‘Rosemund, je had beter op je zusje moeten letten,’ zei de oude vrouw. Agnes lette niet op haar, daarom zocht ze een ander slachtoffer. ‘Wat was je aan het doen?’
‘Ik zat te borduren,’ zei Rosemund, met een hulpbehoevende blik naar haar moeder. ‘Maisry zou op haar passen.’
‘Maisry is naar buiten gegaan om Gawyn te zien,’ zei Agnes, die rechtop ging zitten op de knieën van haar moeder.
‘En met de staljongen te rotzooien,’ zei de oude vrouw. Ze ging naar de deur en riep: ‘Maisry!’
Maisry. Dat had ze al eerder geroepen en ditmaal sloeg de tolk zelfs eigennamen niet meer over. Kivrin wist niet wie Maisry was, vermoedelijk een bediende, maar zo te horen zou ze de wind van voren krijgen. De oude vrouw was vastbesloten een slachtoffer te vinden en de verdwenen Maisry kwam daarvoor prachtig in aanmerking.
‘Maisry!’ riep ze weer. De naam galmde over de trap.
Rosemund maakte van de gelegenheid gebruik om naast haar moeder te gaan staan. ‘We moesten van Gawyn zeggen dat hij u wilde spreken.’
‘Wacht hij beneden?’ vroeg Eliwys.
‘Nee. Hij is eerst naar de kerk gegaan om met Vader Rock over de vrouwe te praten.’
Hoogmoed komt voor de val. De tolk begon een beetje al te vrij te worden. De geestelijke heette waarschijnlijk Rolfe of Peter, maar niet Rock.
‘Wat wilde hij van Vader Rock?’ vroeg de oude vrouw, die weer terugkwam.
Kivrin probeerde de naam te verstaan zonder op het driftige gefluister van de tolk te letten. Het was ‘Roche’, het Franse woord voor ‘rots’. Vader Roche.
‘Misschien weet hij iets van de vrouwe,’ zei Eliwys met een blik op Kivrin. Het was voor het eerst dat iemand aandacht aan haar besteedde. Kivrin deed snel haar ogen dicht, in de hoop dat ze nog meer aan de weet zou komen.
‘Gawyn is vanochtend uitgereden om de struikrovers te zoeken,’ zei Eliwys. Kivrin tuurde door haar oogleden, maar Eliwys keek niet meer naar haar. ‘Misschien heeft hij ze gevonden.’ Ze boog naar voren om de losse koordjes van Agnes’ linnen mutsje vast te maken. ‘Agnes, ga met Rosemund naar de kerk en zeg tegen Gawyn dat we in de grote zaal op hem wachten. De vrouwe slaapt. We mogen haar niet storen.’
Agnes holde naar de deur. ‘Ik wil het tegen hem zeggen, Rosemund!’ riep ze.
‘Laat je zusje het maar vertellen, Rosemund!’ riep Eliwys hen na. ‘Agnes, niet hollen!’
De meisjes gingen de kamer uit en renden toch de onzichtbare trap af.
‘Rosemund is bijna volwassen,’ zei de oude vrouw. ‘Het gaat niet aan dat ze achter een vazal van je gemaal aan loopt. Er komt niets van je dochters terecht als er niemand op ze let. Je zou er goed aan doen een kindermeisje uit Oxenford te laten komen.’
‘Nee,’ zei Eliwys, op een ferme toon die Kivrin verbaasde. ‘Maisry kan op ze passen.’
‘Maisry kan nog geen schaap hoeden. We hadden niet zo overijld uit Bath moeten weggaan. We hadden toch zeker kunnen wachten tot…’ Het slot was onverstaanbaar.
Ondanks het hiaat had Kivrin een paar belangrijke zaken geleerd. De familie was uit Bath gekomen en dit dorp was niet ver van Oxford.
‘Laat Gawyn een kindermeisje halen. En een baker die de vrouwe kan aderlaten.’
‘Er hoeft niemand te komen,’ zei Eliwys.
‘Vrouwe Yvolde is in…’ De plaatsnaam werd door de tolk niet opgepikt. ‘Zij kan goed wonden verzorgen. En ze zal ons graag een van haar diensters afstaan om op de kinderen te passen.’
‘Nee,’ zei Eliwys. ‘We verzorgen haar zelf wel. Vader Roche…’
‘Vader Roche,’ zei de oude dame op verachtelijke toon. ‘Die weet niks van geneeskunst af.’
Maar ik kon hem precies verstaan, dacht Kivrin. Ze herinnerde zich de rustige stem waarmee hij de formule van het heilig oliesel had uitgesproken, de lichte aanraking van zijn hand op haar slapen, haar handpalmen en voetzolen. Hij had gezegd dat ze niet moest vrezen en gevraagd hoe ze heette. En haar hand vastgehouden.
‘Als ze van adellijke familie is,’ zei de oude dame, ‘wil je dan dat iedereen weet dat je haar door een achterlijke dorpspriester hebt laten verzorgen? Vrouwe Yvolde…’
‘We halen er niemand anders bij,’ zei Eliwys. Kivrin besefte voor het eerst dat ze ergens bang voor was. ‘Mijn gemaal wil dat we haar hier houden tot hij terugkomt.’
‘Hij had beter tegelijk met ons mee kunnen komen.’
‘U weet dat dat niet ging,’ zei Eliwys. ‘Hij komt zodra hij kan. Ik moet nu naar Gawyn.’ Ze liep langs de oude vrouw naar de deur. ‘Gawyn zei dat hij naar het bos zou gaan om te zien of de overvallers sporen hebben achtergelaten. Misschien heeft hij iets gevonden waaruit blijkt wie ze is.’
Naar het bos. Dan was Gawyn de man die haar had gevonden, de man met het rode haar en het vriendelijke gezicht, die haar op zijn paard had getild en hier gebracht. Dat had ze in elk geval niet gedroomd, hoewel ze niet zeker was van het witte paard. Hij had haar hier gebracht en hij wist waar het rendez-vous was.
‘Wacht,’ zei Kivrin. Ze kwam op haar ellebogen overeind. ‘Wacht even. Ik wil graag met Gawyn praten.’
De vrouwen bleven staan. Eliwys kwam met een geschrokken gezicht terug naar het bed.
‘Ik wil graag met Gawyn praten,’ zei Kivrin langzaam, bij elk woord pauzerend tot de tolk haar de vertaling influisterde. Vroeg of laat zou het automatisch gaan, maar voorlopig moest ze wachten tot de tolk elk woord waar ze aan dacht had vertaald en hardop herhaalde. ‘Ik moet weten waar hij me heeft gevonden.’
Eliwys legde een hand op haar voorhoofd, maar Kivrin duwde hem ongeduldig weg.
‘Ik wil Gawyn spreken,’ zei ze.
‘Ze heeft geen koorts, Imeyne,’ zei Eliwys tegen de oude vrouw. ‘Toch wil ze iets zeggen, ook al weet ze dat we haar niet kunnen verstaan.’
‘Ze heeft een vreemde tongval,’ zei Imeyne, alsof ze het over een misdaad had. ‘Misschien is ze een spionne van de Fransen.’
‘Ik spreek geen Frans,’ zei Kivrin. ‘Het is Middelengels.’
‘Misschien is het Latijn,’ zei Eliwys. ‘Vader Roche zei dat ze Latijn sprak toen hij haar de biecht afnam.’
‘Vader Roche kent het onzevader amper,’ zei vrouwe Imeyne. ‘Stuur liever iemand naar…’ Weer die onbekende plaatsnaam. Kersey? Courcy?
‘Ik wil Gawyn spreken,’ zei Kivrin in het Latijn.
‘Nee,’ zei Eliwys. ‘We wachten tot mijn gemaal er is.’
De oude vrouw draaide zich boos om, waardoor een deel van de inhoud van de kamerpot over haar hand spatte. Ze wreef haar hand af aan haar rok en ging de kamer uit, waarna ze de deur met een knal dichttrok. Eliwys wilde achter haar aan gaan.
Kivrin pakte haar handen. ‘Waarom begrijpt u me niet?’ zei ze. ‘Ik kan u wel verstaan. Ik moet Gawyn spreken. Hij moet me vertellen waar het rendez-vous is.’
Eliwys maakte zich los. ‘Huil nu maar niet,’ zei ze mild. ‘Probeer wat te slapen. Als u goed bent uitgerust, kunt u weer naar huis.’
Ik heb grote problemen, meneer Dunworthy. Ik weet niet waar ik ben en ik spreek de taal niet. Er is iets mis met de tolk. Ik kan wel ongeveer verstaan wat er wordt gezegd, maar de mensen begrijpen mij helemaal niet. En dat is nog niet het ergste.
Ik ben ziek geworden. Ik weet niet wat het is. De pest kan het niet zijn, want daarvan heb ik geen enkel symptoom en ik ben al aan de beterende hand. En ik ben ertegen ingeënt. Ik heb al mijn vaccins en afweerversterkers gehad, maar een daarvan moet onvoldoende zijn geweest of anders is dit een onbekende middeleeuwse ziekte waar geen vaccin tegen bestaat.
De symptomen zijn hoofdpijn, koorts en duizeligheid, en als ik beweeg voel ik pijn in mijn borst. Ik heb veel geslapen, daarom weet ik nu niet waar ik ben. Een zekere Gawyn heeft me hier gebracht op zijn paard, maar ik weet alleen nog dat de tocht in het donker verliep en uren leek te duren. Ik hoop dat ik me door de koorts heb vergist en dat dit toch het dorp van Montoya is.