistje. ‘Dat had ze bij zich.’

‘En wat dan nog?’ zei Colin. ‘Er zijn misschien wel een heleboel van zulke dingen. Of misschien is ze gevlucht toen de pest kwam. We kunnen niet weggaan en haar hier achterlaten! Ik moet er niet aan denken dat ik zelf zou verdwalen en dat ik maar zou wachten zonder dat er iemand kwam!’ Hij begon te snotteren.

‘Colin,’ zei Dunworthy verslagen, ‘soms moet je accepteren dat je niets meer voor iemand kunt doen.’

‘Zoals voor tante Mary,’ zei Colin. Hij wreef met de rug van zijn hand over zijn gezicht. ‘Maar niet altijd.’

Altijd, dacht Dunworthy. ‘Nee,’ zei hij. ‘Niet altijd.’

‘Soms kun je ze nog redden,’ hield Colin koppig vol.

‘Ja, soms wel. Nou, goed dan.’ Hij bond het paard weer vast. ‘We zullen haar gaan zoeken. Geef me nog twee aspirines en laat me even bijkomen, dan gaan we daarna op zoek.’

‘Apocalyptisch,’ zei Colin. Hij haalde de emmer weg bij het gretig slurpende paard. ‘Ik haal nog wat water.’

Hij ging op een draf naar buiten en Dunworthy zette zich met zijn rug tegen de wand. ‘Laat haar nog leven,’ zei hij. ‘Laat haar alstublieft nog leven.’

De deur ging langzaam open. Hij zag Colin staan, omgeven door een kring van licht. ‘Heeft u het gehoord?’ vroeg hij. ‘Luister.’

Het was een vaag geluid, gedempt door de wanden van de schuur. En er waren lange pauzes tussen de slagen, maar hij hoorde ze wel. Hij stond op en ging naar buiten.

‘Het komt daar vandaan.’ Colin wees naar het zuidwesten.

‘Ga het paard halen.’

‘Weet u zeker dat het Kivrin is?’ zei Colin. ‘Het komt uit de verkeerde richting.’

‘Dat is Kivrin,’ zei hij.

35

Het klokgelui hield op nog voor ze het paard gezadeld hadden. ‘Opschieten!’ Dunworthy gespte de zadelriem vast.

Colin keek op de lokator. ‘Ik heb drie slagen gehoord. Het komt uit het zuidwesten, ja? En we zitten nu in Henefelde.’ Hij wees het dorp aan op de kaart. ‘Dan moet ze in dit dorp zijn.’

Dunworthy keek weer naar het zuidwesten en probeerde zich de richting in te prenten. Het viel hem moeilijk, hoewel hij de slagen nog in zijn hoofd kon horen. Hij hoopte dat de aspirine snel zou gaan werken.

‘Kom mee,’ zei Colin. Hij leidde het paard de schuur uit. ‘Laten we gaan.’

Dunworthy zette zijn voet in de stijgbeugel en klom op het paard. Hij was meteen duizelig. Colin keek hem onderzoekend aan. ‘Ik geloof dat ik beter kan rijden,’ zei hij, en hij klom voor Dunworthy in het zadel.

Colin gaf het dier te zacht de sporen en rukte te wild aan de teugels, maar de hengst begon vreemd genoeg gehoorzaam over het veld naar het pad te lopen.

‘We weten waar het dorp is,’ zei Colin vol vertrouwen. ‘Nu hoeven we alleen de weg erheen nog maar te vinden.’ Bijna onmiddellijk riep hij dat hij hem had gevonden. Het was een tamelijk breed pad, dat over een heuvel liep en tussen de dennebomen verdween. Ze waren nog maar net in het bos toen ze bij een splitsing kwamen en Colin keek vragend over zijn schouder naar Dunworthy.

De hengst aarzelde niet en begon het pad te volgen dat naar rechts ging. ‘Kijk, hij weet waar hij heen moet,’ zei Colin opgetogen.

Dat is meer dan wij kunnen zeggen, dacht Dunworthy. Hij sloot zijn ogen om niet misselijk te worden van het deinende landschap. Het was duidelijk dat het paard de stal rook en dat wilde hij tegen Colin zeggen, maar hij voelde zich zieker worden en hij durfde de jongen geen moment los te laten uit angst om te vallen. Hij had het ijskoud. Dat kwam natuurlijk door de koorts, net als het kloppen van zijn slapen en de duizeligheid. Koorts was een goed teken, een bewijs dat zijn lichaam tegen het virus streed en nieuwe manschappen opriep. De kou was maar een bijverschijnsel van de koorts.

‘Verdorie, het wordt koud,’ zei Colin, die zijn jas met één hand dichttrok. ‘Ik hoop niet dat het gaat sneeuwen.’ Hij liet de teugels helemaal los om zijn sjaal voor zijn gezicht te doen. Het paard merkte het niet eens en liep gestaag verder door het steeds dichtere bos. Ze kwamen bij een volgende splitsing en nog een, en elke keer raadpleegde Colin de kaart en zijn lokator. Dunworthy kon niet zien of Colin het pad koos of dat het paard hen naar zijn stal leidde.

Het begon te sneeuwen. Ze zaten er ineens middenin en de kleine vlokken vielen op het pad en op Dunworthy’s brilleglazen.

Dunworthy begon de uitwerking van de aspirine te voelen. Hij ging wat rechter zitten en trok zijn cape om zich heen. Hij veegde zijn glazen schoon. Zijn vingers waren verdoofd en vuurrood. Hij wreef in zijn handen en blies ertegen. Ze reden nog steeds door het bos en het pad begon smaller te worden.

‘Volgens de kaart ligt Skendgate vijf kilometer van Henefelde.’ Colin veegde de sneeuw van zijn lokator. ‘We moeten er nu bijna zijn.’

Dat kan tegenvallen, dacht Dunworthy. Ze zaten midden in het Wychwood op een of ander koeienspoor, dat wel zou uitkomen bij een eenzame hut of een zoutpan of een bessenstruik waar het paard goede herinneringen aan bewaarde.

‘Ik zei het toch?’ riep Colin en voorbij de laatste bomen zagen ze het dak van een klokketoren. Het paard begon te draven. ‘Ho,’ zei Colin. Hij trok aan de teugels. ‘Niet zo snel.’

Dunworthy nam de teugels van hem over en ze reden stapvoets het bos uit, langs een besneeuwd weiland naar de top van een heuvel.

Het dorp lag onder hen, achter een groepje essen. In de sneeuw zagen ze slechts de vage omtrekken van een riddergoed, een paar hutten, de kerk met de toren. Het was niet het goede dorp, want Skendgate had geen klokketoren, maar Colin liet niets merken. Hij gaf het paard een paar keer de sporen zonder dat het iets uithaalde en ze gingen langzaam de heuvel af, waarbij Dunworthy nog steeds de teugels in handen hield.

Hij zag nergens lijken liggen, maar er liepen ook geen mensen rond en er kwam geen rook uit de hutten. De klokketoren lag er verlaten bij en er waren geen voetstappen te zien.

‘Ik zag iets,’ zei Colin toen ze halverwege de heuvel waren. Dunworthy had het ook gezien, een flauwe beweging die net zo goed door een vogel of een tak veroorzaakt kon zijn. ‘Daar.’ Colin wees naar de tweede hut. Er kwam een koe achter vandaan, zonder leidsel en met een uitpuilende uier. Dunworthy wist meteen dat de pest ook hier had toegeslagen.

‘Het is een koe,’ zei Colin vol afschuw. Het dier hoorde hem en begon loeiend naar hen toe te lopen.