Выбрать главу

Op de plaats waar ze is beroofd, herhaalde Kivrin in stilte. Ze probeerde Eliwys’ woorden op te vangen en in haar geheugen te prenten. Op de plaats waar ik ben beroofd.

‘Dan zal ik nu uitrijden,’ zei Gawyn.

Eliwys keek hem aan. ‘Nu?’ zei ze. ‘Het wordt al donker.’

‘Laat me de plaats zien waar ik ben beroofd,’ zei Kivrin.

‘Ik ben niet bang voor het donker, vrouwe Eliwys,’ zei hij en schreed met rammelend zwaard de kamer uit.

‘Neem me met u mee,’ zei Kivrin, maar het had geen zin. Ze waren al weg en de tolk werkte niet. Ze had zichzelf voor de gek gehouden. Ze begreep de anderen alleen maar door de lessen van Latimer, niet door de tolk, en wie weet begreep ze het nog verkeerd ook.

Misschien hadden ze het helemaal niet over haar gehad, maar over iets heel anders, een verdwaald schaap of een brandstapel.

Vrouwe Eliwys had de deur achter zich gesloten en Kivrin hoorde niets meer. Zelfs de klok zweeg en het licht dat door de wasdoek naar binnen viel was vaal. Het wordt al donker.

Gawyn had gezegd dat hij weer naar het bos ging. Als deze kamer aan de voorkant lag, zou ze door het venster in elk geval kunnen zien welke kant hij uitging. Het is niet ver, had hij gezegd. Misschien kon ze de plek op eigen houtje terugvinden als ze de goede richting maar wist.

Ze duwde zichzelf overeind. Zelfs die inspanning gaf haar weer een steek van pijn in haar borst. Ze schoof haar voeten over de bedrand, maar ze werd meteen duizelig. Ze ging weer liggen en deed haar ogen dicht.

Duizeligheid, koorts en pijn in haar borst. Van welke ziekte waren dat de symptomen? Pokken begon met koorts en koude rillingen en de blaasjes verschenen pas op de tweede of derde dag. Ze had geen idee hoe lang ze al ziek was, maar pokken kon het niet zijn, die ziekte had een incubatietijd van tien tot eenentwintig dagen. Tien dagen geleden lag ze in een ziekenhuis in Oxford, toen het pokkenvirus al bijna honderd jaar geleden was uitgeroeid.

In het ziekenhuis was ze overal tegen ingeënt: pokken, tyfus, cholera, de pest. Dat kon het dus niet zijn. Maar als het dat niet was, wat dan wel? Sint-vitusdans? Daar had ze al eerder aan gedacht, aan een ziekte waartegen ze niet was gevaccineerd, maar haar immuunsysteem was toch ook versterkt om elke infectie af te weren.

Er klonken rennende voetstappen op de trap. ‘Modder!’ Ze herkende de stem van Agnes al. ‘Rosemund heeft niet gewacht!’

Ze kon niet zoals de eerste keer naar binnen stormen, want ze moest eerst de zware deur opendoen, maar toen ze zich eenmaal naar binnen had gewurmd holde ze naar het bankje en gilde: ‘Modder! Ik mocht het tegen Gawyn zeggen!’

Ze zweeg toen ze zag dat haar moeder niet in de kamer was. Kivrin merkte dat ze meteen ook niet meer snikte.

Agnes bleef even bij het venster staan, alsof ze zich afvroeg waar ze nu haar toneelstukje zou gaan opvoeren. Daarna rende ze naar de deur, maar halverwege kreeg ze Kivrin in de gaten en ze bleef opnieuw staan.

‘Ik weet wie jij bent.’ Ze ging naast het bed staan. Haar hoofd stak nauwelijks boven de rand uit. De koordjes van haar muts waren weer losgegaan. ‘Jij bent de vrouwe die Gawyn in het bos heeft gevonden.’

Kivrin was bang dat het kind zou schrikken als ze haar door de tolk verminkte antwoord liet horen. Ze tilde alleen haar hoofd op en knikte.

‘Wat is er met je haar gebeurd?’ vroeg Agnes. ‘Hebben de rovers het gestolen?’

Kivrin schudde haar hoofd en glimlachte om het vreemde idee.

‘Maisry zegt dat ze je tong hebben gestolen,’ zei Agnes. Ze wees naar Kivrins voorhoofd. ‘Doet je hoofd zeer?’

Kivrin knikte.

‘Ik heb mijn knie zeer gedaan.’ Agnes tilde haar knie met twee handen op om Kivrin het vuile verband te laten zien. De oude vrouw had gelijk, de doek begon al los te laten. Een stukje van de wond was te zien. Kivrin had gedacht dat het maar een schaafwondje was, maar hij was behoorlijk diep.

Agnes begon te wankelen en ging weer gewoon staan. ‘Ga je dood?’

Ik weet het niet, dacht Kivrin, die aan de pijn in haar borst werd herinnerd. In 1320 stierven driekwart van alle pokkenlijders en haar versterkte afweersysteem functioneerde niet goed.

‘Broeder Hubard is dood,’ zei Agnes wijs. ‘En Gilbert ook. Hij is van zijn paard gevallen. Ik heb hem gezien. Zijn hoofd was helemaal rood. Rosemund zegt dat broeder Hubard de blauwe ziekte had.’

Kivrin vroeg zich af wat de blauwe ziekte was — misschien was hij gestikt of had hij een beroerte gehad — en of Hubard de geestelijke was die Eliwys’ schoonmoeder zo graag kwijt wilde. Een adellijke familie had doorgaans een eigen geestelijke. Vader Roche moest de plaatselijke kapelaan zijn, waarschijnlijk zonder veel opleiding en misschien wel ongeletterd, hoewel hij heel goed Latijn had gesproken. En hij was aardig geweest. Hij had haar hand vastgehouden en gezegd dat ze niet bang hoefde te zijn. Er zijn ook nog aardige mensen in de middeleeuwen, meneer Dunworthy, dacht ze, Vader Roche, Eliwys en Agnes.

‘Mijn vader zei dat hij een ekster voor me meeneemt uit Bath,’ zei Agnes. ‘Adeliza heeft een valk. Ik mag hem wel eens vasthouden.’ Ze stak haar gebalde vuistje naar voren, alsof er een valk op haar denkbeeldige leren handschoen zat. ‘Ik heb een hond.’

‘Hoe heet je hond?’ vroeg Kivrin.

‘Ik noem hem Blackie,’ zei Agnes, hoewel Kivrin meende dat de tolk dat er maar van maakte. Ze had eerder iets als Blackamon of Blakkin gezegd. ‘Hij is zwart. Heb jij een hond?’

Kivrin was te verbaasd om antwoord te geven. Ze had iets gezegd en het meisje had haar verstaan. Agnes leek zelfs haar uitspraak helemaal niet ongewoon te vinden. Kivrin had niet aan de tolk gedacht en niet op de vertaling gewacht, misschien was dat de sleutel.

‘Nee, ik heb geen hond,’ zei ze tenslotte, weer op eigen initiatief.

‘Ik ga mijn ekster leren praten. Ik wil hem “Goedemorgen, Agnes” leren zeggen.’

‘Waar is je hond?’ vroeg Kivrin. Het was of ze anders sprak dan eerst, luchtiger, met de zachte Franse accenten die ze van de vrouwen had gehoord.

‘Wil je Blackie zien? Hij is in de stal,’ zei Agnes. Het klonk als een antwoord, maar het kon ook zijn dat Agnes gewoon maar iets wilde vertellen. Kivrin zou iets heel anders moeten vragen, iets waarop maar één antwoord mogelijk was.

Agnes streek met haar handen over het zachte dons van de deken en neuriede een melodietje.

‘Hoe heet jij?’ vroeg Kivrin, en ditmaal liet ze de tolk haar moderne woorden vertalen. ‘How are you cleped?’ Ze wist niet of dat goed was, maar Agnes aarzelde niet.

‘Agnes,’ zei het meisje prompt. ‘Mijn vader zegt dat ik een valk mag hebben als ik oud genoeg ben om paard te rijden. Ik heb een pony.’ Ze liet de deken los, zette haar ellebogen op de bedrand en steunde met haar kin op haar handjes. ‘Ik weet hoe jij heet,’ zei ze met een zelfvoldaan lachje. ‘Katherine.’

‘Wat?’ zei Kivrin zonder begrip. Katherine. Hoe waren ze daar nu op gekomen? Ze had de naam Isabel aangenomen. Of dachten ze dat ze haar herkenden?

‘Rosemund zei dat niemand wist hoe jij heette,’ vervolgde het meisje slim, ‘maar ik hoorde vader Roche tegen Gawyn zeggen dat je naam Katherine was. En Rosemund zei dat je niet kon praten, maar dat kan je wel!’

Kivrin moest ineens denken aan de priester die zich over haar heen boog, zijn gezicht verborgen achter de vlammen die voor haar ogen dansten. ‘Zeg me hoe je heet, dan kan ik je de biecht afnemen.’

En zij had met haar uitgedroogde mond antwoord gegeven, bang dat ze dood zou gaan en dat Dunworthy en de anderen nooit zouden weten wat er met haar was gebeurd.

‘Heet je echt Katherine?’ vroeg Agnes, en in de eigen woorden van het kind klonk haar naam precies als Kivrin.

‘Ja,’ zei Kivrin. Ze kon wel huilen.

‘Blackie heeft een…’ De tolk begreep het woord niet. Karette? Chavette? ‘Hij is rood. Wil je hem zien?’ En voor Kivrin haar kon tegenhouden, holde ze door de op een kier staande deur de kamer uit.