Выбрать главу

Tweede boek

Midden in de grauwe winter Drong ijzige wind door merg en been; Aarde hard als ijzer, Water hard als steen. Sneeuw was gevallen, sneeuw op sneeuw, Sneeuw op sneeuw, Midden in de grauwe winter, Lang geleden, in vroeger eeuw.
CHRISTINA ROSSETTI

10

Het vuur was uit. Er hing nog steeds rook in de kamer, maar dat moest van de haard komen. Geen wonder, dacht Kivrin, schoorstenen kwamen in Engeland pas laat in de veertiende eeuw in gebruik en het is nu pas 1320. En zodra ze die gedachte had gevormd, drong ook al het andere tot haar door. Het is 1320 en ik ben ziek geweest. Ik heb koorts gehad.

Verder dacht ze een tijdje niet na. Het was heerlijk om hier zo te blijven liggen. Ze voelde zich uitgeput, alsof ze een vreselijke krachtproef had doorstaan die al haar energie had opgeslokt. Ik geloofde echt dat ik op de brandstapel stond, dacht ze. Ze herinnerde zich haar verzet en de vlammen die opschoten om haar handen en haar te verbranden.

Ze moesten mijn haar afsnijden, dacht ze, maar ze wist niet of dat echt was gebeurd of dat het alleen maar een droom was geweest. Ze was te moe om aan haar hoofd te voelen, te moe om het zich te herinneren. Ik ben heel erg ziek geweest, dacht ze. Ze gaven me de laatste sacramenten. ‘Je hebt niets te vrezen,’ had de man gezegd. ‘Je gaat weer naar huis.’ Requiescat in pace. En ze had geslapen.

Toen ze weer ontwaakte, was het donker in de kamer en heel in de verte hoorde ze een klok luiden. Ze had het idee dat het al heel lang aan de gang was, net als het luiden van die ene klok toen ze doorkwam, maar even later hoorde ze een tweede en een derde klok, zo dichtbij dat de andere erdoor werden overstemd. Dat is voor de metten, dacht Kivrin. Ze meende het al eens eerder gehoord te hebben, een hortend en onregelmatig geluid met hetzelfde ritme als het kloppen van haar hart, maar dat was onmogelijk.

Het moest een droom zijn geweest. Ze had gedroomd dat ze op de brandstapel stond. Ze had gedroomd dat haar haar werd afgesneden. Ze had gedroomd dat de mensen een taal spraken die ze niet verstond.

De klok dichtbij verstomde en de andere gingen nog een tijdje door, alsof ze blij waren dat ze nu gehoord konden worden, en Kivrin kon zich ook dat herinneren. Hoe lang was ze hier al? Het was donker geweest en nu was het ochtend. Ze dacht dat het maar één nacht was geweest, maar nu herinnerde ze zich de gezichten die zich over haar heen bogen. Een vrouw had haar laten drinken en daarna was de priester gekomen, samen met de moordenaar, en ze had hun gezichten duidelijk kunnen zien, niet gehinderd door het flakkeren van kaarslicht. Daarvoor en daarna was het weer donker geweest, met het rokerige licht van talklampen en telkens had ze de klokken gehoord.

Ze dacht geschrokken na. Hoe lang lag ze hier al? Misschien waren er weken voorbijgegaan en had ze het rendez-vous al gemist. Maar dat was onmogelijk. Je bleef geen weken buiten kennis, zelfs niet als je tyfus had, en zij had geen tyfus. Ze was ingeënt.

Het was koud in de kamer, alsof het vuur in de loop van de nacht was uitgegaan. Ze wilde de deken optrekken en meteen kwamen er uit het donker handen die iets zachts over haar heen legden.

‘Dank je,’ zei Kivrin en viel in slaap.

Ze werd wakker van de kou en ze dacht dat ze maar heel even had geslapen, hoewel het niet meer helemaal donker in de kamer was. Licht viel door een smalle opening in de stenen muur. Het luik voor het venster was geopend en daardoor kwam ook de kou naar binnen.

Een vrouw stond op haar tenen op de stenen bank en hing een doek voor de opening. Ze droeg een zwarte pij met op haar hoofd een witte kap en een mutsje. Even dacht Kivrin dat ze in een nonnenklooster was, tot ze zich herinnerde dat getrouwde vrouwen in de veertiende eeuw hun haar bedekten. Alleen ongehuwde meisjes hadden hun haren los en onbedekt.

De vrouw leek niet oud genoeg om getrouwd te zijn, of een non. Ze was niet dezelfde als de vrouw die haar te drinken had gegeven, die was veel ouder geweest. Kivrin herinnerde zich de ruwe en gerimpelde handen en de stem, hees van ouderdom, hoewel ook dat misschien maar een deel van haar koortsdroom was geweest.

Kivrin keek naar de vrouw die in het licht bij het venster stond. De witte kap was vergeeld en ze droeg geen pij, maar een lang kleed net als Kivrin, met een donkergroene overmantel. Het kleed was onbeholpen geverfd en leek wel van een jutezak te zijn gemaakt, met een grove inslag die zelfs in het zwakke licht duidelijk was te zien. De vrouw moest een dienstmaagd zijn, alleen droegen die geen linnen hoofdkap en ze hadden ook niet zo’n grote sleutelbos aan hun riem hangen als deze vrouw. Ze moest dan toch een zekere positie hebben, misschien als huishoudster.

En dat betekende dat Kivrin in een aanzienlijk huis terecht was gekomen. Waarschijnlijk niet in een kasteel, want de muur waartegen het bed stond was van ruw hout en niet van steen, maar vermoedelijk het landgoed van een hoge edelman, een baron of nog hoger. Ze lag niet op de grond maar in een echt bed, met een houten onderstel en gordijnen en stijve linnen lakens en een bontsprei. Op de stenen bank onder het venster lagen geborduurde kussens.

De vrouw knoopte de doek vast aan de kleine stenen uitsteeksels aan weerskanten van de smalle opening, stapte van de bank af en bukte zich om iets te pakken. Kivrin kon niet zien wat het was, want de gordijnen rond haar bed hingen in de weg. Ze waren bijna even dik als tapijten en met een koord aan de bedposten vastgebonden.

De vrouw ging rechtop staan. Ze had een houten kom in haar hand. Met haar vrije hand tilde ze haar rokken op, waarna ze op de bank ging staan en een stroperige stof uit de kom op de doek begon te smeren. Olie, dacht Kivrin. Of nee, was. In was gedrenkt linnen werd als vensterglas gebruikt. Glas zou in de veertiende eeuw in huizen van de adel al heel gewoon geweest moeten zijn. De edelen zouden zelfs ramen met de rest van hun bagage en meubelen hebben meegenomen van hun ene verblijf naar het andere.

Dit moet ik vastleggen, dacht Kivrin. Sommige landhuizen hadden geen glas voor de ramen. Ze drukte haar handen tegen elkaar en bracht ze naar haar mond, maar het was te vermoeiend om ze daar te houden en ze liet ze weer terugzakken op de deken.

De vrouw keek even naar het bed voor ze verder ging met haar werk. Ze bestreek de doek met lange, onzorgvuldige halen. Ik ben aan de beterende hand, dacht Kivrin. Al die tijd is er iemand vlak bij me geweest. Ze vroeg zich opnieuw af hoe lang ze hier al lag. Ik moet het uitzoeken, dacht ze, en daarna moet ik de kar terugvinden.

Het kon niet ver weg zijn. Als dit het dorp was waar ze naartoe had gewild, lag het rendez-vous op nog geen twee kilometer afstand. Ze probeerde zich te herinneren hoe lang de tocht naar het dorp had geduurd. Heel erg lang, scheen het. De moordenaar had haar op een wit paard met belletjes aan zijn toom gezet. Maar hij was geen moordenaar, hij was een jonge man met een vriendelijk gezicht en rood haar.

Ze moest de naam van het dorp waar ze naartoe was gebracht vragen, hopelijk was het Skendgate. Maar ook al was het een ander dorp, dan nog kon de kar niet ver uit de buurt zijn. En zodra ze weer wat was aangesterkt, kon ze natuurlijk vragen of ze haar naar de kar wilden brengen.

Wat is de naam van dit dorp waar ik naartoe ben gebracht? Gisteravond kon ze niet op de woorden komen, maar dat lag natuurlijk aan de koorts. Ze had er nu geen moeite mee. Ze had maanden met Latimer op haar uitspraak geoefend. Ze zouden haar zeker begrijpen als ze vroeg: ‘In whatte londe am I?’ of zelfs: ‘Whatte be thisse holding?’ En zelfs als ze een plaatselijk dialect spraken, zou de tolk haar automatisch corrigeren.