De vrouw boog zich over haar heen. Kivrin kon in de walm niet eens zien of ze jong of oud was. De roodharige man moest het vuur hebben gedoofd. Hij had zijn mantel om haar heen geslagen en het vuur uitgestampt met zijn laarzen, daarna had de rook haar verblind.
De vrouw sprenkelde wat water over haar heen. De druppels verdampten sissend op haar huid. ‘Hauccaym anchi towoem denswile?’ zei de vrouw.
‘Ik ben Isabel de Beauvrier,’ zei Kivrin. ‘Mijn broer ligt ziek in Evesham.’ Ze kon zich helemaal geen middeleeuwse woorden herinneren. Quelle demeure. Perced to the rote. ‘Waar ben ik?’ vroeg ze.
Een gezicht kwam heel dichtbij. ‘Hau hightes towe?’ Het was het gezicht van de moordenaar uit het betoverde woud. Ze deinsde angstig terug.
‘Ga weg!’ zei ze. ‘Wat wil je?’
‘In nomine Patris, et Filii, et Spiritus sancti,’ zei hij.
Latijn, dacht ze opgelucht. Er moest een priester in de kamer zijn. Ze probeerde haar hoofd op te tillen om hem te zien, maar het was te rokerig. Latijn kan ik wel spreken, dacht ze. Dat moest ik leren van meneer Dunworthy.
‘U had hem niet binnen mogen laten!’ zei ze in het Latijn. ‘Hij is een moordenaar!’ Haar keel deed pijn en ze kon niet meer dan een gefluister uitbrengen, maar de struikrover week verrast naar achteren. Ze hadden haar verstaan.
‘Je hoeft niet bang te zijn,’ zei de priester. Ze begreep hem heel goed. ‘Je gaat weer naar huis.’
‘Naar het rendez-vous?’ zei Kivrin. ‘Brengt u me terug naar de kar?’
‘Asperges me, Domine, hyssope et mundabor,’ zei de priester. Gij zult mij met hysop besprenkelen, o Heer, en ik zal gereinigd zijn. Ze verstond hem zonder moeite.
‘Help me,’ zei ze in het Latijn. ‘Ik moet terug naar de kar.’
‘… nominus…’ zei de priester, zo zacht dat ze hem niet goed verstond. Haar naam, hij wilde iets over haar naam weten. Ze tilde haar hoofd op. Het voelde merkwaardig licht aan, alsof al het haar was verbrand.
‘Mijn naam?’ zei ze.
‘Hoe is je naam?’ vroeg hij in het Latijn.
Ze moest hem vertellen dat ze Isabel de Beauvrier was, de dochter van Gilbert de Beauvrier uit de East Riding, maar de keelpijn belette haar bijna het spreken. ‘Ik moet terug,’ zei ze. ‘Anders weten ze niet waar ik ben.’
‘Confiteor deo omnipotenti,’ zei de priester van heel ver weg. Ze kon hem niet zien. Achter de moordenaar zag ze alleen maar vlammen. Ze hadden het vuur weer aangestoken. ‘Beatae Mariae semper Virgini…’
Hij zegt het confiteor, dacht ze, de schuldbelijdenis. Daar mocht de moordenaar niet bij zijn. Er mocht helemaal niemand zijn tijdens een biecht.
Nu was zij aan de beurt. Ze slaagde er pas in haar handen te vouwen toen de priester haar hielp. Hij zei haar ook de woorden van de belijdenis voor. ‘Vergeef mij, Vader, want ik heb gezondigd. Ik belijd voor God de Almachtige en voor u, Vader, dat ik buitensporig heb gezondigd in gedachte, in woord, in daad en in nalatigheid, door mijn eigen schuld.’
‘Mea culpa,’ fluisterde ze, ‘mea culpa, mea maxima culpa.’ Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn overgrote schuld, maar dat klopte niet, dat hoorde ze niet te zeggen.
‘Waarin heb je gezondigd?’ vroeg de priester.
‘Gezondigd?’ zei ze zonder begrip.
‘Ja,’ zei hij zachtjes. Hij bracht zijn mond heel dicht bij haar oor. ‘Belijd je zonden en ontvang de genade Gods, zodat je het eeuwige koninkrijk kunt binnengaan.’
Ik wilde alleen maar naar de middeleeuwen, dacht ze, ik heb zo erg mijn best gedaan. Ik heb de talen geleerd en de gebruiken en alles wat meneer Dunworthy van me verlangde. Ik wilde alleen maar goed mijn vak leren.
Ze slikte en een pijnscheut trok door haar keel. ‘Ik heb niet gezondigd.’
De priester trok zich terug. Ze dacht dat hij boos was weggegaan omdat ze haar zonden niet wilde biechten.
‘Ik had naar meneer Dunworthy moeten luisteren,’ zei ze. ‘Ik had niet bij de kar moeten weggaan.’
‘In nomine Patris, et Filii, et Spiritus sancti. Amen,’ zei de priester. Zijn stem klonk vriendelijk en geruststellend. Ze voelde zijn koele, koele hand op haar voorhoofd.
‘Quid quid deliquisti,’ mompelde de priester. ‘Door dit Heilig Oliesel en Zijn zeer milde genade…’ Hij beroerde haar ogen, haar oren en haar neusgaten, maar zo licht dat ze alleen de koude olie en niet zijn hand voelde.
Dat hoort niet bij de biecht, dacht Kivrin. Dat hoort bij de laatste sacramenten. De priester zit aan mijn sterfbed.
‘Nee…’ zei Kivrin.
‘Vrees niet,’ zei hij. ‘Moge de Heer alle zonden vergeven die je tijdens dit leven hebt begaan.’ Hij doofde het vuur dat haar voetzolen schroeide.
‘Waarom krijg ik de laatste sacramenten?’ zei Kivrin. Ineens herinnerde ze zich dat ze op de brandstapel lag. Ik ga hier dood, dacht ze, en meneer Dunworthy zal nooit weten wat er met me is gebeurd.
‘Ik heet Kivrin,’ zei ze. ‘Zeg tegen meneer Dunworthy…’
‘Moge je je Verlosser in het aangezicht zien,’ zei de priester, maar het was de moordenaar die sprak. ‘En moge Hij je de ogen openen om je de waarheid te laten zien.’
‘Ga ik dood?’ vroeg ze aan de priester.
‘Je hebt niets te vrezen,’ zei hij en pakte haar hand.
‘Laat me niet alleen.’ Ze klemde zijn hand vast.
‘Ik laat je niet alleen,’ zei hij, maar in de rook kon ze hem niet zien. ‘Moge de Almachtige God je genadig zijn en je al je zonden vergeven en je in het eeuwige leven voeren.’
‘Kom me alstublieft halen, meneer Dunworthy,’ zei ze, terwijl de vlammen hoog tussen hen oplaaiden.
Domine, mittere digneris sanctum Angelum tuum de caelis, qui custodiat, foveat, protegat, visitet, atque defendat omnes habitantes in hoc habitaculo.
Exaudi orationim meam et clamor meus ad te veniat.{Vertaling: O Heer, zend toch Uw heilige engel van de hemel om allen die in dit huis zijn vergaderd te behoeden, te koesteren, te beschermen, te bezoeken en te verdedigen.}
Verhoor mijn gebed en laat mijn roep tot U komen.
9
‘Wat is er, Badri? Wat is er misgegaan?’ vroeg Dunworthy.
‘Koud,’ zei Badri. Dunworthy boog zich over hem heen en trok de deken over zijn schouders. Het ding was al net zo dun als de papieren jas die hij droeg. Geen wonder dat hij het koud had.
‘Dank u,’ mompelde Badri. Hij haalde zijn hand onder de deken vandaan en pakte de hand van Dunworthy. Hij sloot zijn ogen.
Dunworthy keek gespannen naar de monitoren, maar die waren nog net zo onbegrijpelijk als even tevoren. De temperatuur bedroeg nog steeds 39,9. Badri’s hand voelde erg warm aan, zelfs door de handschoen, en zijn vingernagels hadden een vreemde, bijna donkerblauwe tint. Ook Badri’s huid leek donkerder dan anders en zijn gezicht was nog magerder dan toen ze hem naar het ziekenhuis hadden gebracht.
De hoofdzuster kwam binnen. Onder haar doorzichtige schort had ze bijna dezelfde dreigende gestalte als mevrouw Gaddson. ‘De primaire contacten staan op de kaart,’ zei ze bars. Geen wonder dat Badri bang van haar was. ‘De eerste kaart,’ zei ze, naar het toetsenbord bij de monitor aan de linkerkant wijzend.