Выбрать главу

Fronsend probeerde ze zich nog meer te herinneren. Ze waren het bos ingegaan, weg van het pad, tot ze op een andere weg uitkwamen. Bij een tweesprong was ze van het paard gevallen. Als ze die splitsing kon vinden, zou ze vandaar misschien ook weer bij de kar kunnen komen. De tweesprong was niet ver van de kerktoren.

Maar als het zo dichtbij was, dan moest dit Skendgate zijn en hoorden de vrouwen Middelengels te spreken. En als ze MiddelEngels spraken, waarom kon ze hen dan niet verstaan?

Misschien ben ik op mijn hoofd gevallen, dacht ze, en is de tolk stukgegaan. Maar ze wist dat ze niet op haar hoofd terecht was gekomen. Ze was langs de flank van het paard naar beneden gegleden tot ze op de weg zat. Het is de koorts, dacht ze. Ik ben ziek, daardoor kan de tolk geen woorden herkennen.

Maar hij herkende wel het Latijn, dacht ze, en ze begon angstig te worden. Hij herkende het Latijn en bovendien kan ik niet ziek zijn. Ik ben ingeënt. Ze herinnerde zich ineens dat ze een grote, jeukende blaar op haar arm had gekregen na een van de injecties, maar daar had dokter Ahrens nog vlak voor haar vertrek naar gekeken. Volgens haar was er niets aan de hand. Alleen na haar inenting tegen de pest had ze ook last gehad van jeuk. Ik kan de pest niet hebben, dacht ze. Ik heb helemaal geen symptomen van de ziekte.

Pestlijders kregen grote builen onder hun oksels en aan de binnenkant van hun dijen. Ze gaven bloed op en de bloedvaten onder hun huid sprongen stuk en werden zwart. Ze had niet de pest, maar wat had ze dan wel, en hoe was ze aangestoken? Ze was gevaccineerd tegen alle in 1320 veel voorkomende ziekten en ze kon hier ook niet zijn besmet. Ze had zich ziek gevoeld zodra ze was doorgekomen, nog voordat ze iemand had gezien. Bacillen wachtten niet bij een rendez-vous tot er toevallig iemand doorkwam, ze werden verspreid door direct contact, door speeksel of vlooien. De builenpest was door vlooien op mensen overgebracht.

Ik heb niet de pest, dacht ze resoluut. Pestlijders vragen zich niet af of ze de ziekte hebben, die hebben het te druk met doodgaan.

Het was niet de pest. Pestvlooien leefden op ratten en mensen, niet midden in een bos, en de Zwarte Dood had Engeland pas in 1348 bereikt. Het moest een middeleeuwse ziekte zijn waar dokter Ahrens niets vanaf wist. Er waren allerlei vreemde ziekten in de middeleeuwen geweest, koningszeer en sint-vitusdans en onbekende koortsen. Zoiets moest het zijn, een aandoening die haar versterkte afweersysteem niet zo gauw had kunnen thuisbrengen. Maar dat was nu gebeurd, de koorts was gezakt en de vertaalhulp zou weldra beginnen te werken. Ze hoefde alleen maar rust te houden en te wachten tot ze beter was. Met die troostende gedachte deed ze haar ogen weer dicht en ging slapen.

Iemand raakte haar aan. Ze sloeg haar ogen op. Het was de schoonmoeder. Ze bestudeerde Kivrins handen, draaide ze een paar keer om, wreef met haar gegroefde wijsvinger over de ruggen en bekeek de nagels. Toen ze zag dat Kivrin wakker was, liet ze haar handen vallen alsof ze ervan walgde en zei: ‘Sheavost ahvheigh parage attelest, baht hoore der wikkonasshae haswfolletwe?

Niets. Kivrin had gehoopt dat de computer tijdens haar slaap alles wat ze had gehoord verwerkt en ontcijferd zou hebben en dat de tolk naar behoren zou werken, maar ze begreep er nog steeds geen woord van. Het leek een beetje op Frans, met veel weglatingen en een lichte nadruk op de uitgangen, maar Kivrin kende Normandisch — dat had ze van meneer Dunworthy moeten leren — en toch herkende ze geen enkel woord.

Hastow naydepesse?’ zei de oude vrouw.

Het klonk als een vraag, maar dat deed elke Franse zin.

De oude vrouw pakte Kivrin ruw beet en sloeg een arm om haar heen alsof ze haar uit bed wilde helpen. Ik ben te ziek om op te staan, dacht Kivrin. Waarom wil ze dat ik opsta? Wil ze me uithoren? Of naar de brandstapel slepen?

De dienstmaagd kwam de kamer binnen met een bokaal in haar handen. Die zette ze op de stenen bank, waarna ze naar het bed kwam om de oude dame te helpen. ‘Hastontee natour yowrese?’ vroeg ze met haar gehavende lach. Misschien willen ze dat ik naar de wc ga, dacht Kivrin. Ze ging rechtop zitten en liet haar benen over de bedrand glijden.

Ze voelde zich meteen duizelig. Ze bleef met haar blote voeten net boven de grond zitten tot het voorbij zou gaan. Ze had alleen haar linnen hemd aan. Ze vroeg zich af waar haar kleren waren. Nog een geluk dat ze haar hemd aanhad, middeleeuwers sliepen meestal naakt.

En middeleeuwers hadden ook geen badkamer, dacht ze. Ze hoopte dat ze niet naar een latrine ergens buiten hoefde. Kastelen hadden soms een privaat boven een schacht die onderaan schoongemaakt moest worden, maar dit was geen kasteel.

De jonge vrouw legde een dunne, dubbelgevouwen deken als een omslagdoek over Kivrins schouders, waarna de twee vrouwen haar overeind hielpen. De planken vloer voelde ijskoud aan. Ze deed een paar stapjes en voelde de duizeligheid terugkomen. Ik haal het nooit naar buiten, dacht ze.

Wotan shay wootes nawdaor youse der jordane?’ zei de oude vrouw scherp. Kivrin dacht dat ze het Franse jardin, ‘tuin’, herkende, maar waarom zou ze het over een tuin hebben?

Thanway maunhollp anhour,’ antwoordde de ander, die een arm om Kivrins middel sloeg. De oude dame steunde Kivrin met beide handen. Ze reikte nauwelijks tot Kivrins schouder en de dienstmaagd kon nog geen vijftig kilo wegen, maar samen slaagden ze erin Kivrin naar het voeteneind van het bed te brengen.

Ze werd met elke stap duizeliger. Ik haal het nooit helemaal naar buiten, dacht ze, maar ze bleven aan het voeteneind staan. Op de grond stond een lage houten kist met op het deksel de ruw uitgesneden omtrek van een vogel of een engel. Naast het bloederige verband dat om haar voorhoofd had gezeten, stonden er een houten kom vol met water en een kleinere, lege kom. Kivrin had alle moeite om overeind te blijven en begreep eerst niet wat de bedoeling was.

Swoune nawmaydar oupondre yorresette,’ zei de oude vrouw, die haar zware rokken een eindje optrok en deed alsof ze op de kleine kom ging zitten.

Een nachtspiegel, dacht Kivrin dankbaar. Meneer Dunworthy, in 1320 gebruikte de landadel kamerpotten. Ze knikte om te laten zien dat ze het door had en liet zich langzaam zakken. Ze moest zich aan het bedgordijn vasthouden om niet te vallen, zo draaierig was ze, en toen ze weer opstond sloeg ze bijna dubbel van de pijn in haar borst.

Maisry!’ riep de oude vrouw in de richting van de deur. ‘Maisry, com undtvae holpoon!’ Het was duidelijk dat ze iemand riep, een Marjorie of Mary, maar er kwam niemand de kamer in. Misschien had ze ook dat verkeerd begrepen.

Heel voorzichtig ging ze rechtop staan en de pijn werd wat minder, maar de twee vrouwen moesten haar toch bijna dragen om haar weer in bed te krijgen. Uitgeput liet ze zich onder de deken stoppen. Ze deed haar ogen dicht.

Slaeponpon donu paw daton,’ zei de jonge vrouw, wat vermoedelijk iets als ‘Ga maar slapen’ betekende, hoewel Kivrin er nog steeds niets van verstond. De tolk is stuk, dacht ze, en haar angst begon erger te worden dan de pijn in haar borst.

Hij kan niet stuk zijn, hield ze zichzelf voor. Het is geen gewone computer, het is een chemische stof die je spraakvermogen en je geheugen versterkt. Hij kan niet stuk zijn. Maar hij werkte alleen met de woorden die in zijn geheugen waren opgeslagen en blijkbaar had ze helemaal niets aan het Middelengels van Latimer. Whan that Aprille with his shoures sote. De uitspraak die Latimer haar had geleerd stond zo ver van de werkelijkheid af, dat de tolk de woorden helemaal niet herkende. Daarom was hij nog niet stuk. Hij moest alleen nieuwe gegevens in zijn geheugen opslaan en de zinnen die hij tot nu toe had opgevangen waren nog niet voldoende.