Выбрать главу

Ze stond tegenover de laatste hut. Daarachter lagen alleen nog maar een paar vervallen schuurtjes waar geen mens in zou kunnen wonen; het moesten stallen en voorraadschuren zijn. Nog iets verder zag ze de kerk. Ik moet het rustig aan doen, dacht ze, en ze ging weer op weg. Bij elke stap voelde ze de pijn in haar borst. Ze bleef staan en wankelde. Ik mag niet flauwvallen, dacht ze. Niemand weet waar ik ben.

Ze draaide zich om en keek naar het riddergoed. Ze zou niet eens meer terug kunnen komen. Ik moet gaan zitten, dacht ze, maar het pad was veel te modderig. Vrouwe Eliwys zorgde voor een boer, vrouwe Imeyne was met de meisjes en de rest van het dorp in het bos om het joelblok te halen. Niemand weet waar ik ben.

De wind wakkerde aan tot een storm die hard over de velden blies. Ik moet terug naar het huis, dacht Kivrin, maar daar was ze niet toe bij machte. Zelfs het staan was te inspannend voor haar. Ze zocht een plek waar ze kon zitten, maar het hele open veld was een modderpoel. Ze kon alleen de hut binnengaan.

Er stond een gammele schutting omheen, gemaakt van groen rijshout tussen paaltjes die niet hoger kwamen dan Kivrins knie. Een kat zou er zich niet door laten tegenhouden, laat staan de schapen en koeien die de schutting buiten moest houden. Alleen het hek was aan hogere palen bevestigd en Kivrin gebruikte een ervan als houvast. ‘Hallo,’ riep ze boven de wind uit, ‘is daar iemand?’

De voordeur lag maar een paar passen achter het hek en de hut kon nooit geluiddicht zijn. Veel bescherming tegen de wind bood hij evenmin. Ze zag een gat in de muur, waar het mengsel van klei en fijn stro los was geraakt van de in elkaar gevlochten matten. Als er iemand was, moest hij haar horen. Ze tilde het leren lusje op waarmee het hek aan de paal was bevestigd, ging naar de lage deur en klopte op een van de planken.

Er kwam niemand, zoals Kivrin al had verwacht. ‘Is daar iemand?’ riep ze weer, zonder naar de vertaling van haar tolk te luisteren. Ze probeerde de houten grendel op te lichten, maar die was te zwaar. Ze slaagde er ook niet in om hem los te trekken van de uitsteeksels in de deurposten. De hut leek elk moment weg te kunnen waaien en zij was te slap om de deur open te krijgen. Ze moest meneer Dunworthy vertellen dat middeleeuwse hutten niet zo bouwvallig waren als ze eruitzagen. Ze leunde tegen de deur en drukte haar handen tegen haar borst.

Ze moest terug naar het grote huis. Ze hield zich stevig beet aan het hek, dat ze netjes achter zich sloot en met het riempje vastmaakte. Daarna vond ze steun bij de magere rug van de koe. Het dier volgde haar een eindje, alsof ze dacht dat Kivrin haar ging melken, maar daarna ging ze door met grazen.

De deur van een van de onbewoonbare krotten ging open en een jongen kwam op blote voeten naar buiten. Hij bleef staan en keek angstig naar Kivrin.

Ze ging rechtop staan. ‘Mag ik binnen alsjeblieft even uitrusten?’ vroeg ze, na elk woord naar adem snakkend.

De jongen keek haar met open mond aan en zei niets. Hij was afschuwelijk mager, met armen en benen die niet dikker waren dan de twijgen van de schutting.

‘Wil je iemand gaan halen om me te helpen? Zeg maar dat ik ziek ben.’

Hij kan net zomin hardlopen als ik, besefte ze meteen. De voeten van de jongen waren blauw van de kou. Zijn lippen waren gesprongen en er zaten rode vegen op zijn gezicht, alsof hij een bloedneus had gehad. Hij heeft scheurbuik, dacht Kivrin, hij is er erger aan toe dan ik. ‘Ga naar het grote huis en vraag of er iemand komt,’ zei ze niettemin.

De jongen sloeg een kruis met een geschaafde, knokige hand. ‘Bighaull emeurdroud ooghattund enblastbardey,’ zei hij, terugdeinzend.

O nee, dacht Kivrin radeloos. Hij verstaat me niet en ik ben te zwak om het hem aan zijn verstand te brengen. ‘Help me alsjeblieft,’ zei ze. De jongen keek haar aan alsof hij dat in elk geval begreep. Hij deed een stap naar voren en rende toen plotseling weg in de richting van de kerk.

‘Wacht!’ riep Kivrin.

Hij holde langs de koe en de schutting en verdween achter de hut. Kivrin keek naar het schuurtje waar hij uitgekomen was. Het zag eruit als een hooischuur van houten palen, waarvan de tussenruimten waren opgevuld met gras en riet. De deur bestond uit een biezenmat, bij elkaar gehouden met een stuk zwart touw, en dreigde bij de eerste de beste windvlaag te zullen omvallen. De jongen had de deur opengelaten. Ze stapte over de drempel en ging naar binnen.

Het was er donker en rokerig, zodat Kivrin niets kon zien. Het stonk er vreselijk, net een stal. Nog erger dan een stal. Behalve beesten en het haardvuur rook ze schimmel en de kwalijke geur van ratten. Kivrin moest bijna tot haar middel voorover buigen om naar binnen te kunnen. Toen ze rechtop ging staan, stootte ze haar hoofd tegen de takken die het dak droegen.

Er was geen zitplaats in de woning, als het tenminste een woning was. De vloer was bezaaid met zakken en werktuigen, en het enige meubelstuk was een wankele tafel waarvan de ongelijke poten zich vanuit het midden naar de grond uitstrekten. Maar op die tafel stond een houten kom met een stuk brood erin en midden in de hut brandde een vuurtje in een ondiepe kuil.

Daarom hing er zoveel rook, ondanks de opening in het dak. Er lagen maar een paar takken op het vuur, maar de wind drong door de kieren in de ongelijke wanden en blies de rook door de kleine kamer. Kivrin begon te hoesten en kreeg meteen spijt. Haar borst leek elk ogenblik open te kunnen barsten.

Ze zette haar tanden op elkaar om het hoesten te bedwingen en liet zichzelf op een zak met uien zakken, waarbij ze zich vasthield aan de muur en aan een spade die ertegenaan stond. Ze voelde zich direct beter zodra ze zat, ook al was het zo koud dat ze haar eigen adem kon zien. Ik vraag me af hoe het hier in de zomer ruikt, dacht ze. Ze trok haar mantel dichter om zich heen en legde hem als een deken over haar knieën.

Er stond een flinke tochtstroom net boven de grond. Ze trok haar voeten onder haar mantel, pakte een kapmes dat naast de zak lag en stookte het vuurtje ermee op. De vlammen reikten met tegenzin wat hoger en verlichtten het inwendige van de hut, die er meer dan ooit uitzag als een schuur. Er was een hokje aangebouwd, afgeschut door een nog lager hekje dan dat bij de andere hut. Het vuur gaf niet genoeg licht om in het hok te schijnen, maar Kivrin hoorde een krabbelend geluid in die hoek.

Misschien hielden ze er een varken, hoewel de boeren in december hun varkens al geslacht moesten hebben, of een melkgeit. Kivrin stookte het vuur nog verder op om meer licht te krijgen.

Het geluid kwam niet uit het aanbouwsel achter het miezerige hekje, maar uit een kooi met een rond dak. De kooi was mooi afgewerkt, met een gladde metalen rand en een deurtje dat met een sierlijke klink was afgesloten, en verdiende een betere plaats dan die vuile hoek. In de kooi zat een rat. Zijn oogjes glinsterden in het licht van de opgelaaide vlammen.

Het beest hield een stukje kaas tussen zijn voorpoten en loerde naar Kivrin. Om hem heen lagen nog meer, vermoedelijk beschimmelde, brokjes kaas. Hij had meer te eten dan de bewoner van deze hut, dacht Kivrin, die doodstil op de hobbelige zak met uien bleef zitten. Waarom hadden ze de rat eigenlijk gevangen, hij kon hier toch geen kwaad?

Ze had natuurlijk wel eens ratten gezien, bij colleges psychologie en toen ze op fobieën werd getest bij het begin van haar studie. Maar dit was een heel ander soort, die in Engeland al zeker vijftig jaar niet meer was waargenomen. Het was eigenlijk een heel mooie rat, met een glanzende zwarte vacht, nauwelijks groter dan de witte proefratten in het lab van Psychologie, maar lang niet zo groot als de bruine rat die ze haar hadden laten zien.

Hij zag er ook veel schoner uit dan de bruine rat. Die leefde met zijn korte dofbruine vacht en zijn lange, afzichtelijke blote staart het liefst in rioolbuizen en metrotunnels. Toen ze voor het eerst over de middeleeuwen las, kon ze niet begrijpen hoe de mensen het uithielden met die walgelijke beesten in de schuur, laat staan in huis. De rat in de muur bij haar ziekbed maakte haar al misselijk van afschuw. Maar deze rat zag er eigenlijk heel behoorlijk uit met zijn zwarte oogjes en glanzende vacht. In elk geval schoner dan Maisry, en waarschijnlijk was hij nog intelligenter ook. Hij leek tamelijk onschuldig.