Выбрать главу

Ze stapten in de lift. ‘Begane grond, alstublieft,’ zei Mary in de intercom. ‘Badri is telkens maar heel kort bij,’ zei ze tegen Dunworthy. ‘Het kan wel de hele nacht duren.’

‘Dat geeft niet,’ zei Dunworthy. ‘Ik kan toch niet slapen voordat ik weet dat Kivrin veilig en wel is doorgekomen.’

Op de begane grond liepen ze door een gang naar een deur met het opschrift: GEEN TOEGANG. ISOLATIE. Mary deed de deur open. Aan de balie zat een ernstig kijkende zuster naar een beeldscherm te staren.

‘Meneer Dunworthy mag bij de patiënt,’ zei Mary. ‘We hebben SPG’s nodig. Hoe is het met hem?’

‘Zijn temperatuur loopt weer op,’ zei de zuster. ‘39,8.’ Ze gaf hun de SPG’s, in plastic verpakte steriele uitrusting: lange jassen die van achteren werden gesloten, hoofdkapjes, neusmaskers die je nauwelijks over je hoofd kreeg, strakke hoezen voor over hun schoenen, en handschoenen. Dunworthy deed bij vergissing eerst de handschoenen aan, waardoor het een eeuwigheid duurde voordat hij zijn jas en het masker had aangedaan.

‘Je zult heel gerichte vragen moeten stellen,’ zei Mary. ‘Wat hij vanmorgen na het opstaan heeft gedaan, of hij bij iemand de nacht heeft doorgebracht, waar hij heeft ontbeten, wie hij heeft gezien en zo meer. Door de hoge koorts is hij verward. Misschien moet je dezelfde vraag een paar keer herhalen.’ Ze deed de deur van de ziekenkamer open.

Het was nauwelijks groter dan een kast, met net genoeg ruimte voor een bed en een klapstoeltje. Aan de muur bij het hoofdeinde hingen monitoren en andere apparatuur. Het gordijn voor het enige raam was dicht. Mary keek vluchtig naar Badri en concentreerde zich op de monitoren.

Dunworthy volgde haar blik. Een van de schermen was gevuld met cijfers en letters. Op de onderste regel las hij: ‘ICU 14320691-22-12-54 1803 200/RPT 1800CRS IMJPCLN 200MG/q6h NHS40-211-7 M AHRENS’. Dit waren kennelijk de instructies die Mary had gegeven voor de behandeling.

De andere monitoren vertoonden diagrammen en tabellen. Dunworthy kon er geen wijs uit worden, behalve uit een regel op een van de kleinste displays: ‘Temp: 39,9.’ Lieve god.

Hij keek naar Badri. De ingenieur lag met zijn armen op de deken; beide armen waren aangesloten op een infuus. Aan één daarvan hingen minstens vijf kleine zakjes die op één grotere uitkwamen. Badri had zijn ogen dicht en zijn gezicht was mager en ingevallen, alsof hij sinds vanochtend gewicht had verloren. Zijn donkere huid had een vreemde paarse tint.

Mary boog zich over hem heen. ‘Badri, kun je ons verstaan?’

Hij deed zijn ogen open en keek hen zonder begrip aan. Dat lag waarschijnlijk niet aan het virus, maar aan de wegwerpuniformen waarin ze onherkenbaar waren.

‘Hier is meneer Dunworthy,’ zei Mary behulpzaam. ‘Hij komt je bezoeken.’ Haar pieper begon te zoemen.

‘Dunworthy?’ zei Badri hees. Hij probeerde te gaan zitten.

Mary duwde zijn hoofd behoedzaam terug op het kussen. ‘Hij wil je iets vragen.’ Ze klopte hem licht op zijn borst, net zoals ze in het lab van Brasenose had gedaan. ‘Blijf maar liggen. Ik moet nu weg, maar meneer Dunworthy blijft bij je. Wind je niet op en probeer zijn vragen te beantwoorden.’ Ze ging weg.

‘Dunworthy?’ herhaalde Badri, alsof de betekenis van de naam niet goed tot hem doordrong.

‘Ja,’ zei Dunworthy. Hij ging op de klapstoel zitten. ‘Hoe voel je je?’

‘Wanneer verwacht u hem terug?’ zei Badri. Zijn stem klonk zwak en vermoeid. Hij probeerde weer te gaan zitten. Dunworthy stak een hand uit om hem tegen te houden. ‘Ik moet hem vinden,’ zei Badri. ‘Er is iets mis.’

8

Ze hadden haar op de brandstapel gezet. Kivrin voelde de vlammen branden. Ze moesten haar al hebben vastgebonden, al kon ze zich dat niet herinneren. Ze wist nog wel dat het vuur werd aangestoken. Ze was van het witte paard gevallen, en daarna had de moordenaar haar opgepakt en naar het vuur gedragen.

‘We moeten terug naar het rendez-vous,’ had ze tegen hem gezegd.

Hij had zich over haar gebogen en in het flakkerende licht kon ze zijn wrede gezicht zien.

‘Meneer Dunworthy zal het net openen zodra hij merkt dat er iets mis is,’ had ze tegen hem gezegd. Dat had ze niet moeten doen. Nu dacht hij dat ze een heks was en bracht hij haar naar de brandstapel.

‘Ik ben geen heks,’ zei ze. Plotseling kwam er uit het niets een hand die koel op haar voorhoofd bleef liggen.

‘Ssst,’ zei een stem.

‘Ik ben echt geen heks.’ Ze sprak de woorden langzaam uit om zich verstaanbaar te maken. De moordenaar had haar niet begrepen. Ze had hem willen zeggen dat ze bij de kar moesten blijven, maar hij had geen aandacht aan haar besteed. Hij had haar op zijn witte paard gezet en haar meegenomen, langs de witte berken naar het dichtste deel van het woud.

Ze had geprobeerd de richting te bepalen, zodat ze de weg terug zou kunnen vinden, maar de zwaaiende lantaren had maar een klein stukje van de grond beschenen en het licht deed pijn aan haar ogen.

‘Ik ben geen heks,’ zei ze. ‘Ik ben historica.’

Hawey fond enyowuh thissla dey?’ klonk de vage stem van de vrouw. Die was zeker naar het vuur gekomen om er wat hout op te gooien en was daarna weer op een afstandje gaan staan.

Enwodes fillenun gleydund sore destrayste,’ zei een man, die net als meneer Dunworthy klonk. ‘Ayeen mynarmehs hoor ale op hider ybar.’

Sweltes shay dumorte blauen?’ zei de vrouw.

‘Meneer Dunworthy!’ Kivrin stak haar armen naar hem uit. ‘Ik ben gevangengenomen door struikrovers!’ Maar door de rook van het vuur kon ze hem niet zien.

‘Ssst,’ zei de vrouw. Kivrin wist dat het een tijd later was, dat ze vreemd genoeg had geslapen. Hoe lang duurt het voor je bent verbrand? In het gloeiend hete vuur zou ze al tot as moeten zijn vergaan, maar toen ze naar haar hand keek zag die er nog gaaf uit, hoewel er kleine vurige tongen rond haar vingers dansten. Het licht van de vlammen deed pijn aan haar ogen. Ze deed ze dicht.

Ik hoop dat ik niet nog een keer van het paard val, dacht ze. Ze had beide armen rond de hals van het dier geslagen om zich vast te houden, ook al voelde ze bij elke beweging haar hoofd bonzen. Ze was gevallen, al kon ze zich niet herinneren dat ze het dier had losgelaten. Meneer Dunworthy had haar nog wel naar een manege bij Woodstock gestuurd om te leren paardrijden. Hij had voorspeld dat dit zou gebeuren, dat ze haar naar de brandstapel zouden brengen.

De vrouw hield een kroes voor haar lippen. Dit was zeker azijn in een spons, dacht Kivrin, die gaven ze aan martelaars. Maar het was geen azijn. Het was een warme, bittere vloeistof. De vrouw tilde Kivrins hoofd op om haar te laten drinken en nu begon het tot haar door te dringen dat ze op de grond lag.

Dat moet ik tegen hem zeggen, dacht ze, mensen werden liggend verbrand. Ze probeerde haar handen op te tillen en naar haar mond te brengen om de recorder te activeren, maar het gewicht van de vlammen trok ze weer naar beneden.

Ik ben ziek, dacht Kivrin. De warme drank was een of ander medicijn geweest, dat de koorts enigszins had getemperd. Ze merkte dat ze toch niet op de grond lag, maar in een bed in een donkere kamer. Naast haar lag de vrouw die haar had gekalmeerd en te drinken had gegeven. Ze hoorde haar ademhaling. Kivrin wilde haar hoofd omdraaien om naar haar te kijken, maar de inspanning was te pijnlijk. De vrouw lag te slapen. Haar ademhaling was gelijkmatig en luid, bijna snurkend. Kivrin kreeg er hoofdpijn van.

Ik ben in het dorp, dacht ze. De man met het rode haar heeft me hierheen gebracht.

Ze was van het paard gevallen en de moordenaar had haar er weer opgezet, maar toen ze zijn gezicht zag leek hij helemaal niet op een moordenaar. Hij was jong, met rood haar en een vriendelijk gezicht. Hij was bij haar gekomen toen ze met haar rug tegen het wiel van de kar zat. ‘Wie ben je?’ had hij gevraagd.