‘Hij heeft cyanose en koude rillingen,’ zei de zuster.
‘Wat krijgt hij?’
‘Myxabravine.’
De arts pakte een stethoscoop die aan de muur hing en haalde de draad uit de knoop. ‘Geen hemoptysis?’
De zuster schudde haar hoofd.
‘Koud,’ zei Badri. De twee vrouwen schonken hem niet de minste aandacht. Badri begon te rillen. ‘Laat het niet vallen. Het was toch porselein?’
‘Geef hem vijftig cc penicilline-oplossing en een ASA-infuus,’ zei de arts. Ze liet Badri, die harder rilde dan ooit, rechtop in bed zitten en maakte het kleefband van zijn papieren nachthemd los. Ze zette de stethoscoop tegen Badri’s rug. Dunworthy vond het een hardhandige en onnodige straf.
‘Haal diep adem,’ zei de arts, haar blik op de monitor gericht. Badri gehoorzaamde klappertandend.
‘Lichte pleurale verstijving, linksonder,’ zei de arts cryptisch. Ze verschoof de stethoscoop met behulp van de liniaal. ‘Hier ook.’ Ze verplaatste het instrument nog een paar keer. ‘Heb je de uitslag al?’
‘Myxovirus,’ zei de zuster, die een spuit stond te vullen. ‘Type A.’
‘Sequentie?’
‘Nog niet.’ Ze stopte de spuit in de canule en drukte hem naar beneden. Ergens op de gang klonk een telefoon.
De arts maakte Badri’s nachthemd weer dicht, legde zijn hoofd op het kussen en trok de deken achteloos over zijn benen. ‘Doe een kleurtest,’ zei ze en ging de kamer uit. De telefoon rinkelde nog steeds.
Dunworthy had Badri graag behoorlijk toegedekt, maar de leerlinge hing een andere infuuszak aan de standaard. Hij wachtte tot ze was weggegaan, waarna hij het laken en de deken zorgvuldig over Badri’s schouders trok en de randen onder de matras stopte.
‘Zo beter?’ vroeg hij, maar Badri rilde al niet meer, hij was in slaap. Dunworthy keek naar de monitoren. De temperatuur was gedaald tot 39,2 en de eerst zo piekerige lijnen op de andere schermen waren afgevlakt en gelijkmatig.
De stem van de zuster klonk uit de wand. ‘Meneer Dunworthy, er is telefoon voor u. De heer Finch.’
Dunworthy deed de deur open. De zuster had haar beschermende kleding uitgedaan en beduidde hem hetzelfde te doen. Ze liet hem de kledingstukken in een grote wasmand doen. ‘Mag ik uw bril even?’ Hij gaf hem aan haar en ze spoot er een ontsmettingsmiddel op. Hij nam de hoorn op en tuurde naar het scherm.
‘Ik heb u overal gezocht, meneer Dunworthy,’ zei Finch. ‘Er is iets vreselijks gebeurd.’
‘Wat is er?’ zei Dunworthy. Hij keek op zijn horloge. Het was tien uur. Er kon nog niemand anders ziek zijn geworden als de incubatietijd twaalf uur bedroeg. ‘Is er iemand ziek?’
‘Nee, meneer. Het is nog erger, mevrouw Gaddson is in Oxford. Ik weet niet hoe, maar ze is het quarantainegebied binnengekomen.’
‘Dat weet ik, ze was met de laatste trein. Ze liet de deur openhouden.’
‘Hoe dan ook, ze belde net uit het ziekenhuis. Ze staat erop een kamer in Balliol te krijgen. Ze zei dat ik niet goed voor William had gezorgd omdat ik hem een verkeerde mentor had toegewezen; blijkbaar heeft zijn mentor hem opgedragen in de vakantie Petrarca te lezen.’
‘Zeg maar dat we geen plaats hebben, dat de slaapzalen ontsmet moeten worden.’
‘Dat heb ik gezegd, meneer, maar nu wil ze op de kamer van William. Dat wil ik hem niet aandoen, meneer.’
‘Nee,’ zei Dunworthy. ‘Sommige dingen mag je een ander niet aandoen, zelfs niet tijdens een epidemie. Heb je William verteld dat zijn moeder in aantocht is?’
‘Nee, meneer. Ik heb het geprobeerd, maar hij is niet aanwezig. Volgens Tom Gailey was hij op bezoek bij een jongedame in Shrewsbury, maar ook bij haar kreeg ik geen gehoor.’
‘Die zullen wel ergens Petrarca zitten te lezen,’ zei Dunworthy. Hij vroeg zich af wat er zou gebeuren als mevrouw Gaddson onderweg naar Balliol het nietsvermoedende stel tegen het lijf liep.
‘Dat lijkt me niet, meneer,’ zei Finch op zorgelijke toon. ‘Ik snap trouwens niet waarom zijn mentor hem Petrarca heeft opgegeven. Hij doet examen moderne literatuur.’
‘Nou goed, als mevrouw Gaddson verschijnt, stop je haar maar in Warren.’ De zuster hield op met het schoonmaken van zijn bril en keek hem scherp aan. ‘Dat is in elk geval aan de andere kant van de binnenplaats. Geef haar een kamer zonder uitzicht. En kijk of we genoeg huidzalf tegen de uitslag in huis hebben.’
‘Goed, meneer,’ zei Finch. ‘Ik heb de thesaurier van New College gesproken. Volgens haar heeft Basingame voor zijn vertrek gezegd dat hij niets aan zijn hoofd wilde hebben, maar ze dacht dat hij toch tegen iemand gezegd moest hebben waar hij heen ging en ze heeft beloofd zijn vrouw te bellen zodra de telefoons weer normaal te gebruiken zijn.’
‘Heb je naar hun ingenieurs gevraagd?’
‘Ja, meneer,’ zei Finch. ‘Die zijn allemaal voor de feestdagen naar huis gegaan.’
‘Wie van hen woont het dichtst bij Oxford?’
Finch dacht even na. ‘Dat moet Andrews zijn. In Reading. Wilt u zijn nummer hebben?’
‘Ja, en maak een lijstje voor me met de namen en adressen van de anderen.’
Finch noemde het nummer van Andrews. ‘Ik heb maatregelen genomen om iets aan het verbruik van wc-papier te doen. Ik heb overal briefjes opgehangen met daarop: verspilling leidt tot gebrek.’
‘Geweldig idee,’ zei Dunworthy. Hij verbrak de verbinding en draaide het nummer van Andrews. Dat was in gesprek.
De zuster gaf hem zijn bril en een andere steriele uitrusting. Hij zorgde ervoor eerst het neusmasker en pas daarna het kapje op te zetten en de handschoenen voor het laatst te bewaren. Toch duurde het nog vreselijk lang voor hij zich helemaal had aangekleed. Hij hoopte dat het de zuster heel wat minder tijd zou kosten als Badri ineens hulp nodig had.
Hij ging weer naar binnen. Badri lag nog in een rusteloze slaap. Hij keek naar de monitor die de temperatuur aangaf: 39,4.
Hij had hoofdpijn. Hij nam zijn bril af en wreef over het plekje tussen zijn ogen. Daarna ging hij op de klapstoel zitten en keek naar de lijst met contacten die hij tot dusver had opgesteld. Er zaten nog een heleboel lege vakken in de tabel. De naam van de pub waar Badri na het feest heen was gegaan. Waar hij maandagavond was geweest. En maandagmiddag. Hij was met de vroege middagtrein uit Londen gekomen en Dunworthy had hem opgebeld om te zeggen dat hij om halfdrie in het lab moest zijn. Er zat tweeënhalf uur tussen; waar had hij die doorgebracht?
En waar had hij dinsdagmiddag gezeten, nadat hij op Balliol een briefje had achtergelaten dat hij het net had gecontroleerd? Was hij teruggegaan naar het lab? Of naar een andere pub? Dunworthy vroeg zich af of iemand van Balliol met hem had gesproken. Zodra Finch weer belde om hem het laatste nieuws over het Amerikaanse bellenkoor en het wc-papier te vertellen, zou hij hem aan iedereen laten vragen of ze Badri hadden gezien.
De deur ging open en de leerlingverpleegster kwam binnen, gehuld in steriele kleding. Dunworthy keek onwillekeurig naar de monitoren, maar hij zag geen dramatische veranderingen. Badri was nog in slaap. De zuster voerde enkele gegevens in, keek het infuus na en trok een punt van de deken recht. Ze ging naar het raam en deed het gordijn open. Ze bleef staan en friemelde aan de koordjes van het gordijn.
‘Ik hoorde toevallig wat u aan de telefoon zei,’ zei ze. ‘U had het over mevrouw Gaddson. Ik weet dat het erg onbeleefd is, maar was dat misschien de moeder van William Gaddson over wie u het had?’
‘Ja,’ zei hij verwonderd. ‘William is een van onze studenten in Balliol. Kent u hem?’
‘Hij is een vriend van me.’ Hij zag haar hevig blozen achter haar doorzichtige neusmasker.
‘Juist ja,’ zei Dunworthy. Hij vroeg zich af of William nog wel aan Petrarca zou toekomen. ‘Williams moeder is hier in het ziekenhuis.’ Hij vond dat hij haar moest waarschuwen, maar voor wie eigenlijk? ‘Ik geloof dat ze hem met de kerstdagen wil bezoeken.’