Выбрать главу

‘Is ze hier?’ zei de zuster, die nog roder aanliep. ‘Ik dacht dat er quarantaine was.’

‘Ze had de laatste trein uit Londen,’ zei Dunworthy bedrukt.

‘Weet William ervan?’

‘Mijn secretaris probeert hem te bereiken,’ zei hij, zonder iets over de jongedame in Shrewsbury te verklappen.

‘Hij zit in de bibliotheek Petrarca te lezen,’ zei ze. Ze liet het gordijnkoord los en ging weg, ongetwijfeld om de bibliotheek te bellen.

Badri bewoog en mompelde iets onverstaanbaars. Er zaten rode vlekken op zijn wangen en hij leek moeite te hebben met ademen.

‘Badri?’ zei Dunworthy.

Badri deed zijn ogen open. ‘Waar ben ik?’ zei hij.

Dunworthy keek naar de beeldschermen. De koorts was een halve graad gedaald en Badri maakte een wat helderder indruk.

‘In het ziekenhuis,’ zei hij. ‘Je bent ingestort toen je in het lab van Brasenose met het net bezig was. Weet je dat nog?’

‘Ik voelde me zo raar,’ zei Badri. ‘Koud. Ik ben naar de pub gegaan om u het resultaat te vertellen…’ Er kwam een vreemde, starre uitdrukking op zijn gezicht.

‘Je zei dat er iets mis was,’ zei Dunworthy. ‘Wat dan? Iets met de tijdverschuiving?’

‘Iets mis,’ herhaalde Badri. Hij probeerde op een elleboog te steunen. ‘Wat is er met me?’

‘Je bent ziek,’ zei Dunworthy. ‘Je hebt griep.’

‘Ziek? Ik ben nog nooit ziek geweest.’ Hij ging moeizaam overeind zitten. ‘Ze zijn dood, niet?’

‘Wie?’

‘Ze zijn er allemaal aan gestorven.’

‘Heb je iemand gezien, Badri? Het is belangrijk. Heeft nog iemand anders het virus?’

‘Virus?’ zei hij, met hoorbare opluchting in zijn stem. ‘Heb ik een virus?’

‘Ja, een soort griepvirus. Het is niet zo ernstig. Ze hebben je antimicrobia gegeven en er wordt aan een gericht medicijn gewerkt. Je bent er zo weer bovenop. Weet je wie jou heeft aangestoken? Heeft iemand anders het virus?’

‘Nee.’ Hij legde zijn hoofd weer op het kussen. ‘Ik dacht… O!’ Hij keek Dunworthy geschrokken aan. ‘Er is iets mis,’ zei hij radeloos.

‘Wat is er?’ Dunworthy stak zijn hand uit naar de zoemer.

Badri’s ogen waren groot van angst. ‘Het doet zo’n pijn!’

Dunworthy drukte op de knop. De zuster en een mannelijke arts kwamen onmiddellijk de kamer in. De arts pakte de ijskoude stethoscoop en begon Badri te onderzoeken.

‘Hij zei dat hij het koud had,’ zei Dunworthy. ‘En hij heeft ergens pijn.’

‘Waar doet het pijn?’ vroeg de arts met een blik op een van de schermen.

‘Hier,’ zei Badri. Hij drukte een hand op de rechterkant van zijn borst. Hij begon weer te rillen.

‘Pleuritis, rechtsonder,’ zei de arts.

‘Pijn als ik ademhaal,’ zei Badri klappertandend. ‘Er is iets mis.’

Iets mis. Hij had het niet over de lokalisatie, hij bedoelde dat er iets mis was met hemzelf. Hoe oud was hij? Ongeveer van Kivrins leeftijd? Bijna twintig jaar geleden waren de eerste vaccins tegen rhinovirussen ontwikkeld. Het was heel goed mogelijk dat hij nog nooit ziek was geweest, zelfs niet verkouden, zoals hij had gezegd.

‘Zuurstof?’ vroeg de zuster.

‘Nog niet.’ De arts ging naar de deur. ‘Begin met tweehonderd eenheden chloramfenicol.’

De zuster legde Badri’s hoofd weer op het kussen, hing een nieuw infuuszakje aan de standaard en bleef een tijdje staan wachten terwijl Badri’s temperatuur daalde. Daarna ging ze weg.

Dunworthy keek door het raam naar de regen. Badri zei dat hij zich zo raar had gevoeld. Niet ziek, raar. Iemand die zelfs nooit verkouden was geweest, zou niet weten wat er aan de hand was als hij ineens koorts en koude rillingen kreeg. Misschien was Badri daarom het lab uitgerend en naar de pub gegaan. Hij wilde het tegen Dunworthy zeggen. Er is iets mis.

Dunworthy zette zijn bril af en wreef over zijn ogen, die staken door het ontsmettingsmiddel. Hij voelde zich uitgeput. Hij had gezegd dat hij geen rust kon vinden tot hij wist dat alles in orde was met Kivrin. Badri lag te slapen, rustiger ademend door de onpersoonlijke toverkunst van de arts. En Kivrin lag nu ook te slapen, in een vlooienbed zevenhonderd jaar geleden. Of misschien was ze wakker en maakte ze indruk op de middeleeuwers met haar tafelmanieren en haar vuile nagels, of lag ze op haar knieën op een smerige stenen vloer en sprak ze haar belevenissen in de recorder in.

Hij moest in slaap zijn gedommeld. Hij droomde dat hij een telefoon hoorde rinkelen. Het was Finch, die hem vertelde dat de Amerikanen met een proces dreigden omdat er te weinig wc-papier was en dat de dominee had gebeld om de tekst uit de Schrift door te geven. ‘Mattheüs 2, vers 11,’ zei Finch. ‘Verspilling leidt tot gebrek.’ Op dat moment deed de zuster de deur open en zei dat Mary hem wilde spreken op de eerstehulp.

Hij keek op zijn horloge. Het was tien voor halfvijf. Badri was nog steeds in slaap, met een bijna vredige uitdrukking op zijn gezicht. De zuster stond op de gang te wachten met een fles ontsmettingsmiddel en zei dat hij de lift kon gebruiken.

De stank van het middel hielp hem bij te komen uit zijn verdoving en hij was bijna wakker toen hij op de begane grond kwam. Mary wachtte hem op, gehuld in een steriel uniform. ‘We hebben een tweede patiënt,’ zei ze, terwijl ze hem een nieuw pakje kleren gaf. ‘Ze is hier gestrand vanwege de quarantaine. Ze heeft inkopen gedaan in de High. Misschien herken jij haar.’

Hij trok zijn uitrusting even onhandig aan als de eerste keer en scheurde bijna de jas open toen hij het kleefband niet zo gauw loskreeg. ‘Er waren tientallen mensen aan het winkelen.’ Hij trok de handschoenen aan. ‘Ik keek alleen naar Badri. Het lijkt me sterk dat ik iemand anders herken.’

‘Dat weet ik,’ zei Mary. Ze ging hem voor door de gang naar de eerstehulpafdeling. Het scheen jaren geleden dat hij hier voor het laatst was geweest.

Een paar verpleegkundigen, allemaal onherkenbaar in hun steriele uitmonstering, rolden een brancard door de gang. Een arts stelde vragen aan een magere, angstig kijkende vrouw in een natte jas en een even natte regenhoed.

‘Ze heet Beverly Breen,’ zei de vrouw met dunne stem. ‘Ze woont in Surbiton, Plover Way 226. Ik wist dat er iets niet in orde was. Ze zei de hele tijd dat we de trein naar Northampton moesten hebben.’

De vrouw had een paraplu en een handtas bij zich. Toen de arts naar het registratienummer van de patiënte vroeg, zette ze de paraplu tegen de balie en maakte de tas open.

‘Ze is net binnengebracht van het station, waar ze last had van hoofdpijn en duizeligheid,’ zei Mary. ‘Ze stond in de rij te wachten om ergens ondergebracht te worden.’

Ze hield de verpleegkundigen met de brancard tegen en trok de deken een eindje naar beneden, zodat Dunworthy haar beter kon bekijken. Het was niet nodig.

De vrouw met de natte jas had de kaart gevonden. Ze gaf hem aan de arts, pakte de paraplu, de tas en een stapeltje bontgekleurde formulieren en nam alles mee naar de brancard. Het was een grote paraplu, bedrukt met lila viooltjes.

‘Badri botste tegen haar op toen hij terugging naar het lab,’ zei Dunworthy.

‘Weet je dat absoluut zeker?’ zei Mary.

Hij wees naar de andere vrouw, die was gaan zitten om haar formulieren in te vullen. ‘Ik herken die paraplu.’

‘Hoe laat was dat?’

‘Ik weet het niet zeker. Halftwee?’

‘Wat gebeurde er? Raakte hij haar aan?’

‘Hij liep pardoes tegen haar aan,’ zei Dunworthy. Hij probeerde het zich voor de geest te halen. ‘Hij liep tegen de paraplu aan en verontschuldigde zich. Ze werd nogal boos. Hij raapte de paraplu op en gaf hem aan haar.’

‘Heeft hij gehoest of geniest?’

‘Dat weet ik niet meer.’

De vrouw werd naar de afdeling gebracht. Mary ging staan. ‘Ze moet naar de isolatie,’ zei ze, achter de brancard aan lopend.