Eliwys mocht met hem praten omdat zij in afwezigheid van haar echtgenoot het huis bestierde en vrouwe Imeyne was de moeder van zijn heer, maar Kivrin had moeten wachten tot Gawyn haar had aangesproken en hem dan moeten antwoorden met alle bescheidenheid die een jonge maagd paste. Toch moet ik met hem praten, dacht ze, hij is de enige die weet waar het rendez-vous is.
Agnes kwam plotseling weer naar binnen hollen en pakte het slapende hondje op. ‘Grootmoeder was erg boos. Ze dacht dat ik in de put was gevallen,’ zei ze en rende weer naar buiten.
En ongetwijfeld heeft ‘grootmoeder’ er Maisry een oorvijg voor gegeven, dacht Kivrin. Maisry had eerder die dag al de wind van voren gekregen, toen Agnes was weggeslopen om Kivrin de zilveren halsketting van vrouwe Imeyne te laten zien. Ze noemde het sieraad een rillieclary, een woord dat de tolk niet kon plaatsen. Het zat in een kistje en had volgens Agnes nog aan Sint Stefanus toebehoord. Kivrin begreep dat ze een relikwie bedoelde. Maisry kreeg van Imeyne een tik in haar pokdalige gezicht omdat ze het kind uit het oog had verloren en het er met de relikwie vandoor had laten gaan, hoewel het Agnes blijkbaar niet meer verboden was naar de ziekenkamer te gaan.
De vrouwen schenen zich niet de minste zorgen te maken om de kinderen, die bij Kivrin mochten komen wanneer ze maar wilden. En zelf waren Eliwys en Imeyne blijkbaar ook niet bang om aangestoken te worden.
Natuurlijk begrepen de middeleeuwers niet hoe ziekten werden overgedragen. Ze geloofden dat ziekte het gevolg was van een zonde, en epidemieën een straf van God, maar ze wisten wel dat besmetting mogelijk was. Tijdens de Zwarte Dood was het algemene motto geweest: ‘Ga snel weg en blijf weg’, en al voor die tijd waren zieken in afzondering gehouden.
Dat is hier niet het geval, dacht Kivrin. Als ze de meisjes nu eens aanstak? Of Vader Roche? Hij was die hele nacht dicht bij haar geweest, hij had haar aangeraakt en gevraagd hoe ze heette. Fronsend probeerde ze het zich te herinneren. Ze was van het paard gevallen en ze had het vuur gezien. Of nee, dat was maar verbeelding. Net als het witte paard. Gawyn had een zwart paard.
Ze waren door het bos gereden, een heuvel af en langs een kerk, en de moordenaar… Het was hopeloos. Die hele nacht was een vage droom vol angstaanjagende gezichten en klokgelui en vlammen. Zelfs de open plek was wazig, onduidelijk. Ze herinnerde zich een eik en wilgen, ze was met haar rug tegen het karrewiel gaan zitten omdat ze zo duizelig werd en de moordenaar… Nee, die moordenaar bestond alleen in haar verbeelding. Net als het witte paard. Misschien was er ook geen kerk geweest.
Ze zou Gawyn naar de open plek moeten vragen, maar niet waar vrouwe Imeyne bij was, die dacht dat ze een daltriss was. Ze moest beter worden, sterk genoeg om uit bed te komen, naar beneden te gaan en Gawyn in de stal op te zoeken, zodat ze met hem alleen was. Ze moest beter worden.
Ze voelde zich wat sterker, maar ze kon nog niet zonder hulp naar de kamerpot. De duizeligheid was verdwenen, net als de koorts, alleen was ze nog heel snel buiten adem. De vrouwen vonden kennelijk ook dat ze aan de beterende hand was. Ze hadden haar het grootste deel van de ochtend alleen gelaten. Eliwys was even bij haar geweest om de stinkende zalf op haar slaap te smeren. Zo kon Kivrin een plannetje smeden om ongepaste toenadering tot Gawyn te zoeken.
Ze probeerde niet te veel te tobben over wat Agnes had gezegd, over haar gebrekkige afweersysteem of over de open plek in het bos. Ze hield zoveel mogelijk rust. De hele middag was ze alleen. Ze probeerde een paar keer rechtop te gaan zitten en haar benen over de rand van het bed te schuiven. Toen Maisry met een bieslampje binnenkwam om haar op de pot te helpen, was Kivrin in staat op eigen kracht terug te gaan naar het bed.
Het werd een koude nacht. Agnes kwam de volgende ochtend naar haar toe, gehuld in een rode kapmantel van heel dikke wol en met witte bontwanten aan haar handen. ‘Wil je mijn zilveren gesp zien? Die heb ik van heer Bloet gekregen. Ik zal hem morgen meebrengen. Vandaag kan ik niet, want we gaan het joelblok halen.’
‘Het joelblok?’ zei Kivrin geschrokken. Het houtblok dat met Kerstmis op het haardvuur werd gelegd, werd vanouds op kerstavond uit een boomstam gezaagd, maar Kivrin dacht dat het pas de zeventiende was. Had ze vrouwe Imeyne verkeerd begrepen?
‘Ja,’ zei Agnes. ‘Thuis gaan we pas op kerstavond, maar ze zeggen dat het gaat sneeuwen en grootmoeder wil dat we gaan nu het nog mooi weer is.’
Sneeuw, dacht Kivrin. Hoe kon ze de open plek terugvinden als het ging sneeuwen? De kar en haar kisten lagen er nog, maar zelfs een paar centimeter sneeuw zou voldoende zijn om het pad naar het bos onvindbaar te maken.
‘Gaan jullie allemaal naar het bos?’ vroeg Kivrin.
‘Nee. Vader Roche is moeder komen halen. Een van haar boeren is ziek.’
Vandaar dat Imeyne ongestoord de tiran uithing, ze had Maisry en de meier er al van langs gegeven en Kivrin ervan beschuldigd een overspelige vrouw te zijn. ‘Gaat je grootmoeder ook mee?’
‘Ja. Ik ga op mijn pony.’
‘En Rosemund?’
‘Ja.’
‘En de meier?’
‘Ja,’ zei Agnes ongeduldig. ‘Het hele dorp gaat mee.’
‘Gawyn ook?’
‘Néé,’ zei het kind, alsof dat vanzelfsprekend was. ‘Ik moet naar de stal om Blackie gedag te zeggen.’ Ze holde weg.
Vrouwe Imeyne ging mee, net als de meier, en vrouwe Eliwys bekommerde zich om een zieke boer. Gawyn bleef achter, om een reden die Agnes wel wist maar Kivrin niet. Misschien was hij met Eliwys meegegaan. Maar als hij hier bleef om de hofstede te bewaken, zou ze hem onder vier ogen kunnen spreken.
Maisry zou blijkbaar ook meegaan, want toen ze Kivrins ontbijt kwam brengen droeg ze een ruwe bruine mantel en lappen stof om haar benen. Ze hielp Kivrin op de pot en bracht die de kamer uit. Even later kwam ze terug met een stoof vol gloeiende kolen. Kivrin had haar nog nooit zo druk in de weer gezien.
Ze wachtte een uur nadat Maisry was weggegaan om er zeker van te zijn dat iedereen het huis uit was. Daarna stapte ze uit bed, ging naar het venster en trok de linnen doek opzij. Ze zag alleen boomtakken en de donkergrijze lucht, het was buiten nog kouder dan binnen. Ze ging op het bankje staan.
De kamer lag boven de voorhof. Er was niemand te zien en de houten poort stond open. De plavuizen van de binnenplaats en de rietdaken van de lage bijgebouwen glinsterden van het vocht. Ze stak haar hand naar buiten, maar het sneeuwde nog niet. Ze stapte van het bankje, steunde tegen de ijskoude muur en warmde zich aan de stoof.
Veel warmte gaf het ding niet. Kivrin rilde in haar dunne hemd en drukte haar armen tegen haar borst. Ze vroeg zich af waar haar kleren gebleven waren. In de middeleeuwen werden kleren aan palen naast het bed gehangen, maar deze kamer had geen palen en ook geen haken.
Ze vond haar kleding netjes opgevouwen in de kist bij het voeteneind van het bed. Ze haalde de kleren eruit, blij dat haar laarzen erbij waren, deed het deksel dicht en ging zitten om op adem te komen.
Ik moet op krachten komen, want vanmorgen moet ik met Gawyn praten, dacht ze. Nu is iedereen weg en straks gaat het sneeuwen.
Ze kleedde zich zoveel mogelijk zittend aan en steunde tegen de bedstijlen om haar maillot en laarzen aan te trekken. Daarna ging ze op het bed liggen. Ik moet even rusten, dacht ze, tot ik weer warm ben. Ze viel onmiddellijk in slaap.
Ze werd gewekt door de klok. Het geluid kwam uit zuidwestelijke richting, net als toen ze was doorgekomen. Gisteren had de klok de hele dag geluid en toen hij ophield was Eliwys naar het venster gegaan om naar buiten te kijken, alsof ze wilde zien wat er gebeurd was. Het binnenvallende licht was schemerig geworden, maar dat kwam door de laaghangende wolken die zich samenpakten. Kivrin trok haar mantel aan en deed de deur open. De trap was steil, uitgehakt in de stenen muur, zonder leuning. Agnes mocht van geluk spreken dat ze alleen haar knie had opengehaald, ze had net zo goed hals over kop naar beneden kunnen duikelen. Kivrin hield haar hand tegen de muur en rustte halverwege de trap even uit. Ze keek naar de zaal.