Ja, stel je dat eens voor, dacht Dunworthy. ‘William zal zeker verrast zijn dat u er bent,’ zei hij, in de hoop dat ze haar zoon zou gaan zoeken.
‘Ja,’ zei ze grimmig. ‘Hij zal wel niet eens zijn warme sjaal om hebben. Hij krijgt dat virus ook, ik weet het gewoon. Hij is zo bevattelijk. Als jongetje had hij altijd al uitslag. Hij wordt vast ziek. Wat een geluk dat zijn moeder er is om voor hem te zorgen.’
De deur zwaaide open en twee verpleegkundigen met neusmaskers, lange jassen, handschoenen en papieren hoezen om hun schoenen kwamen de gang in gesneld. Ze vertraagden hun pas toen ze zagen dat er niemand op de grond lag.
‘Deze hele vleugel moet worden afgesloten,’ zei Mary. ‘Laat een bord bij de deur plaatsen.’ Ze richtte zich tot mevrouw Gaddson. ‘Het spijt me, maar er bestaat een kans dat u aan besmetting bent blootgesteld. We weten nog niet hoe het virus wordt overgedragen, maar het kan zijn dat het via de lucht gaat.’
Eén vreselijk ogenblik dacht Dunworthy dat ze Gaddson bij hen in de wachtkamer wilde onderbrengen.
‘Wil je mevrouw Gaddson naar een isoleerkamer brengen?’ vroeg ze aan een van de gemaskerden. ‘We moeten wat bloed bij u afnemen en een lijst hebben van mensen die met u in contact zijn geweest. James, wil je even meekomen?’ Ze nam hem mee naar de wachtkamer en sloot de deur voor Gaddson kon protesteren. ‘Dan is ze een tijdje zoet en kan die arme Willy nog een paar uur van zijn vrijheid genieten.’
‘Van dat mens krijgt iedereen uitslag,’ zei hij.
Iedereen in de kamer keek naar hen, behalve de ambulancezuster. Latimer zat geduldig met een opgerolde mouw aan de tafel te wachten. Montoya was nog steeds aan de telefoon.
‘Colins trein is teruggestuurd,’ zei Mary. ‘Hij is veilig en wel weer thuis.’
‘O, gelukkig.’ Montoya legde neer. Gilchrist was met een sprong bij het toestel.
‘Het spijt me dat ik u heb laten wachten, meneer Latimer.’ Mary maakte een ander pakje steriele handschoenen open, trok die aan en maakte een injectiespuit klaar.
‘Gilchrist hier. Ik wil graag met de decaan spreken,’ zei Gilchrist aan de telefoon. ‘Ja, ik ben op zoek naar meneer Basingame. Ja, ik blijf aan de lijn.’
De decaan heeft geen idee waar hij is, dacht Dunworthy, net zomin als de secretaris. Hij had beiden zelf al gesproken toen hij probeerde de reis te laten afzeggen. De secretaris wist niet eens dat Basingame in Schotland zat.
‘Ik ben blij dat de jongen terecht is,’ zei Montoya, die op haar horloge keek. ‘Hoe lang moeten we hier blijven, denkt u? Ik moet terug naar mijn opgraving voor het hele terrein in een moeras verandert. We zijn net bezig met het kerkhof van Skendgate. De meeste graven stammen uit de vijftiende eeuw, maar enkele zijn uit de tijd van de Zwarte Dood en er zijn zelfs een paar graven van vóór Willem de Veroveraar. Vorige week vonden we de graftombe van een ridder, heel goed bewaard. Zou Kivrin er al zijn?’
Dunworthy nam aan dat ze het over het dorp had, niet over het kerkhof. ‘Ik hoop het,’ zei hij.
‘Ik heb gezegd dat ze meteen alles moest vastleggen wat ze in Skendgate zag, zowel het dorp als de kerk. En vooral die tombe. De inscriptie is gedeeltelijk verweerd, net als een deel van het beeldhouwwerk. Maar de datum is nog goed te lezen, 1318.’
‘Het is zeer dringend,’ zei Gilchrist. Hij stond ongeduldig te trappelen terwijl hij luisterde. ‘Ik weet dat hij in Schotland aan het vissen is. Ik wil weten wáár precies.’
Mary deed een pleister op Latimers arm en gebaarde naar Gilchrist. Die schudde zijn hoofd. Ze stond op en ging de ambulancezuster wekken. De vrouw liep slaperig achter haar aan naar de tafel.
‘Er zijn zoveel dingen die we alleen uit eigen waarneming te weten kunnen komen,’ zei Montoya. ‘Daarom wil ik dat Kivrin elk detail vastlegt. Ik hoop dat de recorder genoeg geheugen heeft, het is maar zo’n klein geval.’ Ze keek weer op haar horloge. ‘Dat kon natuurlijk ook niet anders. Heeft u hem nog gezien voordat ze hem in haar arm stopten? Hij lijkt precies op een benen spoor van een ruiter.’
‘Benen spoor?’ zei Dunworthy, die toekeek terwijl het buisje zich met bloed vulde.
‘Dan kan de recorder geen anachronisme veroorzaken, zelfs als hij wordt ontdekt. Hij past precies boven het os naviculare.’ Montoya wreef over haar pols, net onder de duim.
Mary wenkte Dunworthy. De zuster stond op en rolde haar mouw naar beneden. Dunworthy ging op haar plaats zitten. Mary pakte een kleine monitor uit, plakte die tegen zijn pols en gaf hem een capsule.
‘Laat de thesaurier mij op dit nummer bellen zodra hij terugkomt,’ zei Gilchrist. Hij hing op.
Montoya pakte de telefoon en toetste een nummer in. ‘Hallo. Kunt u me zeggen welk gebied onder quarantaine staat? Ik wil weten of Witney eronder valt. Ik ben daar met een opgraving bezig.’ Blijkbaar kreeg ze een negatief antwoord. ‘Kan ik dan iemand te spreken krijgen die daarover gaat? Het is een noodgeval.’
Iedereen maakt zich druk over zijn eigen ‘noodgeval’, dacht Dunworthy, maar om Kivrin bekommeren ze zich geen van allen. Nou ja, waarom zouden ze zich ook druk maken? Haar recorder leek op een benen spoor, dus er zou geen anachronisme ontstaan als de middeleeuwers besloten haar handen af te hakken alvorens haar naar de brandstapel te slepen.
Mary nam zijn bloeddruk op en zette de naald op zijn arm. ‘Als die telefoon nog eens vrijkomt,’ zei ze, terwijl ze de pleister aanbracht en naar Gilchrist gebaarde, die ongeduldig naast Montoya stond te wachten, ‘bel dan William Gaddson maar op om hem te waarschuwen dat zijn moeder onderweg is.’
‘Ja,’ zei Montoya. ‘Het nummer van Monumentenzorg.’ Ze legde neer en noteerde een nummer op een van de brochures.
De telefoon zoemde. Gilchrist draaide zich met een ruk om en stortte zich erop voor Montoya kon opnemen. ‘Nee,’ zei hij, en gaf het toestel met tegenzin aan Dunworthy.
Het was Finch, die in het kantoor van de thesaurier zat. ‘Heb je de medische gegevens van Badri?’ vroeg Dunworthy.
‘Jawel, meneer. De politie is hier ook. Ze zoeken kamers voor alle reizigers die Oxford niet meer uit kunnen.’
‘En die willen ze in Balliol onderbrengen?’ zei Dunworthy.
‘Ja, meneer. Hoeveel zal ik er toelaten?’
Mary was opgestaan met Gilchrists bloedmonsters in haar hand en gebaarde naar Dunworthy.
‘Een ogenblikje.’ Hij drukte op de wachtknop.
‘Willen ze gestrande reizigers onderbrengen?’ vroeg Mary.
‘Ja.’
‘Geef dan niet al je kamers weg,’ zei ze. ‘Misschien moeten we ruimte voor patiënten hebben.’
Dunworthy drukte de knop weer in. ‘Zeg maar dat ze Fisher en de vrije kamers in Salvin kunnen krijgen. Als je de koorleden nog geen kamer hebt gegeven, laat ze die dan delen. Het ziekenhuis wil dat we Bulkeley-Johnson vrijhouden voor eventuele patiënten. Had je Badri’s gegevens nu gevonden of niet?’
‘Ja, meneer. Het heeft me wel de grootst mogelijke moeite gekost. De thesaurier had zijn dossier onder de B van Badri gestopt en de Amerikanen…’
‘Heb je zijn registratienummer?’
‘Ja, meneer.’
‘Ik geef je dokter Ahrens,’ zei hij, voordat Finch over zijn Amerikanen kon uitweiden. Hij wenkte Mary. ‘Dan kun je het rechtstreeks aan haar vertellen.’
Mary plakte een pleister op Gilchrists arm en deed een monitor om zijn pols.
‘Ik heb Ely kunnen bereiken, meneer,’ zei Finch. ‘Ik heb gezegd dat het handbelconcert niet kan doorgaan en ze toonden alle begrip, maar de Amerikanen zijn nog erg ontevreden.’
Mary noteerde de gegevens van Gilchrist, stroopte de handschoenen af en ging naar Dunworthy om de telefoon over te nemen.
‘Finch? Met Ahrens. Geef me Badri’s registratienummer.’