‘Kivrin,’ zei hij zacht.
Ze legde haar hand op de wang van Roche en keek nog even naar hem voor ze opstond. Dunworthy stak zijn hand uit, maar ze kwam zelf overeind en liep naar de deur, haar hand tegen haar zij gedrukt.
Bij de deur draaide ze zich om en staarde het donker in. ‘Hij vertelde me waar het rendez-vous was toen hij op sterven lag, zodat ik terug naar de hemel kon. Hij wilde dat ik hem zou achterlaten, zodat ik daar al zou zijn om hem te begroeten.’ Ze draaide zich om en liep de sneeuw in.
36
De sneeuw viel stil en vredig neer op het paard en de ezel die bij het hek van het kerkhof stonden te wachten. Dunworthy hielp Kivrin in het zadel en ze schudde zijn hand niet van zich af, zoals hij had gevreesd, maar ze maakte zich meteen los en pakte de teugels. Zodra hij haar losliet leunde ze een beetje naar achteren tegen de zadelrug en drukte een hand tegen haar zij.
Dunworthy perste zijn lippen samen om Colin het klappertanden niet te laten horen. Pas bij de derde poging slaagde hij erin op de ezel te klimmen en hij dacht dat hij er elk ogenblik weer vanaf kon vallen.
‘Ik kan beter bij u blijven,’ zei Colin, die hem argwanend opnam.
‘Daar hebben we geen tijd voor,’ zei Dunworthy. ‘Het wordt al donker. Ga jij maar achter Kivrin zitten.’
Colin ging op het hek staan en klom achter Kivrin op het paard.
‘Heb je de lokator bij je?’ vroeg Dunworthy. Hij probeerde de ezel aan te sporen zonder eraf te vallen.
‘Ik weet de weg,’ zei Kivrin.
‘Ja,’ zei Colin. Hij hield het instrument omhoog. ‘En mijn lamp.’ Hij knipte hem aan en scheen over het kerkhof alsof ze daar iets hadden laten liggen. Nu pas leek hij de graven op te merken.
‘Liggen ze daar allemaal begraven?’ vroeg hij, naar de gladde witte heuvels kijkend.
‘Ja,’ zei Kivrin.
‘Zijn ze allang dood?’
Ze gaf het paard de sporen en reed naar de heuvel. ‘Nee.’
De koe volgde hen met haar schommelende uier tot halverwege de heuvel, waar ze bleef staan en klaaglijk begon te loeien. Dunworthy keek om. Het dier stootte een laatste klacht uit en ging terug naar het dorp. Op de top van de heuvel sneeuwde het niet zo hard meer, maar beneden in het dorp waren de graven compleet bedekt en de kerk met de klokketoren was nauwelijks nog te zien.
Kivrin keek niet meer om. Ze reed gestaag door, stijf rechtop zittend. Colin hield zich niet aan haar vast, maar aan de hoge rug van het zadel. Het sneeuwde bijna niet meer toen ze het dichte bos hadden bereikt.
Dunworthy volgde het paard en probeerde het tempo bij te houden. Hij voelde de koorts weer opkomen. De aspirine werkte niet, want hij had er te weinig water bij gedronken, en langzaam voelde hij hoe de ziekte hem begon te overmannen. Het bos vervaagde, net als de magere rug van de ezel en Colins stem.
De jongen praatte honderduit tegen Kivrin. Hij vertelde over de epidemie en in zijn woorden leek het wel een avontuur. ‘Ze zeiden dat er quarantaine was en dat we terug moesten naar Londen, maar daar had ik geen zin in. Ik wilde tante Mary zien. Daarom ben ik langs de versperring geslopen en die agent riep dat ik moest blijven staan en kwam achter me aan. Ik rende naar het eind van de straat en kwam in een steegje.’
Het paard bleef staan en Colin en Kivrin stegen af. Colin gaf haar zijn sjaal, ze trok haar bloederige tuniek op en bond de sjaal om haar ribben. Ze moest nog meer pijn hebben dan Dunworthy had gedacht en hij zou haar moeten helpen, maar hij was bang dat hij niet meer op de ezel kon komen als hij eenmaal was afgestegen.
Kivrin hielp Colin in het zadel en steeg zelf weer op. Ze zetten hun tocht voort, bij elke bocht en ieder zijpad inhoudend om de richting te bepalen. Colin keek op zijn lokator en wees ergens heen. Kivrin knikte bevestigend.
‘Hier ben ik van de ezel gevallen,’ zei Kivrin toen ze bij een splitsing kwamen. ‘De allereerste nacht. Ik was zo ziek. Ik dacht dat hij een moordenaar was.’
Ze bereikten een volgende tweesprong. Het sneeuwde niet meer, maar de wolken hingen donker en zwaar boven de bomen. Colin moest zijn zaklamp aanknippen om de lokator te kunnen gebruiken. Hij wees naar het pad dat naar rechts ging, klom weer achter Kivrin in het zadel en ging verder met zijn avonturen.
‘Meneer Dunworthy zei dat Gilchrist de lokalisatie had gewist en toen stortte hij in en viel tegen hem aan. Gilchrist deed net of hij het met opzet had gedaan, hij wilde me niet eens helpen. Meneer Dunworthy rilde als een gek en hij had koorts. Ik riep de hele tijd zijn naam, maar hij kon me niet horen. En Gilchrist zei alleen maar dat hij hem persoonlijk verantwoordelijk hield.’
De vlokken begonnen weer neer te dalen en de wind stak op. Dunworthy hield zich rillend vast aan de stijve manen van de ezel.
‘Ze wilden me helemaal niets vertellen,’ vervolgde Colin, ‘en toen ik tante Mary wilde bezoeken werd ik weggestuurd als een kind!’
Ze hadden de wind tegen en de ijzige sneeuw waaide tegen Dunworthy’s mantel. Hij boog naar voren tot hij bijna plat op de rug van de ezel lag.
‘De dokter kwam naar buiten,’ zei Colin, ‘en hij fluisterde iets tegen de zuster. Toen wist ik dat ze dood was.’ Dunworthy voelde ineens een steek van verdriet, alsof hij het voor het eerst hoorde. Ach, Mary, dacht hij.
‘Ik wist niet wat ik moest doen,’ zei Colin, ‘maar je had daar mevrouw Gaddson, gewoon een necrotisch mens, en die begon uit de bijbel voor te lezen en te zeggen dat het de wil van God was. Wat een rotwijf!’ riep hij fel. ‘Zíj had de griep moeten krijgen!’
Hun stemmen klonken steeds luider en Dunworthy hoorde de echo’s weerkaatsen tussen de bomen van het woud. Ze hadden daardoor onverstaanbaar moeten zijn, maar vreemd genoeg werden ze steeds duidelijker in de koude lucht en op het laatst dacht hij dat ze helemaal in Oxford te horen moesten zijn, zevenhonderd jaar bij hen vandaan.
Mary is niet dood, dacht hij ineens. Hier in dit vreselijke jaar, in deze eeuw die voor iedereen verboden zou moeten zijn, was ze nog niet gestorven. Het idee gaf hem een geweldige verlichting, alsof er een zware last van hem afviel.
‘En toen hoorden we de klok,’ zei Colin. ‘Meneer Dunworthy zei dat u het was die om hulp vroeg.’
‘Ik was het ook,’ zei Kivrin. ‘Maar zo gaat het niet. Hij valt eraf.’
‘U heeft gelijk,’ zei Colin. Het drong tot Dunworthy door dat ze weer waren afgestegen en naast zijn ezel stonden. Kivrin hield het leidsel in haar handen.
‘We gaan u op het paard zetten,’ zei Kivrin. Ze pakte hem bij zijn middel. ‘Straks valt u van de ezel af. Kom maar naar beneden, ik help u wel.’
Ze moesten hem allebei helpen. Kivrin sloeg haar armen om hem heen, ook al moest dat verschrikkelijk pijn doen, en Colin liet hem langzaam zakken.
‘Als ik maar even kan zitten,’ zei Dunworthy klappertandend.
‘Daar hebben we geen tijd voor,’ zei Colin, maar ze brachten hem naar de berm en zetten hem met zijn rug tegen een rotsblok.
Kivrin stak een hand in haar tuniek en pakte drie tabletjes. ‘Neem deze maar.’ Ze hield hem de aspirine voor in haar geopende hand.
‘Die waren voor jou,’ zei hij. ‘Je ribben…’
Ze keek hem strak aan, zonder te glimlachen. ‘Ik red me wel.’ Ze liep weg om het paard aan een struik te binden.
‘Wilt u water hebben?’ vroeg Colin. ‘Ik kan vuur maken en sneeuw smelten.’
‘Nee, het gaat wel.’ Dunworthy stopte de tabletjes in zijn mond en slikte ze door.
Kivrin verstelde de stijgbeugels als een ervaren ruiter. Ze gespte de riemen vast en ging terug naar Dunworthy. Ze pakte hem onder zijn oksel. ‘Klaar?’ vroeg ze.
‘Ja.’ Hij probeerde op te staan.
‘Het was geen goed idee,’ zei Colin. ‘We krijgen hem nooit op het paard.’ Maar ze zetten zijn voet in de stijgbeugel en legden zijn handen op de zadelboog en duwden hem eendrachtig naar boven. Toen hij eenmaal zat kon hij zelfs Colin een hand toesteken en de jongen klom op de rug van het paard en ging voor hem zitten.