De andere vrouw stond op. Een van de formulieren viel op de grond en ze klemde de andere onhandig tegen haar borst. ‘De isolatie?’ zei ze geschrokken. ‘Wat heeft ze?’
‘Volgt u mij maar.’ Mary nam haar en de paraplu mee voor onderzoek en ontsmetting, voordat Dunworthy de kans kreeg te vragen of hij hier moest blijven wachten. Hij wilde het aan de receptioniste vragen, maar bedacht zich en liet zich vermoeid op een van de stoelen tegen de muur zakken. Op de stoel naast hem lag een folder, getiteld: ‘Het belang van een goede nachtrust.’
Hij had pijn in zijn nek door het ongemakkelijke dommelen op het klapstoeltje en zijn ogen brandden weer. Hij zou weer naar Badri kunnen gaan, maar hij zag er tegenop zich weer helemaal te moeten omkleden. En hij had niet de moed Badri te wekken om hem te vragen wie er straks nog meer met een temperatuur van 39,5 naar het ziekenhuis gebracht zouden worden.
Kivrin zou daar in elk geval niet bij zijn. Het was halfvijf. Badri was om halftwee tegen de vrouw met de lila paraplu aangelopen. Dat wees op een incubatietijd van vijftien uur, en vijftien uur geleden was Kivrin volledig immuun geweest.
Mary kwam terug, zonder hoofdkapje. Haar neusmasker bungelde tegen haar hals. Haar haar zat in de war en ze zag er net zo uitgeput uit als Dunworthy zich voelde.
‘Mevrouw Gaddson mag naar huis,’ zei ze tegen de zuster achter de balie. ‘Ze moet hier om zeven uur weer zijn voor een bloedtest.’ Ze ging naar Dunworthy toe. ‘Ik was haar straal vergeten,’ zei ze met een glimlach. ‘Ze was nogal ontstemd. Ze dreigde met een proces wegens wederrechtelijke vrijheidsberoving.’
‘Dan moet ze lid worden van mijn bellenkoor. Die willen naar de rechter stappen wegens contractbreuk.’
Mary fatsoeneerde haar haar. ‘Het Wereld Influenza Centrum heeft het influenzavirus geïdentificeerd.’ Ze stond op, plotseling gegrepen door een vlaag van nieuwe energie. ‘Ik kan wel een kop thee gebruiken,’ zei ze. ‘Kom.’
Dunworthy keek naar de vrouw achter de balie, die hen nauwlettend in het oog hield, en hees zichzelf overeind.
‘Ik ben in de wachtkamer bij de OK,’ zei Mary tegen de vrouw.
‘Neem me niet kwalijk, dokter,’ zei de vrouw aarzelend. ‘Ik hoorde toevallig wat u zei…’
Mary verstrakte.
‘U zei dat mevrouw Gaddson naar huis mocht en daarna hoorde ik de naam “William” vallen, nu vroeg ik me af of zij de moeder van William Gaddson is.’
‘Ja?’ zei Mary verwonderd.
‘Bent u een vriendin van William?’ zei Dunworthy. Hij vroeg zich af of ze net zo zou gaan blozen als de blonde leerlinge.
Dat deed ze. ‘Ik heb hem tijdens de vakantie beter leren kennen. Hij is hier gebleven om Petrarca te lezen.’
‘Onder andere,’ zei Dunworthy. Hij liet de receptioniste blozend achter en nam Mary mee naar de geïsoleerde wachtkamer.
‘Wat had dat in hemelsnaam te betekenen?’ vroeg ze.
‘Onze ziekelijke William kan nog veel beter voor zichzelf zorgen dan we dachten,’ zei hij en deed de deur van de wachtkamer open.
Mary deed het licht aan en ging naar de theewagen. Ze schudde de snelkoker heen en weer en nam hem mee naar het toilet. Dunworthy ging zitten. Iemand had de lage tafel ontruimd en weer op zijn plaats geschoven. Mary’s boodschappentas lag nog midden in de kamer. Hij bukte en nam hem mee naar een van de stoelen.
Mary kwam terug met de ketel, die ze neerzette en inschakelde. ‘Ben je van Badri nog iets te weten gekomen?’ vroeg ze.
‘Dat wel, maar of we er iets aan hebben? Hij is gisteravond naar een kerstbal in Headington geweest, heen en terug met de metro. Hoe erg is hij eraan toe?’
Mary pakte twee theezakjes en deed die in de kopjes. ‘Er is alleen poedermelk. Weet je of hij de laatste tijd contact heeft gehad met iemand uit de Verenigde Staten?’
‘Nee, hoezo?’
‘Wil je suiker?’
‘Hoe erg is hij eraan toe?’
Ze deed wat poedermelk in de kopjes. ‘Het slechte nieuws is dat Badri erg ziek is.’ Ze deed er suiker bij. ‘Hij heeft zijn vaccins van de universiteit gekregen, die strengere eisen stelt dan het ministerie. Hij zou volledig beschermd moeten zijn tegen vijfpunts-mutaties en gedeeltelijk tegen tienpunts. Maar hij vertoont alle symptomen van influenza, wat op een nog ingrijpender mutatie wijst.’
De ketel begon te gillen. ‘Dat betekent dat we met een epidemie te maken krijgen.’
‘Ja.’
‘Een pandemie?’
‘Misschien wel. Als het WIC het virus niet snel genoeg kan analyseren, of als de dokters ziek worden, of de quarantaine niet effectief is.’
Ze schakelde de snelkoker uit en schonk het hete water in hun kopjes. ‘Het goede nieuws is, dat het virus volgens het WIC uit South Carolina komt.’ Ze gaf Dunworthy zijn kopje. ‘In dat geval is het virus niet alleen goed bekend, maar bestaat er ook een vaccin tegen. Antimicrobia zijn een werkzaam medicijn en als de symptomen goed worden behandeld, is het virus niet dodelijk.’
‘Hoe lang is de incubatietijd?’
‘Twaalf tot achtenveertig uur.’ Ze leunde tegen de theewagen en nam een slokje thee. ‘Het WIC stuurt bloedmonsters naar het Epidemiologisch Centrum in Atlanta, dat aanbevelingen voor de behandeling zal doen.’
‘Hoe laat is Kivrin maandag voor haar vaccinatie naar het ziekenhuis gegaan?’
‘Ze was hier om drie uur,’ zei Mary, ‘en ze is tot negen uur de volgende ochtend gebleven. Ik heb haar hier gehouden om te zorgen dat ze goed sliep.’
‘Badri zegt dat hij haar gisteren niet heeft gezien,’ zei Dunworthy, ‘maar misschien heeft hij haar maandag nog gesproken voordat ze naar het ziekenhuis ging.’
‘James, ze loopt alleen gevaar als ze voor de inenting blootgesteld is geweest en het virus ook nog de kans heeft gekregen zich ongeremd te vermenigvuldigen,’ zei Mary. ‘Zelfs al heeft ze Badri maandag of dinsdag gezien, ze heeft minder kans om de ziekteverschijnselen te vertonen dan jij.’ Ze keek hem ernstig aan over haar theekopje. ‘Je maakt je geloof ik nog steeds zorgen over de lokalisatie.’
Hij schudde zwak zijn hoofd. ‘Badri zegt dat hij de coördinaten van de stagiair heeft nagerekend en dat alles in orde was. En hij had eerder al tegen Gilchrist gezegd dat de verschuiving minimaal was.’ Het speet hem dat Badri geen antwoord had gegeven toen hij hem naar de tijdverschuiving vroeg.
‘Wat kan er dan nog mis zijn gegaan?’ vroeg Mary.
‘Ik weet het niet. Niets. Behalve dat ze helemaal alleen in de middeleeuwen rondhangt.’
Mary zette haar kopje op de wagen. ‘Ze zit daar misschien wel zo veilig. We zullen hier heel wat patiënten krijgen. Influenza verspreidt zich als een lopend vuurtje en dat wordt door de quarantaine alleen maar erger. Artsen en verpleegkundigen komen altijd het eerste met de zieken in aanraking. Als zij ook ziek worden of als er niet genoeg antimicrobia zijn, wordt onze eeuw ook te gevaarlijk om naartoe te reizen.’
Ze streek vermoeid over haar verwarde haar. ‘Sorry, ik ben alleen zo moe. We leven niet in de middeleeuwen, niet eens in de twintigste eeuw. We hebben metabolica en allerlei hulpmiddelen. Als dit bovendien het South Carolina-virus is, dan is er ook al een analogon en een vaccin. Maar ik ben toch blij dat Colin en Kivrin er niet zijn.’
‘Veilig in de middeleeuwen,’ zei Dunworthy.
Mary keek hem glimlachend aan. ‘Tussen de moordenaars.’
De deur werd opengegooid. Een tamelijk flinke blonde jongen met grote voeten en een dikke winterjas kwam de kamer in. Water drupte van zijn jas op de grond.
‘Colin!’ zei Mary.
‘Dus hier zat u,’ zei Colin. ‘Ik heb u overal gezocht.’
Meneer Dunworthy, ad adjuvandum me festina.{Vertaling: kom mij snel te hulp.}