(Pauze)
15 december 1320 (Oude Stijl). De tolk doet het nu min of meer en ik geloof dat de mensen mij verstaan. Dat is omgekeerd ook het geval, hoewel hun Middelengels helemaal niet lijkt op wat Latimer mij heeft geleerd. Ze leggen veel accenten en de uitspraak is zachter, bijna Frans. Latimer zou zelfs zijn ‘Whan that Aprille with his shoures sote’ niet herkennen.
De tolk vertaalt de meeste zinnen woord voor woord, ook als de moderne volgorde anders is, en het is heel lastig als je daarbij gaat nadenken. Bovendien is hij nogal traag en ik heb moeite met de goede uitspraak. Ik denk daarom maar in modern Engels en hoop dat de tolk er iets goeds van maakt, zonder de woorden en de accenten te verminken. Ik zou mezelf wel eens willen horen. Ik denk dat ik klink als een Franse spionne.
De tolk is niet het enige struikelblok. Mijn kleed is niet goed, veel te fijn geweven en te fel van kleur, ondanks de wede. Ik heb hier helemaal geen felle kleuren gezien. Ik ben te lang, mijn tanden zijn te wit en na al dat graven in Skendgate zijn mijn handen nog te netjes. Ze moeten niet alleen nog vuiler zijn, maar ik zou ook winterhanden moeten hebben. Iedereen hier, zelfs de kinderen, loopt met geschaafde en bloedende handen. Het is per slot van rekening december.
Het is vijftien december. Ik hoorde Imeyne en Eliwys ruzie maken over een andere huiskapelaan en Imeyne zei: ‘We hebben nog tijd genoeg om iemand te sturen. Het is nog tien volle dagen tot Kerstmis.’ Zegt u dus maar tegen Gilchrist dat ik in elk geval weet welke datum het is. Maar ik weet niet hoe ver ik van het rendez-vous af ben. Gawyn heeft me hierheen gebracht, maar die hele nacht is als een droom voor me en sommige dingen die ik me meen te herinneren, zijn helemaal niet gebeurd. Ik herinner me een wit paard met belletjes aan zijn toom en die belletjes speelden kerstliedjes, net als het carillon van Carfax Tower.
Bij u is het nu dus kerstavond, na de sherry naar St. Mary the Virgin voor de oecumenische dienst. Het is moeilijk voor te stellen dat u zevenhonderd jaar bij me vandaan bent. Het is net of ik alleen maar uit bed hoef te stappen — wat ik niet kan vanwege de duizeligheid, ik geloof dat ik nog steeds koorts heb — en de deur open te doen om in het lab van Brasenose te staan in plaats van in een middeleeuwse slotzaal. Was het maar waar, dan kon ik Badri en dokter Ahrens en alle anderen weer zien. U ook, meneer Dunworthy, al zou u vast uw brilleglazen oppoetsen en vragen: ‘Heb ik het niet gezegd?’
12
Vrouwe Imeyne geloofde niet dat Kivrin haar geheugen kwijt was. Agnes ging haar Blackie halen, een kleine zwarte pup met enorme poten. ‘Dit is mijn hondje, vrouwe Kivrin.’ Ze hield het beest met twee handen bij zijn dikke buik vast en gaf hem aan Kivrin. ‘Je mag hem aaien. Weet je nog hoe dat moet?’
‘Ja,’ zei Kivrin. Ze pakte de pup uit de al te harde greep van het meisje en streelde zijn donzige vacht. ‘Moest je geen naaiwerk doen?’
Agnes nam de pup van haar over. ‘Grootmoeder maakt ruzie met de hofmeester en Maisry is naar de stal gegaan.’ Ze trok de kop van het hondje naar zich toe om het een zoen te geven. ‘Daarom ben ik bij jou gekomen. Grootmoeder is erg boos. De meier was hier met heel zijn familie gaan wonen toen wij weg waren.’ Ze gaf de pup nog een zoen. ‘Grootmoeder zegt dat het zijn gemalin is die hem tot zonde verleidt.’
Grootmoeder? Dat woord had Agnes helemaal niet uitgesproken. Het was pas in de achttiende eeuw in zwang gekomen, maar de tolk maakte nu soms de raarste sprongen. Agnes’ uitspraak van Katherine als ‘Kivrin’ klopte nog steeds niet en soms werd een woord overgeslagen waarvan de betekenis duidelijk uit het verband bleek. Ze hoopte maar dat haar onderbewuste niet helemaal van slag was.
‘Ben jij een daltriss, vrouwe Kivrin?’ zei Agnes.
Kennelijk niet. ‘Wat?’ vroeg ze.
‘Een daltriss,’ zei Agnes. De pup kronkelde om zich uit haar greep te bevrijden. ‘Grootmoeder zegt van wel. Ze zegt dat een vrouw zich niets wil herinneren als ze bij haar gemaal is weggelopen.’
Een adulteress, een overspelige vrouw. Dat was in elk geval beter dan een Franse spionne. Hoewel vrouwe Imeyne misschien dacht dat ze allebei was.
Agnes knuffelde het hondje. ‘Grootmoeder zegt dat een dame midden in de winter niet door het bos moet reizen.’
Vrouwe Imeyne had gelijk, dacht Kivrin, en meneer Dunworthy ook. Ze was er nog steeds niet achter waar het rendez-vous was, hoewel ze gevraagd had of ze Gawyn kon spreken toen vrouwe Eliwys die ochtend haar wond kwam verzorgen.
‘Hij is uitgereden om de struikrovers te zoeken.’ Eliwys had een bijtende, naar knoflook stinkende zalf op Kivrins slaap gesmeerd. ‘Weet u niets meer van ze?’
Kivrin had haar hoofd geschud. Ze hoopte dat haar zogenaamde geheugenverlies niet de een of andere arme boer het leven zou kosten. Ze kon moeilijk zeggen ‘Nee, dat is hem niet’, als ze zich niets herinnerde.
Misschien had ze dat beter niet kunnen zeggen. Het was erg onwaarschijnlijk dat iemand de familie De Beauvrier kende en haar zwijgzaamheid had vrouwe Imeyne alleen maar wantrouwiger gemaakt.
Agnes probeerde haar mutsje op de kop van de pup te zetten. ‘Er zijn wolven in het bos,’ zei ze. ‘Gawyn heeft er een doodgeslagen met zijn bijl.’
‘Agnes, heeft Gawyn verteld dat hij mij heeft gevonden?’ vroeg Kivrin.
‘Ja. Blackie heeft mijn muts op.’ Ze knoopte de koordjes strak aan elkaar.
‘Ik geloof niet dat hij het leuk vindt,’ zei Kivrin. ‘Waar heeft hij mij gevonden?’
‘In het bos,’ zei Agnes. Het hondje wurmde zich onder de muts uit en viel bijna van het bed. Ze zette het midden op de deken en tilde zijn voorpoten op. ‘Blackie kan dansen.’
‘Mag ik hem vasthouden?’ zei Kivrin, om het arme dier te redden. Ze nam het in haar armen. ‘Waar ergens in het bos?’
Agnes ging op haar tenen staan om haar hondje te kunnen zien. ‘Blackie slaapt,’ fluisterde ze.
De pup was uitgeput na alle capriolen die hij van Agnes had moeten uithalen. Kivrin legde hem naast zich op de deken. ‘Was het ver hier vandaan?’
‘Ja,’ zei Agnes. Kivrin merkte dat ze er niets van wist.
Het was nutteloos. Agnes kon haar niets vertellen. Ze moest met Gawyn praten. ‘Is Gawyn al terug?’
‘Ja.’ Agnes aaide het slapende hondje. ‘Wil je met hem praten?’
‘Ja,’ zei Kivrin.
‘Ben je nou een daltriss of niet?’
Agnes sprong van de hak op de tak. ‘Nee,’ zei Kivrin, voor ze er erg in had dat ze zich niets kon herinneren. ‘Ik weet helemaal niet meer wie ik ben.’
Agnes klopte Blackie op zijn kop. ‘Grootmoeder zegt dat alleen een daltriss zo onbeschaamd naar Gawyn durft te vragen.’
De deur ging open en Rosemund kwam binnen. ‘Ze zijn je overal aan het zoeken, stommerd,’ zei ze, met haar handen op haar heupen.
‘Ik was met vrouwe Kivrin aan het praten,’ zei Agnes. Ze keek angstig naar Blackie, die bijna onzichtbaar was tegen het sabelbont. Honden mochten blijkbaar niet in de kamer. Kivrin trok het ruwe laken over de pup heen om hem voor Rosemund te verbergen.
‘Moeder zegt dat ze rust moet hebben om beter te worden,’ zei Rosemund streng. ‘Kom mee. Ik moet grootmoeder vertellen dat ik je heb gevonden.’ Ze nam haar zusje mee de kamer uit.
Kivrin keek hen na. Ze hoopte vurig dat Agnes niet zou vertellen dat ze weer naar Gawyn had gevraagd. Ze dacht dat ze er een goede reden voor had, want het was vanzelfsprekend dat ze wilde weten waar de struikrovers met haar bezittingen heen waren gevlucht, maar het was in de veertiende eeuw ongepast dat een edelvrouw ‘onbeschaamd’ een jonge man te spreken vroeg.