‘Waar is iedereen?’ vroeg Colin. ‘Iemand moet die klok geluid hebben.’
Ze zijn allemaal dood, dacht Dunworthy. Hij keek naar het kerkhof. Er waren verse graven gedolven en haastig dichtgegooid, nog niet helemaal bedekt door de sneeuw. Hopelijk zijn ze allemaal begraven, dacht hij, en op hetzelfde moment zag hij het lijk. Het was een kleine jongen die met zijn rug tegen een grafsteen zat, alsof hij uitrustte.
‘Daar heb je iemand,’ zei Colin. Hij trok aan de teugels en wees naar de jongen. ‘Hallo daar!’
Hij keek om naar Dunworthy. ‘Denkt u dat ze ons kunnen verstaan?’
‘Hij is…’
De jongen hees zichzelf moeizaam overeind, steunend op de grafzerk, en keek om zich heen alsof hij een wapen zocht.
‘We doen je geen kwaad!’ riep Dunworthy, die zich iets van het Middelengels probeerde te herinneren. Hij liet zich van de rug van het paard glijden en moest zich aan de zadelknop vasthouden om niet om te vallen. Hij ging rechtop staan en stak zijn hand met de palm naar boven naar voren.
De jongen had een smerig gezicht, vol met modder en bloed, ook zijn tuniek en opgerolde broek zaten onder de troep. Met een pijnlijk gezicht bukte hij om een stok op te rapen die half onder de sneeuw lag. Hij deed een stap naar voren. ‘Kepe from baire. Der fevreblau hast bifallen us.’
‘Kivrin,’ zei Dunworthy. Hij wilde naar haar toe gaan.
‘Kom niet dichterbij,’ zei ze in modern Engels. Ze hield de stok afwerend omhoog. Het uiteinde was spits.
‘Ik ben het, Kivrin, Dunworthy,’ zei hij, zonder te blijven staan.
‘Nee!’ Ze deinsde terug met de steel van de spade in haar handen. ‘U begrijpt het niet. Het is de pest!’
‘Dat geeft niet, Kivrin, we zijn ingeënt.’
‘Ingeënt,’ herhaalde ze, alsof ze niet begreep wat het woord betekende. ‘Het was de klerk van de bisschop. Hij heeft de ziekte hier gebracht.’
Colin holde naar Dunworthy toe en ze tilde de stok weer op.
‘Rustig maar,’ zei Dunworthy. ‘Dit is Colin. Hij is ook ingeënt. We zijn je komen halen.’
Ze keek hem geruime tijd aan terwijl de sneeuw om hen heen viel. ‘Komen halen,’ zei ze toonloos, en ze keek naar het graf aan haar voeten. Het was kleiner en smaller dan de andere, het graf van een kind.
Ze keek weer naar Dunworthy en ook haar gezicht was zonder uitdrukking. Ik ben te laat, dacht hij radeloos. Hij zag haar te midden van die graven staan met haar bloederige tuniek. Ze hebben haar al gekruisigd. ‘Kivrin,’ zei hij.
Ze liet de stok vallen. ‘U moet me helpen,’ zei Kivrin. Ze draaide zich om en liep weg in de richting van de kerk.
‘Weet u zeker dat zij het is?’ fluisterde Colin.
‘Ja,’ zei hij.
‘Wat heeft ze dan?’
Ik ben te laat, dacht hij, en hij leunde op Colins schouder. Ze zal het me nooit vergeven.
‘Wat is er? Bent u weer ziek?’
‘Nee,’ zei hij, maar hij wachtte nog even voor hij zijn hand weghaalde.
Kivrin was bij de kerkdeur blijven staan, een hand weer tegen haar zij gedrukt. Hij huiverde. Ze heeft het ook gekregen, dacht hij. Ze heeft de pest. ‘Ben je ziek?’ vroeg hij.
‘Nee,’ zei ze. Ze keek naar haar hand alsof ze verwachtte bloed te zien. ‘Hij heeft me geschopt.’ Haar gezicht vertrok toen ze de deur probeerde open te duwen, en ze liet Colin het voor haar doen. ‘Ik geloof dat ik een paar gebroken ribben heb.’
Colin deed de zware houten deur open en ze gingen naar binnen. Dunworthy knipperde met zijn ogen in het donker. Er viel helemaal geen licht door de smalle vensters, hij zag alleen de omtrekken ervan. Aan de linkerkant zag hij een lage, zware gedaante, misschien een lijk, en de donkerder omtrekken van de pilaren. De rest van de kerk lag helemaal in het duister. Colin stond naast hem in zijn ruime zakken te zoeken.
Een eind verder begon een klein vlammetje te flikkeren, dat meteen weer uitging. Dunworthy liep erheen.
‘Wacht even,’ zei Colin. Hij knipte zijn zaklamp aan. Het licht was oogverblindend en Dunworthy zag niets anders dan de stralenbundel. Colin liet het licht over de fresco’s schijnen, over de zware pilaren en de ongelijke vloer. Het viel ook op de vage gestalte die Dunworthy had gezien. Het was een stenen graftombe.
‘Ze is daar,’ zei Dunworthy, naar het altaar wijzend. Colin richtte zijn lamp die kant op.
Kivrin knielde neer bij iemand die bij het koorhek op de vloer lag. Het was een man, zag Dunworthy toen hij dichterbij kwam. Zijn benen en onderlichaam waren bedekt met een paarse deken en zijn grote handen lagen kruislings op zijn borst. Kivrin probeerde een kaars aan te steken aan een gloeiende kool, maar het was niet meer dan een stompje en de pit bleef niet branden. Ze leek opgelucht toen Colin haar met zijn lamp bescheen.
‘U moet me helpen met Roche,’ zei ze, in het licht turend. Ze boog zich over de man heen en pakte zijn hand.
Ze denkt dat hij nog leeft, dacht Dunworthy. Maar nog steeds met die toonloze stem zei ze: ‘Hij is vanmorgen gestorven.’
Colin richtte de lamp op het lichaam. De handen waren bijna even paars als de deken in het schelle licht, maar het gezicht was bleek en had een heel vredige uitdrukking.
‘Was hij een ridder?’ vroeg Colin bevreemd.
‘Nee,’ zei Kivrin. ‘Een heilige.’
Haar eigen hand was verweerd en bloederig, de nagels waren zwart van het vuil. ‘U moet me helpen,’ zei ze.
‘Waarmee dan?’ vroeg Colin.
We moeten haar helpen hem te begraven, dacht Dunworthy, maar dat kunnen we niet. De man die ze Roche noemde was een reus vergeleken bij Kivrin en Colin. Zelfs als ze een graf konden delven, zouden ze er nog niet in slagen hem erheen te dragen, en Kivrin zou niet willen dat ze hem aan een touw om zijn hals naar het kerkhof sleepten.
‘Waarmee dan?’ herhaalde Colin. ‘We hebben niet veel tijd.’
Ze hadden helemaal geen tijd. Het was al laat in de middag en in het donker konden ze nooit de weg terugvinden. Badri wist niet precies hoe lang hij het net open kon houden. Minstens vierentwintig uur, maar hij leek niet sterk genoeg om het zo lang vol te houden en er waren al acht uur verstreken. De grond was bevroren, Kivrin had gebroken ribben en de aspirine was bijna uitgewerkt. Dunworthy begon hier in de koude kerk weer te rillen.
We kunnen hem niet begraven, dacht hij, maar hoe kan ik dat tegen haar zeggen nu ik te laat ben gekomen om iets anders voor haar te doen?
‘Kivrin,’ zei hij.
Ze klopte zacht op de verstijfde hand. ‘We kunnen hem niet begraven,’ zei ze met die rustige, toonloze stem. ‘We hebben Rosemund in zijn graf gelegd, toen de meier…’ Ze keek op naar Dunworthy. ‘Ik heb vanmorgen geprobeerd te graven, maar de grond is te hard. De spade is gebroken. Ik heb het gebed voor de doden voor hem gezegd. En ik heb geprobeerd de klok te luiden.’
‘We hebben u gehoord,’ zei Colin. ‘Zo hebben we u gevonden.’
‘Het hadden negen slagen moeten zijn, maar ik kon niet meer.’ Ze drukte een hand tegen haar zij alsof ze zich de pijn herinnerde. ‘Jullie moeten me helpen het af te maken.’
‘Waarom?’ zei Colin. ‘Ik geloof niet dat er nog iemand is die het kan horen.’
‘Dat doet er niet toe,’ zei Kivrin, naar Dunworthy kijkend.
‘Daar hebben we geen tijd voor,’ zei Colin. ‘Het wordt zo donker en het rendez-vous is…’
‘Ik zal het doen.’ Dunworthy ging rechtop staan. ‘Blijf maar hier,’ zei hij, hoewel Kivrin geen aanstalten had gemaakt om met hem mee te gaan. ‘Ik doe het wel.’ Hij liep terug naar de deur.
‘Maar het wordt zo donker,’ zei Colin, die naast hem meeholde. Het licht van zijn lamp wierp een grillig schijnsel over de pilaren en de vloer. ‘U zei dat u niet wist hoe lang het net open kan blijven. Wacht nou even!’
Dunworthy duwde de deur open en kneep zijn ogen even dicht tegen de glinsterende sneeuw. Het was inderdaad donkerder geworden terwijl ze in de kerk waren en er zat nog meer sneeuw in de lucht. Hij liep snel over het kerkhof naar de klokketoren. De koe die ze bij hun komst hadden gezien dook onder het hek door en liep langs de graven naar hen toe, met haar hoeven wegzakkend in de sneeuw.