Kivrin hoopte maar dat een karette geen eng beest was. Ze had moeten vragen waar ze was en sinds wanneer, hoewel Agnes vermoedelijk te klein was om dat te weten. Ze leek niet ouder dan drie jaar, al was ze natuurlijk veel kleiner dan een modern kind. Ze zou vijf of zes kunnen zijn. Ik had haar moeten vragen hoe oud ze was, dacht Kivrin, maar misschien wist het kind dat ook wel niet. Jeanne d’Arc moest het antwoord schuldig blijven toen de inquisiteurs vroegen hoe oud ze was.
Het was al heel wat dat ze vragen kon stellen, dacht Kivrin. De tolk was toch niet stuk. Hij was tijdelijk van slag geweest door de vreemde uitspraak of door haar koorts, maar nu werkte hij goed en Gawyn kon haar laten zien waar het rendez-vous was.
Ze ging rechtop zitten om de deur te kunnen zien. Ze voelde weer een steek in haar borst en ze werd draaierig en had nog steeds hoofdpijn. Angstig voelde ze aan haar voorhoofd en wangen. Haar gezicht voelde warm aan, al kwam dat misschien alleen doordat haar handen zo koud waren. Het was koud in de kamer en tijdens haar uitstapje naar de kamerpot had ze nergens een stoof of zelfs maar een bedpan gezien.
Waren bedpannen eigenlijk al uitgevonden? Dat moest haast wel, hoe hadden ze anders de Kleine IJstijd overleefd? Het was steenkoud.
Ze begon te rillen. De koorts kwam zeker weer terug. Kon dat eigenlijk wel? Voor haar studie had ze gelezen dat koortspatiënten verzwakt waren, maar of de koorts ook terugkwam? Bij malaria natuurlijk wel. Rillingen, koorts, zweten, terugkerende koorts. Natuurlijk kon het.
Malaria was het in elk geval niet. Die ziekte was van nature nooit in Engeland voorgekomen, muggen leefden midden in de winter niet in Oxford en ze vertoonde er geen symptomen van. Ze had geen last van zweten en de rillingen waren het gevolg van de koorts.
Van tyfus kreeg je hoofdpijn en hevige koorts. De ziekte werd overgedragen door luizen en rattevlooien, die in het middeleeuwse Engeland allebei voorkwamen — waarschijnlijk was dit bed ervan vergeven — maar de incubatietijd van bijna twee weken was te lang.
Vlektyfus had een incubatietijd van slechts een paar dagen en veroorzaakte ook pijn in hoofd en ledematen en hevige koorts. Ze meende dat het geen terugkerende koorts was, maar ze herinnerde zich dat de temperatuur wisselde, overdag was die het laagst, om ’s avonds weer op te lopen.
Kivrin vroeg zich af hoe laat het was. Eliwys had gezegd dat het al donker werd. Er viel een schemerig blauw licht door de linnen doek, maar de dagen waren kort in december. Misschien was het nog pas halverwege de middag. Ze was slaperig, maar ook dat zei niets. Ze had de hele dag met tussenpozen geslapen.
Slaperigheid was ook een symptoom van vlektyfus. Ze probeerde zich de andere verschijnselen te herinneren die dokter Ahrens haar tijdens een ‘korte cursus’ in middeleeuwse geneeskunde had verteld. Bloedneuzen, een beslagen tong, roze vlekken op de huid. De uitslag verscheen pas op de zevende of achtste dag, maar Kivrin trok voor alle zekerheid haar hemd op om naar haar buik en borst te kijken. Geen uitslag, dus het was geen vlektyfus of de pokken. Pokken kreeg je op de tweede of derde dag.
Ze vroeg zich af waar Agnes was gebleven. Misschien was iemand toch nog op het heldere idee gekomen haar bij de zieke weg te houden, of misschien had de onbetrouwbare Maisry haar taak als oppas weer opgevat. Nog waarschijnlijker was dat ze in de stal met haar hond aan het spelen was en er niet meer aan dacht haar chavotte aan Kivrin te laten zien.
De pest begon met hoofdpijn en koorts. Het kan de pest niet zijn, dacht Kivrin. Je hebt er helemaal geen symptomen van. Builen zo groot als sinaasappelen, een dik opgezette tong, onderhuidse bloedingen waar je hele lichaam zwart van werd. Je hebt de pest niet.
Het moest een of andere griep zijn. Dat was de enige ziekte die zo abrupt inzette. Dokter Ahrens was er ook op tegen geweest dat Gilchrist de reis vervroegde, want haar vaccins zouden pas de vijftiende volledig werkzaam zijn en voor die tijd was ze slechts gedeeltelijk immuun. Het moest de griep zijn. En wat was de voorgeschreven behandeling? Anti-virusmiddelen, bedrust, veel drinken.
Rust dan maar uit, dacht ze, en ze sloot haar ogen.
Ze moest ongemerkt in slaap zijn gevallen, want de twee vrouwen stonden in de kamer te praten en Kivrin kon zich niet herinneren dat ze binnen waren gekomen.
‘Wat zei Gawyn?’ vroeg de oude dame. Ze zat met een lepel in een kom te roeren. Het met ijzer beslagen kistje stond open naast haar. De vrouw haalde er een klein stoffen zakje uit, sprenkelde de inhoud in de kom en ging verder met roeren.
‘Hij heeft niets gevonden waaruit kan blijken wie ze is. Al haar goederen zijn gestolen, de kisten opengebroken en leeggehaald. Maar hij zei dat de wagen goed gemaakt was. Ze is zeker van goeden huize.’
‘En even zeker is haar familie naar haar op zoek,’ zei de oude vrouw. Ze had de kom neergezet en scheurde met veel lawaai een lap stof aan stukken. ‘We moeten iemand naar Oxenford sturen om te laten weten dat ze veilig en wel bij ons is.’
‘Nee,’ zei Eliwys, met hoorbare tegenzin. ‘Niet naar Oxenford.’
‘Wat heb je gehoord?’
‘Ik heb niets gehoord,’ zei Eliwys, ‘alleen dat mijn heer ons heeft gevraagd hier te blijven. Als alles goed gaat, is hij binnen een week bij ons.’
‘Als alles goed was gegaan, was hij er al geweest.’
‘Het geding was net begonnen. Misschien is hij al onderweg.’
‘Of misschien wordt…’ — weer een eigennaam, Torquil wellicht? — ‘opgehangen en mijn zoon met hem. Hij had zich niet met zulke kwesties mogen bemoeien.’
‘Hij is een vriend en de aanklacht is onterecht.’
‘Hij is een dwaas en mijn zoon nog het meest omdat hij voor hem wil getuigen. Een vriend zou hem uit Bath hebben weggestuurd.’ Ze begon weer in de inhoud van de kom te roeren. ‘Ik heb mosterd nodig.’ Ze ging naar de deur. ‘Maisry!’ riep ze, waarna ze de lap stof weer te lijf ging. ‘Heeft Gawyn nog een van haar knechten gevonden?’
Eliwys ging op het bankje zitten. ‘Nee, noch een van de paarden.’
Een meisje met een pokdalig gezicht en piekerig vet haar kwam binnen. Kon dit Maisry zijn, die liever met staljongens stoeide in plaats van op haar kinderen te passen? Ze maakte een onhandige kniebuiging en zei: ‘Wotwardstu, Lawttymayseen?’
O nee, dacht Kivrin, wat is er nu weer met de tolk?
‘Haal de mosterdpot uit de keuken, en vlug een beetje,’ zei de oude vrouw. Het meisje ging op weg naar de deur. ‘Waar zijn Agnes en Rosemund? Waarom zijn ze niet bij je?’
‘Shiyrouthamay,’ zei het meisje bokkig.
Eliwys ging staan. ‘Zeg op,’ zei ze scherp.
‘Ze verbergen… voor me.’
Het lag toch niet aan de tolk. Er was gewoon een verschil tussen het Normandische Engels van de adel en het nog Saksisch klinkende dialect van de boeren; geen van beide leek op het Middelengels dat Latimer haar zo opgewekt had bijgebracht. Het was een wonder dat de tolk er nog iets van kon maken.
‘Ik was ze net aan het zoeken toen vrouwe Imeyne mij riep, goede vrouwe,’ zei Maisry. De tolk pikte het allemaal op, al liep hij een paar seconden achter. Maisry klonk er tamelijk sloom door, wat misschien ook wel zou kunnen kloppen.
‘Waar was je aan het zoeken? In de stal?’ Eliwys gaf haar met beide handen een klap om haar oren, alsof het hoofd van het meisje een gong was. Maisry gilde het uit en drukte een vuile hand tegen haar linkeroor. Kivrin legde geschrokken haar hoofd op het kussen.
‘Ga de mosterd voor vrouwe Imeyne halen en zorg dat je Agnes vindt.’
Maisry knikte. Ze hield haar hand tegen haar oor, maar ze zag er niet al te angstig uit. Na weer zo’n onbeholpen kniebuiging ging ze net zo kalm de kamer uit als ze binnen was gekomen. Kivrin was nog erger geschrokken van de abrupte oorvijg dan het meisje en ze vroeg zich af of vrouwe Imeyne haar mosterd snel zou krijgen.