‘Waarom wilt u de klok luiden als niemand het kan horen?’ vroeg Colin, die even bleef staan om zijn zaklamp uit te doen.
Dunworthy ging naar binnen. Het was in de toren net zo koud en donker als in de kerk en het stonk er naar ratten. De koe stak haar kop naar binnen. Colin wurmde zich erlangs en bleef bij de ronde muur staan.
‘U zegt telkens dat we terug moeten naar het net, omdat we hier anders voorgoed moeten blijven,’ zei hij. ‘U had niet eens de tijd om Kivrin te zoeken.’
Dunworthy liet zijn ogen aan het duister wennen en probeerde op adem te komen. Hij had te snel gelopen en hij had het weer benauwd gekregen. Hij keek naar het touw dat in het donker een eindje boven hun hoofd hing. Een stukje boven het gerafelde uiteinde zat een vettige knoop.
‘Mag ik het doen?’ vroeg Colin, naar boven kijkend.
‘Je kunt er niet bij.’
‘Helemaal wel.’ Colin nam een sprong. Hij kreeg het uiteinde te pakken en bleef even hangen, maar het touw kwam nauwelijks in beweging en de klok liet een zwak geluid horen, alsof er met een steen tegenaan was getikt. ‘Wat een zwaar ding!’ zei Colin.
Dunworthy stak zijn armen omhoog en pakte het touw, dat koud en ruw aanvoelde. Hij gaf een felle ruk en voelde het touw in zijn handen snijden. Bong.
‘Die was raak!’ riep Colin. Hij hield zijn handen tegen zijn oren, maar keek opgetogen naar boven.
‘Eén,’ zei Dunworthy, die aan het bellenkoor moest denken. Een en omhoog. Hij zakte door zijn knieën en trok het touw recht naar beneden. Twee en omhoog. En drie.
Hij vroeg zich af hoe Kivrin drie slagen had kunnen luiden met die pijnlijke ribben. De klok was veel zwaarder en het geluid veel harder dan hij zich ooit had kunnen indenken. De slagen weergalmden in zijn hoofd en in zijn beklemde borst. Bong.
Hij dacht aan Piantini met haar knobbelige knieën. Vijf. Hij besefte nu pas hoe moeilijk het was. Bij elke ruk aan het touw leek de lucht uit zijn longen geperst te worden. Zes.
Hij wilde niets liever dan even rusten, maar Kivrin luisterde naar hem in de kerk en ze mocht niet denken dat hij bij zes ophield, hij wilde de negen slagen afmaken. Hij greep het touw boven de knoop nog steviger beet en leunde een ogenblik tegen de muur om het benauwde gevoel kwijt te raken.
‘Gaat het, meneer Dunworthy?’ vroeg Colin.
‘Ja,’ zei hij, en hij gaf zo’n ruk aan het touw dat zijn longen ervan leken te barsten. Zeven.
Hij had niet tegen de muur moeten leunen. De stenen waren ijskoud en hij begon weer te rillen. Hij dacht aan mevrouw Taylor die radeloos de slagen van de Chicago Surprise Minor tot het einde toe had afgeteld om het kloppen van haar slapen te vergeten.
‘Ik kan het wel afmaken,’ zei Colin, en Dunworthy kon hem nauwelijks verstaan. ‘Ik kan Kivrin halen en dan doen wij de laatste twee slagen. Samen lukt het wel.’
Dunworthy schudde zijn hoofd. ‘Het bespelen van de klok dient zonder onderbreking te geschieden,’ zei hij buiten adem en gaf weer een ruk aan het touw. Acht. Hij mocht niet loslaten. Taylor was flauwgevallen en het touw van haar klok was wild gaan slingeren. Het had zich om de nek van Finch gewikkeld en hem bijna gewurgd. Hij moest tot elke prijs volhouden.
Hij trok het touw omlaag en bleef eraan hangen tot hij zeker wist dat hij op zijn voeten kon blijven staan. ‘Negen,’ zei hij.
Colin stond fronsend naar hem te kijken. ‘Krijgt u weer een terugval?’ vroeg hij achterdochtig.
‘Nee,’ zei Dunworthy, en hij liet het touw los.
De koe duwde de deur met haar kop open. Dunworthy duwde het beest ruw opzij en ging terug naar de kerk.
Kivrin zat nog steeds op haar knieën bij Roche en hield zijn verstijfde hand beet.
Hij ging naar haar toe. ‘Ik heb de klok geluid.’
Ze keek op, maar knikte niet.
‘Moeten we nu niet op weg gaan?’ zei Colin. ‘Het wordt donker.’
‘Ja,’ zei Dunworthy. ‘Ik geloof dat we nu maar…’ De duizeling kwam onverhoeds over hem en hij wankelde en viel bijna over Roche heen.
Kivrin stak haar hand uit en Colin greep hem snel bij zijn arm. Het licht van de lamp danste over het plafond. Dunworthy liet zich op een knie zakken en steunde op de vloer. Met zijn vrije hand tastte hij naar Kivrin, maar die was opgesprongen en deinsde naar achteren.
‘U bent ziek!’ Het was een beschuldiging, een aanklacht. ‘U hebt de pest!’ Voor het eerst klonk er emotie in haar stem. ‘Geef antwoord!’
‘Nee,’ zei Dunworthy, ‘het is de…’
‘Hij krijgt een terugval,’ zei Colin. Hij duwde de lamp onder de stenen elleboog van het beeld en hielp Dunworthy rechtop te gaan zitten. ‘Ik heb hem nog gewaarschuwd, maar hij wilde niet luisteren.’
‘Het is influenza,’ zei Dunworthy, die met zijn rug tegen het beeld ging zitten. ‘Het is niet de pest. We zijn allebei ingeënt. We kunnen de pest niet krijgen.’
Hij legde zijn hoofd tegen de steen. ‘Het is een virus, het gaat wel weer over. Ik moet alleen maar even rusten.’
‘Ik zei nog dat hij de klok niet moest luiden.’ Colin maakte zijn jute zak leeg op de stenen vloer en legde hem over Dunworthy’s schouders.
‘Is er nog aspirine?’ vroeg Dunworthy.
‘U mag ze maar om de drie uur nemen,’ zei Colin, ‘en u moet ze doorslikken met water.’
‘Ga dan water voor me halen,’ snauwde hij.
Colin zocht steun bij Kivrin, maar die stond nog bij het lichaam van Roche en keek op haar hoede naar Dunworthy.
‘Schiet op,’ zei Dunworthy, en Colin holde weg. Zijn voetstappen galmden na in de lege ruimte. Dunworthy keek naar Kivrin, die een stap terug deed.
‘Ik heb de pest niet,’ zei hij. ‘Het is influenza. We waren bang dat jij het ook had toen je wegging en dat je hier ziek was geworden. Ben je ziek geworden?’
‘Ja.’ Ze knielde weer bij Roche neer. ‘Hij heeft mijn leven gered.’
Ze streek de paarse deken glad en Dunworthy zag dat het een fluwelen mantel was, met op de rug een groot zijden kruis.
‘Hij zei dat ik niet bang hoefde te zijn.’ Ze trok de mantel over zijn borst en legde zijn gekruiste handen erop. Zijn voeten met de zware en lelijke sandalen staken er nog onderuit. Dunworthy pakte de zak van zijn schouders en legde die netjes over de voeten van Roche. Daarna stond hij voorzichtig op, leunend tegen het beeld om niet te vallen.
Kivrin klopte Roche op de handen. ‘Hij wilde me geen kwaad doen,’ zei ze.
Colin kwam terug met een emmer die halfvol was met water dat hij blijkbaar ergens uit een plas had geschept. Hij haalde hijgend adem. ‘De koe viel me aan!’ zei hij, terwijl hij een vieze lepel uit de emmer viste. Hij gaf de laatste vijf tabletten aan Dunworthy.
Hij nam zelf twee tabletjes, spoelde ze weg met een klein slokje water en gaf de andere aan Kivrin. Ze nam ze aan met een ernstig gezicht, nog steeds knielend.
‘Ik kon geen paarden vinden,’ zei Colin. Hij gaf Kivrin de lepel. ‘Alleen een muildier.’
‘Een ezel,’ zei Kivrin. ‘Maisry is er vandoor gegaan met de pony van Agnes.’ Ze gaf de lepel terug aan Colin en pakte de hand van Roche weer. ‘Hij heeft voor iedereen de klok geluid, zodat hun zielen veilig naar de hemel konden gaan.’
‘Moeten we niet eens gaan?’ fluisterde Colin. ‘Het is bijna donker buiten.’
‘Zelfs voor Rosemund,’ zei Kivrin, alsof ze hem niet had gehoord. ‘Toen hij al ziek was. Ik zei nog dat we geen tijd hadden, dat we naar Schotland moesten gaan.’
‘We moeten nu op weg,’ zei Dunworthy, ‘voor het helemaal donker is.’
Ze verroerde zich niet en bleef de hand van Roche vasthouden. ‘Hij heeft mijn hand vastgehouden toen ik op sterven lag.’