Выбрать главу

Ze was verrast door de onverwachte en bedaarde manier waarop Eliwys de afstraffing had toegediend. Eliwys leek niet bijzonder boos te zijn en zodra Maisry weg was, ging ze weer op het stenen bankje zitten en zei kalm: ‘De vrouwe is niet in staat om te reizen, zelfs al komt haar familie haar halen. Ze kan bij ons blijven tot mijn gemaal terugkomt. Hij zal er zeker met Kerstmis zijn.’

Er klonk rumoer op de trap. Kivrin dacht dat ze het bij het verkeerde eind had gehad, de oorvijg had blijkbaar toch effect gesorteerd. Maar het was Agnes die naar binnen holde, met iets tegen haar borst geklemd.

‘Agnes!’ zei Eliwys. ‘Wat doe jij hier?’

‘Ik heb mijn… gehaald.’ De tolk verstond het nog steeds niet. Charette? ‘Ik wil hem aan de vrouwe laten zien.’

‘Het is heel lelijk om je voor Maisry te verstoppen en de vrouwe hier te storen,’ zei Imeyne. ‘Ze is nog erg ziek.’

‘Maar ze zei dat ze hem wilde zien.’ Ze hield het voorwerp omhoog. Het was een speelgoedwagentje, rood- en goudkleurig, met twee wielen.

‘God straft alle leugenaars met eeuwige kwellingen,’ zei vrouwe Imeyne, die het kind ruw beetpakte. ‘Je weet heel goed dat ze niet kan praten.’

‘Ze heeft iets tegen me gezegd,’ zei Agnes koppig.

Goed zo, dacht Kivrin. Eeuwige kwellingen, echt iets om een kind angst mee aan te jagen. Maar in de middeleeuwen dreigden de priesters voortdurend met het jongste oordeel en de verschrikkingen van de hel.

‘Ze zei dat ze mijn wagentje wilde zien,’ zei Agnes. ‘En dat ze geen hond heeft.’

‘Je verzint maar wat,’ zei Eliwys. ‘De vrouwe kan niet spreken.’ Ik moet iets doen, dacht Kivrin, anders krijgt dat kind ook een oorvijg.

Ze duwde zichzelf omhoog op haar ellebogen, een inspanning waardoor ze buiten adem raakte. ‘Ik heb met Agnes gepraat,’ zei ze, en ze hoopte vurig dat de tolk zijn werk zou doen. Het zou de laatste druppel zijn als hij nu weer dienst weigerde en Agnes een pak rammel kreeg. ‘Ik vroeg of ik de wagen mocht zien.’

Beide vrouwen draaiden zich om. Eliwys zette grote ogen op. De oude vrouw kreeg een verbaasde en daarna boze uitdrukking op haar gezicht, alsof ze vond dat Kivrin de boel had belazerd.

‘Ik zei het toch.’ Agnes ging opgetogen met haar wagen naar het bed.

Kivrin liet zich uitgeput zakken. ‘Waar ben ik?’ vroeg ze.

Het duurde even voor Eliwys zichzelf weer in de hand had. ‘U bent te gast in het huis van mijn heer gemaal,…’ De eigennaam leverde weer problemen op. Het klonk als Guillaume d’Iverie of Devereaux.

Eliwys keek haar gespannen aan. ‘De privé van mijn gemaal heeft u in het bos gevonden en hier gebracht. U bent op de weg overvallen en ernstig gewond geraakt. Wie heeft u aangevallen?’

‘Ik weet het niet,’ zei Kivrin.

‘Mijn naam is Eliwys en dit is de moeder van mijn gemaal, vrouwe Imeyne. Hoe is uw naam?’

Dit was het moment om het zorgvuldig voorbereide verhaal te vertellen. De priester had ‘Katherine’ verstaan, maar vrouwe Imeyne had al duidelijk gemaakt dat ze in hem geen enkel vertrouwen stelde. Ze geloofde niet eens dat hij Latijn kende. Kivrin zou kunnen zeggen dat hij het verkeerd verstaan had en dat ze Isabel de Beauvrier heette, dat ze in haar ijlkoorts de naam van haar moeder of haar zuster had genoemd. Of dat ze tot Sinte Katherine gebeden had.

‘Van welke familie bent u?’ vroeg vrouwe Imeyne.

Het was een heel goed verhaal. Daarmee zou ze haar identiteit en haar plaats in de samenleving bekendmaken en er tegelijk voor zorgen dat ze haar niet weg zouden sturen. Yorkshire was te ver weg en de wegen naar het noorden waren onbegaanbaar.

‘Waarheen voerde uw reis?’ zei Eliwys.

Middeleeuwen had het weer en de toestand van de wegen grondig bestudeerd. Het had in december veertien dagen lang geregend en strenge vorst had de drassige wegen tot eind januari vrijwel onbegaanbaar gemaakt. Maar Kivrin had met eigen ogen de weg naar Oxford gezien, die was droog en goed te berijden. En Middeleeuwen had net zo ‘grondig’ de kleuren van haar kledij en het gebruik van glas in woningen van de adel bestudeerd. En de taal.

‘Ik kan het me niet herinneren,’ zei Kivrin.

‘Helemaal niets?’ Eliwys keek naar vrouwe Imeyne. ‘Ze weet er niets meer van. Het is de slag op haar hoofd, daardoor is ze haar geheugen kwijt.’

‘Nee…’ zei Kivrin aarzelend. Het was niet de bedoeling dat ze geheugenverlies zou voorwenden. Ze moest Isabel de Beauvrier zijn, uit East Riding. Misschien waren de wegen in het noorden wel degelijk onbruikbaar en Eliwys wilde Gawyn niet eens naar Oxford laten gaan of naar Bath om haar gemaal te halen. Dan zou ze hem zeker niet naar East Riding sturen.

‘Weet u zelfs uw eigen naam niet meer?’ zei vrouwe Imeyne. Ze boog zich over Kivrin heen, zodat die haar adem kon ruiken. Het was een smerige geur van verrotting. Ook zij moest een slecht gebit hebben.

‘Hoe is uw naam?’

Volgens Latimer was Isabel in de veertiende eeuw de gebruikelijkste meisjesnaam. Hoe gebruikelijk was Katherine? En Middeleeuwen wist niet hoe de andere dochters heetten. Wie weet was Yorkshire toch niet ver genoeg en kende vrouwe Imeyne de familie. Dan zou ze er helemaal van overtuigd zijn dat Kivrin een spionne was. Misschien moest ze zich toch maar aan het plan houden en zeggen dat ze Isabel de Beauvrier was.

De oude vrouw zou maar al te graag geloven dat de priester haar verkeerd had verstaan. Het zou het zoveelste bewijs zijn van zijn onwetendheid en onkunde, een reden te meer om een andere geestelijke uit Bath te laten komen. Maar hij had Kivrins hand vastgehouden en gezegd dat ze niet bang hoefde te zijn.

‘Mijn naam is Katherine,’ zei ze.

AFSCHRIFT UIT HET DOMESDAY BOOK
(001300–002018)

Ik ben niet de enige die problemen heeft, meneer Dunworthy. Dat hebben de mensen bij wie ik te gast ben ook, geloof ik.

De heer des huizes, Guillaume, is afwezig. Hij is in Bath, waar hij moet getuigen op een proces tegen een vriend en dat is blijkbaar een riskante onderneming. Zijn moeder, vrouwe Imeyne, vindt het dwaasheid dat hij zich ermee bemoeit en vrouwe Eliwys, zijn echtgenote, is bezorgd en zenuwachtig.

Ze zijn hier overhaast en zonder lijfbedienden gekomen. In de veertiende eeuw hadden edelvrouwen minstens één kamenierster, maar Eliwys en Imeyne doen alles zelf en Guillaumes twee dochtertjes moeten het zonder gouvernante stellen. Vrouwe Imeyne wilde een kindermeisje en een andere kapelaan laten komen, maar dat staat vrouwe Eliwys niet toe.

Ik denk dat heer Guillaume moeilijkheden verwacht en zijn vrouwen daarom heeft weggestuurd. Of misschien is er al iets ergs gebeurd. Agnes, het jongste kind, zei dat de kapelaan en een zekere Gilbert dood waren. Gilbert had ‘een rood hoofd’, dus misschien is er gevochten en zijn de vrouwen gevlucht. Een privé van heer Guillaume is met hen meegekomen en hij is gewapend.

In 1320 waren er in Oxfordshire geen grote opstanden tegen Edward II. Toch was niemand erg gelukkig met de koning en zijn favoriet Hugh Despenser en overal elders waren er samenzweringen en schermutselingen. Twee baronnen, Lancaster en Mortimer, wisten dat jaar — dit jaar — drieënzestig heerlijkheden op Despenser te veroveren. Misschien is heer Guillaume of zijn vriend bij een van die samenzweringen betrokken.

Natuurlijk kan het ook iets heel anders zijn, een geschil over grond of iets dergelijks. In de veertiende eeuw werden er bijna net zoveel rechtszaken aangespannen als aan het eind van de negentiende. Maar ik denk het toch niet. Vrouwe Eliwys is erg schichtig en ze heeft vrouwe Imeyne verboden tegen iemand te zeggen dat ze er zijn.

Dat komt wel zo goed uit, denk ik. Als ze tegen niemand iets zeggen, kunnen ze het ook niet over mij hebben of een bode uitsturen om navraag naar mij te doen. Aan de andere kant kunnen elk ogenblik gewapende mannen de deur intrappen. En dat kan Gawyn het leven kosten, de enige die weet waar het rendez-vous is.