Toch herkende hij het Latijn, bedacht ze ineens, maar ze vocht tegen de weer opkomende paniek. Het Latijn van het laatste oliesel was een vaste formule, met woorden die op de verwachte positie stonden, daarom had de tolk die herkend. De taal die de vrouwen spraken was weliswaar geen formule, maar nog wel te ontcijferen. Eigennamen, aanspreekvormen, zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en voorzetsels moesten in ongeveer dezelfde volgorde telkens weer terugkeren. Als de tolk die maar vaak genoeg hoorde, zou hij ze als sleutel tot de rest van de code kunnen gebruiken. Daarom moest ze nu alleen gegevens verzamelen, naar het gesprokene luisteren zonder zelfs een poging te doen het te begrijpen en de tolk zijn werk laten doen.
‘Thin keowre hoorwoun desmoortale?’ vroeg de jonge vrouw.
‘Got tallon wottes,’ zei de oude vrouw.
Ver weg begon een klok te luiden. Kivrin deed haar ogen open. De twee vrouwen hadden zich omgedraaid naar het venster, ook al konden ze niet door het linnen heen kijken.
‘Bere wichebay gansanon,’ zei de jonge vrouw.
De ander gaf geen antwoord. Ze staarde naar het venster alsof ze dwars door het stijve linnen kon kijken, haar handen als in gebed gevouwen.
‘Aydreddit ister fayve riblaun,’ zei de jonge vrouw. Ondanks haar voornemen dacht Kivrin iets als ‘Het is tijd voor de vesper’ of ‘Dat is de vesperklok’ te verstaan, maar het was niet voor de vesper. De klok ging maar door zonder dat er andere te horen waren. Ze vroeg zich af of dit de klok was die ze eerder had gehoord, eenzaam klinkend in de namiddag.
De oude vrouw draaide zich abrupt om. ‘Nay, Elwiss, itbahn diwolffin.’ Ze pakte de kamerpot van de houten kist. ‘Gawynha thesspyd…’
Plotseling klonken haastige voetstappen op een trap. ‘Modder!’ riep een kinderstem. ‘Eysmertemay!’
Een klein meisje rende de kamer in, met wapperende blonde vlechten en dansende koordjes van haar muts. Ze botste bijna tegen de oude vrouw en de kamerpot. Het ronde gezicht van het kind was rood en betraand.
‘Wol yadothoos forshame ahnyous!’ snauwde de oude vrouw, terwijl ze de pot met de hachelijke inhoud hoog optilde. ‘Yowe maun naroonso inhus.’
Het meisje schonk geen aandacht aan haar. Ze holde rechtstreeks naar de jonge vrouw en snikte: ‘Rawzamun hattmay smerte, Modder!’
Kivrin hield haar adem in. Modder, dat moest ‘moeder’ zijn.
Het meisje stak haar armen uit en de vrouw pakte haar op. Ja, dat was beslist haar moeder. Het kind sloeg haar armen stijf om de hals van de vrouw en begon te jammeren.
‘Ssst, ahnyous, ssst,’ zei de moeder. Kivrin meende een eigennaam te verstaan: Agnes, uitgesproken met een schorre Duitse G. Stil maar, Agnes.
De moeder ging met het kind in haar armen op de stenen bank zitten en veegde de tranen weg met een punt van haar hoofddoek. ‘Spekenaw dothass bifel, Agnes.’
Ja, nu hoorde Kivrin het duidelijk. En speken was ‘zeg’. Zeg eens wat er gebeurd is.
‘Shayoss mayswerte!’ zei Agnes. Ze wees naar een ander kind dat net binnen was gekomen. Dat meisje was een stuk ouder, zeker tien jaar. Ze had lang bruin haar tot op haar rug, met een donkerblauwe strik erin.
‘Itgan naso, ahnyous,’ zei ze. ‘Tha pighte rennin gawn derstayres.’ Kivrin hoorde een mengeling van medelijden en minachting. De twee meisjes leken niet op elkaar, maar Kivrin durfde te wedden dat ze zusjes waren. ‘Shay pighte renninge ahndist eyres, Modder.’
Weer ‘moeder’, en shay was ‘zij’ en pighte betekende zoiets als ‘viel’. Het leek op Frans, maar in werkelijkheid was het eerder Duits, zowel de uitspraak als de zinsbouw. Kivrin begon te geloven dat ze het door had.
‘Na comfitte hoor thusselwys,’ zei de oude dame. ‘She hathnau woundes. Hoor teres been fornaught mais gain thy pitye.’
‘Hoor may ganful bloody,’ zei de ander, maar Kivrin hoorde haar niet. Ze hoorde rechtstreeks de vertaling van de tolk, nog onvolmaakt en bepaald niet simultaan, maar wel begrijpelijk.
‘Doe maar geen moeite, Eliwys. Ze mankeert niets. Ze huilt alleen maar om aandacht te krijgen.’
En de moeder, die Eliwys heette, antwoordde: ‘Haar knie bloedt.’
‘Rossmunt, brangund oorwarsted frommecofre,’ zei ze, naar het voeteneind van het bed wijzend. De tolk kwam even later met de vertaling: ‘Rosemund, geef me die doek eens die op de kist ligt.’ Het oudste meisje ging meteen naar de kist bij het bed.
Ze heette Rosemund, het kleintje was Agnes, en het onvoorstelbaar jonge moedertje met haar kap en mutsje was Eliwys.
Rosemund hield een gerafelde lap omhoog, ongetwijfeld dezelfde die Eliwys van Kivrins voorhoofd had gehaald.
‘Blijf af! Blijf af!’ riep Agnes geschrokken. Kivrin hoefde niet op de tolk te wachten om haar te verstaan.
‘Het is maar een doekje voor het bloeden,’ zei Eliwys. Ze nam de doek aan van Rosemund. Agnes probeerde hem weg te duwen. ‘Het doet geen…’ Er volgde een pauze, blijkbaar omdat de tolk een woord niet herkende. ‘… Agnes.’ Het ontbrekende woord moest ‘pijn’ zijn. Dat zat zeker niet in het geheugen, hoewel Kivrin zich afvroeg waarom de tolk er gezien de context niet zelf op was gekomen.
‘… wel penaunce,’ riep Agnes, en de tolk kwam niet verder dan ‘Het doet wel…’ De pauze moest bedoeld zijn om Kivrin zelf het woord te laten horen en de betekenis ervan te raden. Dat was niet zo’n gek idee, maar de tolk liep nog zo ver achter bij het gesprokene dat Kivrin het weggelaten woord niet had opgevangen. Het zou problemen opleveren als de tolk dit elke keer deed wanneer hij een woord niet kende.
‘Het doet wèl penaunce!’ gilde Agnes. Ze duwde de hand van haar moeder weg bij haar knie. ‘Het doet wèl pijn,’ fluisterde de tolk tot Kivrins opluchting.
‘Hoe ben je gevallen?’ vroeg Eliwys om Agnes af te leiden.
‘Ze rende de trap op,’ zei Rosemund. ‘Ze wilde je vertellen dat… is gekomen.’
De tolk sloeg weer een woord over, maar ditmaal had Kivrin het gehoord: Gawyn, wat een eigennaam moest zijn. De tolk kwam tot dezelfde conclusie, want het verontwaardigde antwoord van Agnes kwam volledig over: ‘Ik had moeder willen vertellen dat Gawyn er is.’ Agnes begon luidkeels te snikken en verborg haar gezicht tegen de borst van haar moeder, die prompt van de gelegenheid gebruik maakte om het verband om haar knie te doen.
‘Zeg het me nu maar,’ zei ze.
Agnes schudde haar verborgen hoofd.
‘Je moet het er niet zo los omheen doen, schoondochter,’ zei de oude vrouw. ‘Straks valt het eraf.’
Kivrin dacht dat het strak genoeg zat, al was het alleen maar omdat het kind anders weer zou gaan schreeuwen. De oude dame hield de kamerpot nog steeds in haar handen. Kivrin vroeg zich af waarom ze hem niet ging leeggooien.
‘Ssst, stil maar,’ zei Eliwys. Ze wiegde het meisje heen en weer en klopte zachtjes op haar rug. ‘Ik wil het echt graag van je horen.’
‘Hoogmoed komt voor de val,’ zei de oude vrouw, die er schijnbaar op uit was Agnes weer aan het huilen te krijgen. ‘Het is je eigen schuld. Je moet ook niet hollen op de trap.’
‘Zat Gawyn op een witte merrie?’ vroeg Eliwys.
Een witte merrie. Kivrin vroeg zich af of Gawyn de man was die haar op zijn paard had gezet en naar dit huis had gebracht.
‘Nee hoor,’ zei Agnes, alsof haar moeder een grapje had gemaakt. ‘Hij reed op zijn eigen zwarte hengst Gringolet. En hij zei tegen me: “Goede vrouwe Agnes, ik zou graag met je moeder spreken.”’