Ze had hem zonder enige moeite verstaan.
‘Canstawd ranken derwyn?’ zei de vrouw. Ze duwde Kivrins hoofd iets naar voren om haar nog een slok van de bittere drank te laten nemen. Kivrin kon amper slikken. Het vuur was in haar keel gedrongen. Ze voelde de oranje vlammetjes, die niet door de vloeistof waren gedoofd. Ze vroeg zich af of de man haar naar een vreemd land had meegenomen, naar Spanje of Griekenland, waar de mensen een taal spraken die niet in haar computer zat.
Ze had de man met het rode haar heel goed verstaan. ‘Wie ben je?’ Maar er was nog een andere man geweest, misschien een slaaf die hij van de kruistochten had meegenomen en die Turks of Arabisch sprak, daarom had ze hem niet kunnen verstaan.
‘Ik ben historica,’ had ze gezegd, maar toen ze opkeek zag ze niet het vriendelijke gezicht, maar het gezicht van de moordenaar.
Ze keek radeloos om zich heen, maar de man met het rode haar was er niet. De moordenaar sprokkelde een paar takken en legde ze op stenen om vuur te maken.
‘Meneer Dunworthy!’ riep Kivrin wanhopig. De struikrover kwam naar haar toe en knielde neer. Het licht van zijn lantaren danste over zijn gelaat.
‘Vrees niet,’ zei hij. ‘Hij komt weldra terug.’
‘Meneer Dunworthy!’ schreeuwde ze. De man met het rode haar kwam weer bij haar zitten.
‘Ik had niet bij de kar moeten weggaan.’ Ze bleef strak naar hem kijken om hem geen kans te geven weer in de moordenaar te veranderen. ‘Er is iets mis met de lokalisatie. U moet me terugbrengen.’
Hij maakte zijn mantel open, haalde hem met een zwaai van zijn schouders en legde hem over haar heen. Ze wist dat hij haar begreep.
‘Ik moet terug naar huis,’ zei ze terwijl hij zich over haar heen boog. Hij had een lamp bij zich, die zijn vriendelijke gezicht bescheen en vlammetjes in zijn rode haar toverde.
‘Godufadur!’ riep hij. Zo heet zijn slaaf, dacht ze, Gauddefaudre. Hij wil weten waar zijn slaaf me heeft gevonden en dan brengt hij me terug naar de kar. Meneer Dunworthy zou doodsbenauwd zijn als het net openging en zij er niet was. Maak u geen zorgen, meneer Dunworthy, zei ze geluidloos, ik kom.
‘Dreede nawmaydde,’ had de man met het rode haar gezegd, waarna hij haar optilde. ‘Fawrthah Galwinnath coam.’
‘Ik ben ziek,’ zei Kivrin tegen de vrouw, ‘daarom kan ik u niet verstaan.’ Maar ditmaal was er niemand die uit het donker naar voren kwam om haar te sussen. Misschien hadden ze er genoeg van haar te zien branden en waren ze weggegaan. Het duurde ook zo lang, ook al leken de vlammen nog heter te worden.
De roodharige man had haar voor zich op het witte paard gezet en mee naar het bos genomen, ze had gedacht dat hij haar terugbracht naar de kar. Het paard had nu een zadel en belletjes aan zijn toom, die rinkelden onder het rijden. Ze herkende de melodie: ‘Komt allen tezamen’. De muziek werd met elk couplet luider en luider, tot het net het carillon van St. Mary the Virgin was.
Ze reden lange tijd voort en Kivrin dacht dat ze nu toch weer bij de kar moesten zijn.
‘Hoe ver is het nog?’ vroeg ze aan de roodharige man. ‘Meneer Dunworthy zal heel erg ongerust zijn.’ Hij gaf geen antwoord. Hij reed het bos uit en een heuvel af. De maan scheen bleek door de takken van dunne kale bomen en het licht viel op een kerk die onder aan de heuvel stond.
‘Hier is het niet,’ zei Kivrin. Ze wilde aan de teugels van het paard trekken om het te laten omkeren, maar ze durfde de hals van het dier niet los te laten. Ze kwamen bij een deur die openging en nog een keer openging. Daarachter was vuur en licht en klokgelui, en Kivrin wist dat ze haar toch weer naar de kar hadden gebracht.
‘Shay boyen syke nighonn tdeeth,’ zei de vrouw. Haar gerimpelde handen voelden ruw aan op Kivrins huid. Een deken werd tot haar hals over haar heen gelegd. Bont, Kivrin voelde zacht bont tegen haar gezicht, of misschien was het het haar van de vrouw.
‘Waar ben ik?’ vroeg Kivrin. De vrouw boog licht naar voren, alsof ze haar niet had verstaan, en Kivrin besefte dat ze modern Engels had gesproken. Haar vertaalcomputer deed het niet. Ze zou vloeiend Middelengels moeten kunnen spreken en verstaan. Misschien werkte de tolk niet en was dat de reden waarom ze hen niet kon begrijpen.
Ze probeerde zich haar lessen te herinneren. ‘Where hast thou bringen me to?’ Nee, dat was geen goede constructie. Ze wilde vragen ‘Wat is deze plaats?’ maar ze kon zich het woord voor ‘plaats’ niet herinneren.
Ze kon niet nadenken. De vrouw legde nog meer dekens over haar heen, maar ondanks al dat bont kreeg Kivrin het steeds kouder, net of de vrouw het vuur aan het uitdoven was.
Ze zouden haar niet begrijpen als ze vroeg ‘Wat is deze plaats?’ Ze was in een dorp. De roodharige man had haar naar een dorp gebracht. Ze waren langs een kerk naar een groot huis gereden. ‘Wat is de naam van dit dorp?’ moest ze vragen.
Het woord voor ‘plaats’ was demain, maar de zin klopte nog niet. Ze gebruikten toch de Franse woordvolgorde?
‘Quelle demeure avez vous m’apporté?’ zei ze hardop, maar de vrouw was weggegaan en bovendien sloeg het nergens op. Ze spraken al twee eeuwen geen Frans meer. Ze moest de vraag in het Engels stellen. ‘Waar is het dorp waar u me naartoe hebt gebracht?’ Maar wat was het woord voor ‘dorp’?
Dunworthy had gezegd dat ze niet alleen op de tolk mocht vertrouwen, dat ze Middelengels, Normandisch en Duits moest leren om een afwijkende uitspraak te kunnen herkennen. Hij had haar hele bladzijden uit Chaucer uit haar hoofd laten leren. ‘Soun ye nought but eyr ybroken, And every speche that ye spoken.’ Nee, nee. ‘Waar is dit dorp waar u me hebt gebracht?’ Wat was het woord voor ‘dorp’?
Hij had haar naar een dorp gebracht en ergens aangeklopt. Een grote man met een bijl deed open. Met die bijl maakte hij natuurlijk brandhout voor het vuur. Een grote man en even later een vrouw, Kivrin kon geen van beiden verstaan. De deur was weer dichtgegaan en ze bleven buiten in het donker.
‘Meneer Dunworthy! Dokter Ahrens!’ had ze willen roepen, maar door de pijn op haar borst kon ze geen woord uitbrengen. ‘U mag het net niet laten sluiten,’ had ze tegen de roodharige man gezegd, maar hij was weer in een moordenaar en een dief veranderd.
‘Nay,’ had hij gezegd, ‘ze is slechts gewond.’ De deur was weer opengegaan en hij had haar naar binnen gedragen, naar de brandstapel.
Ze gloeide.
‘Thawmot goonawt plersoun roshundt prayenum comth ithre,’ zei de vrouw. Kivrin probeerde haar hoofd op te tillen om te drinken, maar de vrouw had geen kroes in haar hand. Ze hield een kaars dicht bij Kivrins gezicht. Te dichtbij. Haar haar zou in brand vliegen.
‘Der maydemot nedes dya,’ zei de vrouw.
Het vlammetje flikkerde vlak bij haar wang. Haar haren stonden in brand. Oranje en rode vlammen lekten rond haar gezicht en verschroeiden haar lokken tot as.
‘Ssst,’ zei de vrouw. Ze probeerde Kivrins handen te pakken, maar Kivrin verzette zich. Ze rukte haar handen los en sloeg op haar hoofd om de vlammen te doven. Haar handen vatten vlam.
‘Ssst,’ zei de vrouw, die Kivrins handen pakte. Het was de vrouw niet, het waren de sterke handen van een man. Kivrin schudde wild met haar hoofd om aan het vuur te ontsnappen, maar nu hielden ze ook haar hoofd stil. Ze ging onder in een wolk van vuur.
Er hing rook in de kamer toen ze wakker werd. Het vuur moest uit zijn gegaan terwijl ze lag te slapen. Dat was een martelaar op de brandstapel wel eens overkomen. Zijn vrienden hadden nog groene takken op het vuur gelegd om hem in de rook te laten stikken voordat het vuur hem kon bereiken, maar de vlammen waren er bijna helemaal door gedoofd en daardoor was hij urenlang geroosterd.