‘Whatte place hast thou brotte me?’ zei Kivrin.
De vrouw draaide zich geschrokken om. Met de kom en borstel in haar handen stapte ze van de bank en ging naar het bed. Kivrin zag nu dat ze geen borstel gebruikte, maar een hoekige houten lepel, bijna plat.
‘Gottebae plaise tthar tleve,’ zei de vrouw, kom en lepel tegen haar borst gedrukt. ‘Beth naught agast.’
De computer zou de woorden onmiddellijk moeten vertalen. Misschien zat Kivrin er met haar uitspraak helemaal naast en dacht de vrouw dat ze een vreemde taal sprak, zodat ze in gebrekkig Frans of Duits antwoord probeerde te geven.
‘Whatte place hast thou brotte me?’ zei Kivrin langzaam, om de tolk de tijd te geven haar woorden te vertalen.
‘Wick londebay yae comen lawdayke awtreen godelae deynorm andoar sic straunguwlondes. Spekefaw eek waenoot awfthy taloorbrede.’
‘Lawyes sharess loostee?’ klonk een andere stem.
De vrouw draaide haar hoofd om naar een voor Kivrin onzichtbare deur. Een oudere vrouw kwam de kamer in, veel ouder, met onder haar kap een gerimpeld gezicht en met de ruwe en oude handen die Kivrin zich van haar koortsdroom herinnerde. Ze droeg een zilveren halsketting en had een klein leren doosje in haar handen. Het leek op het kistje dat Kivrin had meegebracht, maar het was nog kleiner en met ijzer in plaats van met koper beslagen. De vrouw zette het neer op de stenen bank.
‘Auf specheryit darmayt?’
Ook de stem kon ze zich herinneren, schor en met een venijnige ondertoon. Ze behandelde de jongere vrouw als een bediende. Dat was ze dan misschien ook en zelf was ze de vrouw des huizes, hoewel haar kap niet witter en de stof van haar kleed niet fijner was. Maar ze had geen sleutels aan haar ceintuur en Kivrin herinnerde zich nu dat het niet de huishoudster, maar de vrouw des huizes was die de sleutels bij zich had.
De oude vrouw was gekleed in vergeeld linnen en lelijk geverfde jute, wat betekende dat Kivrin helemaal de verkeerde kleren had aangetrokken, net zo verkeerd als Latimers uitspraak of de bewering van dokter Ahrens dat ze geen middeleeuwse ziekten kon krijgen.
‘Ik ben ingeënt,’ mompelde ze. De twee vrouwen keken naar haar.
‘Ellavih swot wardesdoor feenden iss?’ vroeg de oude dame scherp. Was zij de moeder van de ander, de schoonmoeder, of de oppas? Kivrin had er geen idee van. Ze kon geen van de woorden begrijpen, nog geen eigennaam of aanspreekvorm onderscheiden.
‘Maetinkerr woun dabest wexe hoordoumbe,’ zei de jonge vrouw. De ander antwoordde: ‘Nor nayte bawcows derouthe.’
Onbegrijpelijk. Kortere zinnen zouden gemakkelijker te vertalen moeten zijn, maar Kivrin kon niet eens zeggen of de zin uit één woord of uit meerdere bestond.
De jonge vrouw tilde boos haar kin op in haar strakke kap. ‘Certessan, shreevadwomn wolde nadae seyvous,’ zei ze scherp.
Kivrin vroeg zich af of de twee over haar aan het kibbelen waren. Met haar zwakke handen duwde ze tegen de deken, alsof ze uit de buurt probeerde te komen. De jonge vrouw zette de kom met de lepel neer en kwam onmiddellijk naar het bed.
‘Spaegun yovor tongawn glais?’ zei ze. Het kon net zo goed ‘Goedemorgen’ als ‘Voelt u zich beter?’ of ‘Je gaat morgenochtend naar de brandstapel’ betekenen. Misschien kwam het door de ziekte dat de vertaalcomputer niet werkte. Misschien zou ze alles kunnen verstaan als de koorts eenmaal was gezakt.
De oude vrouw knielde bij het bed neer, nam het zilveren doosje dat aan haar halsketting hing tussen haar gevouwen handen en begon te bidden. De ander boog zich over Kivrin om naar haar slaap te kijken en voelde aan haar achterhoofd. Kivrin besefte dat de wond aan haar slaap was verbonden. Ze voelde aan het verband en legde haar hand tegen haar hals. Haar verwarde krullen waren verdwenen, het haar eindigde net onder haar oren.
‘Vae motten tiyez thynt,’ zei de jonge vrouw bezorgd. ‘Far thotyiwort wount sorr.’ Ze probeerde Kivrin iets uit te leggen. Kivrin begreep het niet en toch ook weer wel. Ze was erg ziek geweest, zo ziek dat ze dacht dat haar haar in brand stond. Ze herinnerde zich dat ze wild op haar eigen hoofd had geslagen om de vlammen te doven, en dat iemand — de oude dame? — haar handen had vastgehouden. Het enige wat ze konden doen, was haar haar afsnijden.
Kivrin had een hekel gehad aan die grote bos weerbarstig haar, die ze eindeloos moest borstelen. Ze wist niet of vrouwen in de middeleeuwen vlechten droegen of niet en ze was bang dat het smerig zou worden als ze het twee weken niet kon wassen. Ze zou blij moeten zijn dat ze het kwijt was, maar ze kon alleen maar aan Jeanne d’Arc denken; die had kort haar gehad en was naar de brandstapel gevoerd.
De jonge vrouw ging rechtop staan en keek haar met een angstig gezicht aan. Kivrin glimlachte zwakjes naar haar, en ze lachte terug. Ze miste twee tanden aan de rechterkant en de tand naast die opening was bruin, maar als ze lachte leek ze net een eerstejaars.
Ze maakte het verband om Kivrins hoofd los en legde het op de deken. Het was van hetzelfde vergeelde linnen als haar mutsje, in gerafelde repen gescheurd en onder de bruinrode vlekken. Kivrin had meer bloed verloren dan ze ooit had kunnen denken. Haar wond moest weer zijn opengegaan.
De vrouw betastte zenuwachtig Kivrins slaap, alsof ze niet goed wist wat ze moest beginnen. ‘Vexeyaw hongroot?’ zei ze. Ze legde een hand in Kivrins nek en tilde haar hoofd op.
Kivrins hoofd voelde heel licht aan. Dat kwam natuurlijk doordat ze haar haar kwijt was, dacht ze.
De oude dame gaf een houten kom aan de dienstmaagd, die hem aan Kivrins mond zette. Kivrin nam voorzichtig een slokje, bang dat het dezelfde kom was waarin de was had gezeten. Dat was niet zo en het was ook niet het drankje dat ze eerder had gekregen. Het was een dunne, korrelige pap, niet zo bitter als het drankje, maar met een vette nasmaak.
‘Thasholde nayive gros vitaille towayte,’ zei de oude vrouw, met een schorre stem vol ongeduld en kritiek.
Ja, dat moet de schoonmoeder zijn, dacht Kivrin.
‘Shimote lese hoor fource,’ antwoordde de jongere vrouw rustig.
De pap smaakte goed. Kivrin probeerde de kom leeg te maken, maar al na een paar slokken voelde ze zich uitgeput.
De jonge vrouw gaf de kom aan de dame, die naast haar was komen staan, en legde Kivrins hoofd voorzichtig weer op het kussen. Ze pakte het bloederige verband, betastte Kivrins slaap alsof ze van plan was de doek er weer omheen te doen en gaf het tenslotte aan de oude vrouw. Die legde het verband op het kistje dat ze bij het bed op de grond had geplaatst en zette de kom ernaast.
‘Lo, liggethsteallouw,’ zei de jonge vrouw met haar verbrokkelde glimlach. Haar toon sprak boekdelen, ook al kon Kivrin geen enkel woord onderscheiden. Ze moest gaan slapen. Ze deed haar ogen dicht.
‘Durmidde shoalausbrekkeynow,’ zei de oude dame. Beide vrouwen gingen de kamer uit en deden de deur achter zich dicht.
Kivrin herhaalde de klanken langzaam en in stilte om een woord te herkennen. De tolk zou niet alleen Middelengelse woorden opslaan, maar haar ook in staat moeten stellen sneller fonemen en een bepaalde zinsbouw te onderscheiden, maar wat Kivrin betrof konden de vrouwen net zo goed Servo-Kroatisch hebben gesproken.
Misschien was dat ook wel zo, dacht ze. Wie weet waar ze me naartoe gebracht hebben? Ik was buiten westen. Misschien heeft de moordenaar me met een boot over het Kanaal gebracht. Dat was natuurlijk onmogelijk. Ze herinnerde zich nog veel van de nachtelijke reis, ook al waren het stukken en brokken, als van een droom. Ik viel van het paard, dacht ze, en de man met het rode haar tilde me op. En we kwamen langs een kerk.