Выбрать главу

Het zou Skendgate kunnen zijn. Ik herinner me een kerk en ik geloof dat ik me op een heerlijkheid bevind. Ik lig in bed op een bovenkamer. Er is een stenen trap naar beneden, dus de bewoners moeten zeker tot de landadel behoren. Er is een vensteropening en zodra ik geen last meer heb van duizeligheid, ga ik op het stenen bankje staan om naar buiten te kijken. Misschien kan ik de kerk zien. Er is net voor de vesper geluid. De kerk in Skendgate had geen klokketoren, daarom ben ik bang dat ik toch ergens anders ben. Ik weet dat het niet al te ver van Oxford is, want iemand had het erover daar een dokter te halen. Hier in de buurt moet ook nog Kersey of Courcy liggen, een dorp dat niet op de kaart van Montoya stond, maar misschien is het ook wel de naam van de landheer.

Door dat vele slapen weet ik ook niet precies welke datum het is. Ik geloof dat ik maar twee dagen van de kaart ben geweest, maar het kan ook meer geweest zijn. Omdat ze me niet verstaan, kan ik ook niet vragen welke dag het is. Ik kan niet uit bed komen zonder dat ik val, ze hebben mijn haar afgesneden en ik weet niet wat ik moet beginnen. Wat is er gebeurd? Waarom doet de tolk het niet? Waarom ben ik niet immuun?

(Pauze)

Er zit een rat onder mijn bed. Ik kan hem in het donker horen krabbelen.

11

Ze verstonden haar niet. Kivrin had geprobeerd Eliwys tegen te houden en haar iets duidelijk te maken, maar Eliwys had alleen vriendelijk geglimlacht en gezegd dat Kivrin moest rusten.

‘Ga alstublieft niet weg,’ had ze gezegd toen Eliwys naar de deur wilde gaan. ‘Het is belangrijk. Gawyn is de enige die weet waar het rendez-vous is.’

‘Ga slapen,’ zei Eliwys. ‘Ik kom straks nog eens kijken.’

‘Ik moet met hem spreken,’ zei Kivrin wanhopig, maar Eliwys was al bijna bij de deur. ‘Ik weet niet waar de kar is.’

Er klonk een rammelend geluid op de trap. Eliwys deed de deur open. ‘Agnes, ik had je nog zo gezegd…’

Ze slikte de rest van de zin in en deed een stap terug. Ze zag er niet geschrokken of verrast uit, maar ze hield haar hand tegen de deur, alsof ze die het liefst weer dicht zou gooien. Kivrins hart begon te bonzen. Ze komen, dacht ze radeloos. Ze gaan me naar de brandstapel brengen.

‘Goedemorgen, vrouwe,’ klonk een mannenstem. ‘Uw dochter Rosemund zei dat u in de grote zaal zou zijn, maar daar trof ik u niet.’

Hij kwam binnen. Kivrin kon zijn gezicht niet zien, hij bleef half achter het gordijn aan de voet van het bed staan. Ze tilde haar hoofd op, maar de beweging maakte haar meteen draaierig. Ze legde haar hoofd weer neer.

‘Ik dacht wel dat ik u bij de zieke zou vinden,’ zei de man. Hij droeg een gevoerd wambuis en een leren broek. En een zwaard, ze hoorde het rammelen toen hij een stap naar voren deed. ‘Hoe vaart ze?’

‘Het gaat beter vandaag,’ zei Eliwys. ‘De moeder van mijn gemaal maakt een extract van klaver om haar wonden te verzorgen.’

De opmerking over haar dochter Rosemund betekende dat de man Gawyn moest zijn, degene die in het bos naar de struikrovers was gaan zoeken. Eliwys had de deur losgelaten, maar toch ging ze tijdens het gesprek een paar passen verder bij hem vandaan en ze had een waakzame uitdrukking op haar gezicht. Kivrin begon weer gevaar te vrezen en ze vroeg zich ineens af of haar droom over de moordenaar met zijn wrede gelaat misschien toch geen droom was geweest, als die dezelfde was als deze Gawyn.

‘Hebt u iets gevonden dat ons kan zeggen wie de vrouwe is?’ zei Eliwys behoedzaam.

‘Nee,’ zei hij. ‘Al haar goederen en paarden zijn gestolen. Ik hoopte dat zij ons iets over de rovers kon vertellen, met hoeveel ze waren en uit welke richting ze kwamen.’

‘Ik vrees dat ze u niets kan vertellen,’ zei Eliwys.

‘Is ze soms stom?’ Hij ging opzij en nu kon Kivrin hem zien.

Hij was niet zo lang als ze had gedacht nu hij naast haar stond en zijn haar was niet zo rood in het daglicht, maar zijn gezicht was nog altijd zo vriendelijk als toen hij haar op zijn paard had gezet. Zijn zwarte paard Gringolet.

Hij had haar op de open plek gevonden. Hij was geen moordenaar — die was maar een produkt van haar koorts en Dunworthy’s spookverhalen, net als het witte paard en de kerstliedjes — en Eliwys was niet op haar hoede voor hem, dat begreep ze verkeerd, net als ze niet had begrepen dat de vrouwen haar op de kamerpot wilden helpen.

‘Ze is niet stom, maar ze spreekt een vreemde taal die ik niet versta,’ zei Eliwys. ‘Misschien heeft de schok haar verstand aangetast.’ Ze kwam naast Gawyn staan. ‘Goede vrouwe, dit is Gawyn, de privé van mijn gemaal.’

‘Goedendag, vrouwe,’ zei Gawyn, overdreven langzaam en duidelijk, alsof hij dacht dat Kivrin doof was.

‘Hij heeft u in het bos gevonden,’ zei Eliwys.

Wáár in het bos? dacht Kivrin wanhopig.

‘Ik ben blij dat u aan de beterende hand bent,’ zei Gawyn, opnieuw met veel nadruk op elk woord. ‘Kunt u iets over die mannen vertellen?’

Ik weet niet wat ik moet zeggen, dacht Kivrin. Ze was bang dat hij haar ook niet zou verstaan als ze iets zei. Hij moest haar verstaan. Hij wist waar het rendez-vous was.

‘Hoeveel rovers waren er?’ vroeg Gawyn. ‘Waren ze te paard?’

Waar heeft u mij gevonden? dacht ze, net zo nadrukkelijk als Gawyn had gesproken. Ze wachtte tot de tolk de hele zin had vertaald en luisterde zorgvuldig naar de intonatie om die te kunnen vergelijken met de spraaklessen van Latimer.

Gawyn en Eliwys keken haar gespannen aan. Ze haalde diep adem. ‘Waar heeft u mij gevonden?’

Gawyn keek verrast naar Eliwys, die hem een blik van ‘zie je wel?’ toewierp.

‘Zo sprak ze ook toen ik haar vond,’ zei hij. ‘Ik dacht dat het door haar verwondingen kwam.’

‘Dat denk ik ook,’ zei Eliwys. ‘De moeder van mijn gemaal meent dat ze uit Frankrijk komt.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Dat is geen Frans.’ Hij keek weer naar Kivrin. ‘Goede vrouwe,’ zei hij luid, ‘komt u van een ander land?’

Ja, dacht Kivrin, van een ander land. Daar kom ik alleen terug als ik weet waar het rendez-vous is en u bent de enige die me dat kan vertellen.

‘Waar heeft u mij gevonden?’ herhaalde Kivrin.

‘Bijna alles was gestolen,’ zei Gawyn, ‘maar haar wagen was goed gebouwd en ze had veel kisten bij zich.’

Eliwys knikte. ‘Ik vrees dat ze van goeden huize is en dat haar familie haar zoekt.’

‘Waar in het bos heeft u mij gevonden?’ zei Kivrin met stemverheffing.

‘Ze maakt zich te druk,’ zei Eliwys. Ze boog zich over Kivrin heen en klopte op haar hand. ‘Ssst, ga maar slapen.’ Ze verwijderde zich van het bed en Gawyn volgde haar.

‘Wilt u dat ik naar Bath ga om heer Guillaume te halen?’ vroeg Gawyn achter het bedgordijn.

Eliwys ging weer een eindje bij hem vandaan alsof ze bang van hem was. Maar aan het bed hadden ze heel dicht bij elkaar gestaan, zodat hun handen elkaar bijna raakten. En ze spraken alsof ze elkaar al heel lang kenden. Haar behoedzaamheid moest een andere reden hebben.

‘Zal ik uw gemaal halen?’ zei Gawyn.

Eliwys keek naar haar handen. ‘Nee. Mijn heer heeft genoeg andere zorgen en hij kan niet weg voordat het geding achter de rug is. En hij heeft u gevraagd hier te blijven en over ons te waken.’

‘Dan zal ik teruggaan naar het bos en verder zoeken, als u mij toestaat.’

‘Zeker,’ zei Eliwys, zonder hem aan te kijken. ‘Misschien is er op de plaats waar ze is beroofd iets op de grond gevallen dat ons kan zeggen wie ze is.’