Выбрать главу

Op het scherm verscheen een tijdtabel, verdeeld in blokken van één uur. Bovenaan stond zijn eigen naam, evenals die van Mary en van de hoofdzuster, met tussen haakjes de letters SPG, vermoedelijk om aan te geven dat ze alle drie steriele kleding droegen wanneer ze met Badri in contact kwamen.

‘Volgend scherm,’ zei Dunworthy. De kaart rolde over het scherm. De contacten met het ambulancepersoneel en met iedereen in het lab werden vermeld. Badri was maandagochtend in Londen geweest om een tijdreis voor Jesus College voor te bereiden. Tegen de middag was hij met de metro naar Oxford teruggegaan.

Tussen halftwee en vier was hij bij Dunworthy geweest. Dunworthy toetste de tijdstippen in. Badri had hem verteld dat hij zondag ook in Londen was geweest, maar hij kon zich het tijdstip niet herinneren. ‘Londen,’ voerde hij in, ‘bel Jesus College voor nadere informatie.’

‘Hij zakt regelmatig weg,’ zei de zuster afkeurend. ‘Dat is de koorts.’ Ze controleerde het infuus, rukte aan een punt van de deken en ging de kamer uit.

Badri kwam bij door het sluiten van de deur. Hij knipperde met zijn ogen.

‘Ik moet je een paar vragen stellen, Badri,’ zei Dunworthy. ‘We moeten weten met wie je in aanraking bent geweest. Misschien is het besmettelijk, daarom willen we al die mensen opsporen.’

‘Kivrin,’ zei Badri. Zijn stem was zacht, bijna fluisterend, maar hij hield de hand van Dunworthy in een stevige greep. ‘In het laboratorium.’

‘Vanmorgen?’ zei Dunworthy. ‘Heb je Kivrin vóór vandaag nog gezien? Gisteren?’

‘Nee.’

‘Wat heb je gisteren gedaan?’

‘Ik heb het net gecontroleerd,’ zei hij zwak, zonder Dunworthy’s hand los te laten.

‘Ben je de hele dag in het lab geweest?’

Hij schudde zijn hoofd, wat een hele ris piepende uitslagen op de monitoren tot gevolg had. ‘Ik ben bij u geweest.’

Dunworthy knikte. ‘Je liet een briefje voor me achter. En daarna? Ben je naar Kivrin gegaan?’

‘Kivrin,’ zei hij. ‘Ik heb Puhalski’s coördinaten nagerekend.’

‘Klopten ze?’

Hij fronste. ‘Ja.’

‘Weet je het zeker?’

‘Ja. Ik heb ze twee keer gecontroleerd.’ Hij pauzeerde om op adem te komen. ‘Ik heb een interne controle en een comparator gedaan.’

Dunworthy voelde zich enorm opgelucht. Er was geen fout gemaakt met de coördinaten. ‘En de tijdverschuiving? Hoe groot is die?’

‘Hoofdpijn,’ prevelde hij. ‘Vanmorgen. Te veel gedronken op het feest.’

‘Welk feest?’

‘Moe,’ mompelde hij.

‘Wat voor feest?’ drong Dunworthy aan. Hij voelde zich net een folteraar van de Inquisitie. ‘Wanneer was dat? Maandag?’

‘Dinsdag,’ zei Badri. ‘Te veel gedronken.’ Hij wendde zijn gezicht af.

‘Rust maar wat,’ zei Dunworthy. Hij trok voorzichtig zijn hand los. ‘Probeer wat te slapen.’

‘Blij dat u er was.’ Badri stak zijn hand weer uit.

Dunworthy hield zijn hand vast en keek beurtelings naar de slapende Badri en naar de monitoren. Achter de dichte gordijnen hoorde hij de regen tegen het venster tikken.

Hij besefte nu pas hoe slecht Badri eraan toe was. Hij had zich veel te druk om Kivrin gemaakt om zich om Badri te bekommeren. Misschien moest hij niet zo boos op Montoya en de anderen zijn. Zij hadden ook hun eigen beslommeringen en niemand had bij Badri’s ziekte stilgestaan, behalve voor zover die problemen en ongemak veroorzaakte. Zelfs Mary’s opmerkingen over een geïmproviseerde ziekenzaal in Bulkeley-Johnson en over het gevaar van een epidemie hadden hem niet doordrongen van de ernst van Badri’s toestand. Badri had zijn vaccins gehad en toch lag hij hier met een koorts van 39,9.

De avond verstreek. Dunworthy luisterde naar de regen en naar het slaan van de kwartieren door de klok van St. Hilda’s en, in de verte, van Christ Church. De hoofdzuster kwam met een grimmig gezicht melden dat haar dienst erop zat. Haar plaats werd ingenomen door een veel kleinere en opgewektere blonde zuster, een studente nog, die meteen het infuus en de displays kwam nakijken.

Badri kwam af en toe bij kennis, telkens met de grootst mogelijke inspanning. Elke keer leek hij uitgeputter te zijn en nog meer moeite te moeten doen om Dunworthy’s vragen te beantwoorden.

Dunworthy gunde hem geen rust. Het feest was een kerstbal in Headington geweest. Na afloop was Badri naar een pub gegaan, waarvan hij de naam niet meer wist. Maandagavond was hij alleen in het lab geweest om Puhalski’s coördinaten te controleren. Tegen de middag had hij de metro vanuit Londen genomen. Het was onbegonnen werk. Ze zouden onmogelijk al die passagiers en feestgangers kunnen opsporen, plus alle mensen die hij in Londen had ontmoet, zelfs al zou Badri hun namen kennen.

‘Hoe ben je vanmorgen naar Brasenose gegaan?’ vroeg Dunworthy toen Badri een tijdje later weer uit zijn roes bijkwam.

‘Vanmorgen?’ Badri keek naar het gordijn alsof hij dacht dat het alweer ochtend was. ‘Hoe lang heb ik geslapen?’

Dunworthy wist er geen antwoord op. Hij had de hele avond met tussenpozen geslapen. ‘Het is tien uur,’ zei hij, op zijn horloge kijkend. ‘We hebben je om halftwee naar het ziekenhuis gebracht. Vanochtend heb je het net bediend. Je hebt Kivrin laten doorgaan. Weet je nog wanneer je je niet goed begon te voelen?’

‘Welke datum is het?’ vroeg Badri ineens.

‘Tweeëntwintig december. Je bent hier nog maar een halve dag.’

‘Het jaar,’ zei Badri. Hij probeerde te gaan zitten. ‘Welk jaar is het?’

Dunworthy keek bezorgd naar de beeldschermen. Badri’s temperatuur was bijna 40,0. ‘Het is 2054.’ Hij boog zich over Badri om hem te kalmeren. ‘Het is tweeëntwintig december.’

‘Ga bij me vandaan,’ zei Badri.

Dunworthy ging rechtop staan en deed een stap terug.

‘Ga bij me vandaan,’ herhaalde Badri. Hij duwde zichzelf overeind en keek door de kamer. ‘Waar is Dunworthy? Ik moet hem spreken.’

‘Ik ben hier, Badri.’ Dunworthy kwam aarzelend dichterbij, bang dat hij Badri van streek zou maken. ‘Wat wilde je me zeggen?’

‘Weet u dan misschien waar hij is?’ zei Badri. ‘Wilt u hem dit briefje geven?’

Hij overhandigde hem een denkbeeldig stukje papier. Dunworthy besefte dat Badri dacht dat het dinsdagmiddag was, toen hij naar Balliol was gekomen.

‘Ik moet terug naar het net.’ Hij keek op zijn afwezige horloge. ‘Is het lab open?’

‘Waar wilde je Dunworthy over spreken?’ vroeg Dunworthy. ‘Over de verschuiving?’

‘Nee. Ga weg! Straks laat u het nog vallen. Het deksel!’ Hij keek Dunworthy recht aan, zijn ogen gloeiden van de koorts. ‘Waar wacht u nog op? Ga hem halen!’

De leerlingverpleegkundige kwam binnen.

‘Hij ijlt,’ zei Dunworthy.

Ze keek vluchtig naar Badri en vervolgens naar de displays. Dunworthy kreeg de zenuwen van de cijfers die in een razend tempo over de schermen vlogen of driedimensionaal zigzagden, maar de zuster leek zich er niet druk om te maken. Ze bekeek de uitslagen een voor een en begon bedaard het infuus wat bij te stellen.

‘Zullen we nu maar weer gaan liggen?’ zei ze, zonder Badri aan te kijken. Tot Dunworthy’s verbazing gehoorzaamde hij.

‘Ik dacht dat u weg was,’ zei Badri, met zijn hoofd op het kussen. ‘Goddank bent u er nog.’ Hij leek weer helemaal in te storten, maar gelukkig kon hij nu niet vallen.

De zuster had er geen erg in. Ze was nog steeds met het infuus bezig.

‘Hij is flauwgevallen,’ zei Dunworthy.

Ze knikte en begon gegevens in te voeren. Ze had geen oog voor Badri, wiens donkere huid een lijkbleke tint had aangenomen.

‘Moeten we er geen dokter bij halen?’ zei Dunworthy. De deur ging open en een lange vrouw in beschermende kleding kwam binnen.

Ook zij keek niet naar Badri. Ze bestudeerde de beeldschermen en vroeg: ‘Is het borstvlies aangedaan?’