Выбрать главу

Ik ben er echt, dacht ze. Dit is het jaar 1320. De opgestapelde kolen van het haardvuur in het midden van de ruimte gloeiden dofrood en er viel wat licht naar binnen door het rookgat erboven en door de hoge smalle vensters, maar de zaal was voor het grootste deel in het donker gehuld.

Ze bleef staan om de rokerige ruimte in te turen. Op een verhoging tegen de achtermuur stonden twee hoge stoelen; die van heer Guillaume versierd met houtsnijwerk, van vrouwe Eliwys iets lager en minder fraai bewerkt. Erachter hingen wandtapijten en aan de zijkant een ladder die naar een bovenkamer of hooizolder moest leiden. Zware houten tafels en brede banken stonden langs de andere muren en bij de trap, tegen een scheidingsmuur, stond een smallere bank: het bedelaarsbankje.

Kivrin ging verder naar beneden en liep op haar tenen naar de tussenmuur. Haar zolen kraakten luid op de droge halmen die op de vloer waren uitgestrooid. In sommige kastelen scheidde de tussenmuur een aparte kamer af, met aan weerskanten bedsteden, maar deze was alleen bedoeld om de kou van de ingang tegen te houden. Er lag een smalle gang achter en hier zag Kivrin haken om kleren aan op te hangen. Er hingen geen mantels aan. Goed zo, dacht Kivrin, ze zijn allemaal weg.

De deur stond open. In het kleine portaal stonden een paar oude laarzen, een houten emmer en het speelgoedwagentje van Agnes. Kivrin vond het jammer dat ze niet kon gaan zitten, ze moest blijven staan tot haar gierende ademhaling wat rustiger was geworden. Daarna keek ze voorzichtig naar buiten.

De afgesloten binnenplaats was verlaten. Hij was geplaveid met min of meer platte gele stenen, maar in het midden, waar een uitgeholde boomstam als watertrog dienst deed, lag een grote modderplas. In de bruine troep waren talrijke afdrukken van laarzen en paardehoeven te zien. Een magere, bijna kale kip deed zich roekeloos te goed aan het vuile water. Kippen werden alleen gehouden voor de eieren. In de veertiende eeuw werd het vlees van duiven meer gewaardeerd.

Bij de poort stond een duiventil en het met riet bedekte gebouw ernaast moest de keuken zijn, de andere, kleinere bouwsels waren opslagkamers. Aan de andere kant lag de stal met de grote deur en los daarvan stond de stenen schuur.

Ze ging eerst naar de stal. Blackie kwam met onhandige sprongetjes aangerend om haar te begroeten. Ze zette het vrolijk blaffende hondje weer in de stal en sloot de zware houten deur. Gawyn was er niet. Hij was evenmin in de schuur, in de keuken of in een van de bijgebouwen, waarvan het grootste was ingericht als bierbrouwerij. Agnes had op stellige toon gezegd dat hij niet met de anderen meeging om het joelblok te halen en daarom was Kivrin ervan uitgegaan dat hij was achtergebleven om de hofstede te bewaken. Nu vroeg ze zich af of hij niet met Eliwys naar de zieke boer was gegaan.

Dan moet ik zelf de open plek zien te vinden, dacht ze. Ze ging weer op weg naar de stal, maar halverwege bleef ze staan. Ze zou er nooit in slagen op eigen kracht op een paard te klimmen, laat staan dat ze er met die duizeligheid op zou kunnen rijden. En in deze toestand kon ze ook niet door het bos gaan dwalen. Maar ik heb geen keus, dacht ze. Iedereen is weg en het gaat sneeuwen.

Ze keek naar de poort en naar de smalle doorgang tussen de schuur en de stal. Welke kant moest ze uit? Ze waren over een heuvel gekomen en langs een kerk. Ze herinnerde zich het klokgelui. De poort en de binnenplaats had ze niet gezien, maar toch leek dat de aangewezen weg te zijn.

Ze liep naar de poort, waardoor de kip geschrokken haar toevlucht zocht achter de waterput, en keek de weg af. Na een houten brug over een smal water liep de weg in zuidelijke richting naar het bos. Maar daar zag ze geen heuvels, geen kerk en geen dorp, geen enkele aanwijzing dat dit de goede richting was.

Er moest ergens een kerk zijn. Ze had de klok gehoord toen ze in bed lag. Kivrin stak de voorhof weer over en volgde het modderige paadje. Ze kwam langs een met rietmatten afgezette ronde kraal met twee vieze varkens erin en langs een van ver te ruiken privaat. Gelukkig liep het pad hier niet dood, maar voerde langs het privaat naar een open veld.

En nu zag ze het dorp, met de kerk aan de rand van het veld, precies zoals ze het zich herinnerde, en daarachter de heuvel waarover ze waren gekomen.

Het open veld mocht geen dorpsplein heten. Aan de ene kant stonden hutten en aan de andere kant lag het met wilgen omzoomde stroompje; op het karige gras in het midden graasde een koe en een geit was vastgebonden aan een grote kale eik. Rond de hutten lagen schoven hooi en stapels afval. De bouwsels waren kleiner en vormlozer naarmate ze verder van de hofstede af lagen, maar zelfs het dichtstbijzijnde, dat van de meier zou kunnen zijn, was niet meer dan een hutje. Alles zag er veel kleiner, smeriger en vervallener uit dan Kivrin zich van de historische video’s kon herinneren. Alleen de kerk voldeed aan haar verwachtingen.

De klokketoren stond apart, tussen het kerkhof en het open veld. Hij was duidelijk van later datum dan de kerk zelf, die Normandische gewelfde ramen had en uit grijze steen was opgetrokken. De toren was hoog en rond, en de steen was bijna goudkleurig.

Een weggetje, niet breder dan het bospad, liep langs het kerkhof en de toren naar de heuvel.

Daarlangs zijn we gekomen, dacht Kivrin. Ze ging op weg om het veld over te steken, maar zodra ze uit de beschutting van de schuur kwam, werd ze vol getroffen door de wind, die dwars door haar mantel drong en als een pijl in haar borst stak. Ze trok de mantel strak om zich heen en drukte hem met een vlakke hand tegen haar borst, waarna ze verder ging.

De klok in het zuidwesten begon weer te luiden. Ze vroeg zich af wat de reden was. Eliwys en Imeyne hadden er iets over gezegd, maar toen had ze de vrouwen nog niet verstaan, en gisteren had Eliwys er helemaal geen aandacht aan besteed. Misschien had het iets met de advent te maken. Kivrin wist dat de klokken traditioneel bij het donker worden op kerstavond werden geluid, evenals in het laatste uur voor middernacht. Misschien hadden ze nog andere tradities in de adventstijd.

Het pad was modderig en oneffen. Kivrin kreeg pijn in haar borst. Ze drukte haar hand nog steviger tegen zich aan en probeerde sneller te lopen. In de verte zag ze iets bewegen op een van de omliggende akkers. Misschien kwam de stoet al terug met het joelblok, of werden de dieren naar het dorp gebracht. Ze kon geen details onderscheiden. Het leek of het in de verte al sneeuwde. Ze moest opschieten.

Haar mantel wapperde in de wind en dode bladeren ritselden langs haar benen. De koe zocht met gebogen kop beschutting bij de hutten, hoewel die nauwelijks in staat waren de wind tegen te houden. Kivrin reikte met haar hoofd bijna tot de daken en ze zagen eruit als poppenhuisjes van lucifers.

De klok werd in een traag, gelijkmatig ritme geluid en Kivrin merkte dat ze in hetzelfde tempo was gaan lopen. Dat moest ze niet doen, ze moest snel zijn. Het kon elk moment gaan sneeuwen. Maar het hogere tempo veroorzaakte zulke pijnscheuten in haar borst dat ze begon te hoesten. Ze bleef staan en boog bijna dubbel tegen de pijn.

Ze zou het nooit halen. Stel je niet aan, dacht ze, je moet de open plek terugvinden. Je bent ziek, je moet terug naar huis. Loop eerst naar de kerk, daar kun je even rusten.

Ze liep door, maar het hoesten had haar van haar laatste adem beroofd. Ze haalde de kerk niet eens, laat staan het bos. Je moet doorgaan, zei ze streng tegen zichzelf. Je moet jezelf dwingen.

Ze bleef weer staan, dubbelgebogen tegen de pijn. Ze had zich zorgen gemaakt over de dorpelingen, maar nu hoopte ze dat er iemand uit een van de hutten zou komen om haar terug te brengen naar de hofstede. Maar iedereen was buiten in die ijzige wind, om het joelblok te halen of de dieren uit de wei te halen. Ze keek naar de akkers. De verre figuren waren verdwenen.