Выбрать главу

Dunworthy gaf haar een van zijn formulieren en een pen, zodat ze het nummer kon noteren. Daarna vroeg ze naar Badri’s inentingsgegevens en krabbelde iets onleesbaars op het papier.

‘Nog bijzondere reacties of allergieën?’ Ze luisterde even en vervolgde: ‘Nee, dank je, ik haal de rest wel uit de computer. Ik bel wel terug als ik nog meer moet weten.’ Ze gaf het toestel terug aan Dunworthy. ‘Hij wil je nog even spreken.’ Ze liep weg en nam zijn formulier mee.

‘Ze zijn erg ongelukkig met hun gedwongen verblijf,’ zei Finch. ‘Mevrouw Taylor dreigt een proces aan te spannen wegens contractbreuk.’

‘Wanneer is Badri voor het laatst op virussen onderzocht?’

Finch moest lang in het dossier zoeken. ‘Hier heb ik het, meneer. Veertien september.’

‘Een volledig onderzoek?’

‘Ja, meneer. Receptor-vergelijking, MPA-aanvulling en de gebruikelijke inentingen.’

‘Heeft hij wel eens een sterke reactie op inentingen gehad?’

‘Nee, meneer. Ik kan hier niets over allergische reacties vinden. Dat heb ik al tegen dokter Ahrens gezegd.’

Badri had al zijn inentingen gehad. Hij was niet allergisch.

‘Ben je al naar New College geweest?’ vroeg Dunworthy.

‘Nee, meneer. Ik ga nu op weg. Waar moet ik alles vandaan halen, meneer? We hebben nog voldoende zeep, maar er is heel weinig wc-papier.’

De deur ging open, maar het was niet Mary die binnenkwam. Het was de broeder die Montoya had opgehaald. Hij ging naar de serveerwagen en schakelde de snelkoker in.

‘Zal ik iedereen wat papier geven, meneer,’ vroeg Finch, ‘of moet ik een briefje ophangen dat iedereen zuinig moet zijn?’

‘Doe maar wat je het beste lijkt,’ zei Dunworthy. Hij hing op.

Het regende blijkbaar nog steeds. Het uniform van de broeder was nat en hij hield zijn handen dicht bij de stoom die uit de ketel kwam.

‘Bent u eindelijk klaar met de telefoon?’ vroeg Gilchrist.

Dunworthy gaf hem het toestel. Hij vroeg zich af in welk weer Kivrin terecht was gekomen. Misschien had Gilchrist laten uitrekenen hoeveel kans er was dat het zou regenen als ze doorkwam; haar mantel had niet bepaald waterdicht geleken. Als het regende zou de barmhartige reiziger die binnen 1,6 uur langs moest komen wel in een herberg of hooistapel zijn gaan schuilen tot het weer was opgeklaard en de wegen begaanbaar waren.

Dunworthy had Kivrin geleerd hoe ze vuur moest maken, maar dat zou midden in de winter en met vochtig hout niet gemakkelijk zijn. De winters in de veertiende eeuw waren streng. Misschien sneeuwde het wel. De Kleine IJstijd was in 1320 nog maar net begonnen, het zou nog even duren voordat zelfs de Theems bevroor. De lage temperatuur en het wisselvallige weer hadden zoveel schade aan de gewassen toegebracht dat sommige historici de verwoestingen van de Zwarte Dood vooral aan ondervoeding van de boerenbevolking toeschreven. Ze hadden in elk geval slecht weer gehad. In de herfst van 1348 had het in een deel van Oxfordshire ononderbroken geregend van Sint-Michiel tot Kerstmis. Kivrin zou nu wel ergens op die natte weg liggen, halfdood door onderkoeling.

En onder de uitslag, dacht hij, omdat haar overbezorgde mentor zo liep te tobben. Mary had gelijk, hij klonk al net als mevrouw Gaddson. Als hij niet oppaste stormde hij naar het lab om het net open te rukken, zoals Gaddson de treindeur had laten openen, om zelf naar het jaar 1320 te gaan. Kivrin zou waarschijnlijk net zo blij zijn als William, als die zijn moeder straks te zien kreeg. En net zo hulpbehoevend.

Kivrin was de intelligentste en creatiefste pupil die hij ooit had gehad. Ze was wijs genoeg om niet in de regen te blijven liggen. Wie weet had ze haar laatste vakantie wel bij de Inuit doorgebracht om te leren hoe ze een iglo moest bouwen.

Ze had in elk geval aan alle belangrijke zaken gedacht, tot en met haar vingernagels. Toen ze hem haar kleed kwam laten zien, had ze haar handen uitgestoken. Haar nagels waren verbrokkeld en vuil. ‘Ik mag dan wel van adel zijn, maar op het land deden de dames nog wel meer dan wandkleden borduren. In de East Riding kenden ze scharen pas in de zeventiende eeuw, daarom ben ik de hele zondagmiddag bij Montoya geweest om de doden op te graven en dit effect te bereiken.’ Haar nagels zagen er vreselijk uit, maar ook vreselijk authentiek. Waarom zou hij zich zorgen maken over zoiets onbeduidends als sneeuw?

Maar hij kon het niet laten. Misschien zou hij zich geruster voelen als hij Badri kon vragen wat er nu eigenlijk mis was, als hij de zekerheid had dat Kivrin goed was doorgekomen en dat er maar een geringe verschuiving had plaatsgevonden. Maar Mary had nu pas van Finch Badri’s registratienummer gekregen. Hij vroeg zich af of Badri nog bewusteloos was, of erger.

Hij stond op en ging naar de serveerwagen om een kop thee te nemen. Gilchrist zat weer aan de telefoon, ditmaal met de portier. Die wist evenmin waar Basingame was. Tegen Dunworthy had hij gezegd dat Basingame iets over Loch Balkillan had laten vallen, maar dat meer bleek bij navraag niet te bestaan.

Dunworthy dronk zijn thee. Gilchrist belde de thesaurier en de pedel, maar geen van beiden wist waar Basingame was. De zuster die eerder de deur had bewaakt kwam binnen om de laatste bloedmonsters te nemen. De broeder pakte een van de folders en begon erin te lezen.

Montoya zat haar formulieren in te vullen. ‘Wat moet ik precies doen?’ vroeg ze aan Dunworthy. ‘Moet ik iedereen opschrijven met wie ik vandaag contact heb gehad?’

‘De laatste drie dagen,’ zei hij.

Het wachten duurde maar. Dunworthy nam nog een kop thee. Montoya belde het ministerie om te vragen of Witney niet vrijgesteld kon worden van de quarantaine. De ambulancezuster sukkelde weer in slaap.

De verpleegster kwam binnen met een etenswagen. ‘Greet chere made our hoste us everichon, And to the soper sette us anon,’ zei Latimer, zijn eerste en enige opmerking van die middag.

Onder het eten vertelde Gilchrist tegen Latimer dat hij Kivrin nog eens naar de middeleeuwen wilde sturen, na de Zwarte Dood. ‘Volgens de gangbare opvatting was de hele middeleeuwse samenleving ontwricht,’ zei hij terwijl hij zijn rosbief aansneed. ‘Maar mijn eigen onderzoek toont aan dat het eerder een katharsis dan een catastrofe was.’

Een katharsis voor wie? dacht Dunworthy. Hij vroeg zich af waarom het zo lang duurde. Waren ze echt bezig de bloedmonsters te onderzoeken, of wachtten ze alleen maar tot een van hen hier op de grond zakte, zodat ze precies wisten hoe lang de incubatietijd was?

Gilchrist belde weer met New College en vroeg naar de secretaresse van Basingame.

‘Die is er niet,’ zei Dunworthy. ‘Ze brengt de kerstdagen door bij haar dochter in Devonshire.’

Gilchrist sloeg geen acht op hem. ‘Ja, ik heb een boodschap voor haar. Ik probeer Basingame te vinden. Het is zeer dringend. We hebben net een studente naar de veertiende eeuw gestuurd, maar Balliol heeft verzuimd de technicus te laten onderzoeken die het net bediende. Als gevolg daarvan heeft hij een virusinfectie.’ Hij liet de hoorn zakken. ‘Als blijkt dat Chaudhuri niet alle inentingen heeft gehad, houd ik u persoonlijk verantwoordelijk, Dunworthy.’

‘Hij is in september volledig onderzocht,’ zei Dunworthy.

‘Kunt u dat bewijzen?’ zei Gilchrist.

‘Heeft zij het meegenomen?’ vroeg de ambulancezuster.

Iedereen draaide verbaasd het hoofd in haar richting, zelfs Latimer. Ze dachten allemaal dat ze diep in slaap was zoals ze daar zat, met haar kin bijna op haar gekruiste armen en de formulieren in haar hand.

‘U zei dat u een studente naar de middeleeuwen had gestuurd,’ zei ze strijdvaardig. ‘Heeft zij het meegenomen?’

‘Ik begrijp niet…’ begon Gilchrist.

‘Het virus,’ zei ze. ‘Kan dat ook met de tijdmachine zijn meegegaan?’

Gilchrist keek zenuwachtig naar Dunworthy. ‘Dat is toch niet mogelijk?’

‘Nee,’ zei Dunworthy. Gilchrist had duidelijk geen weet van de continuüm-paradoxen of van de string-theorie. Wat moest zo iemand als Waarnemend Hoofd? Hij wist niet eens hoe het net werkte waar hij Kivrin zo vrolijk doorheen gestuurd had. ‘Het virus kan niet door het net zijn gekomen.’