Выбрать главу

De rat scheen haar te horen en nam een beschaafd hapje van de kaas.

‘Maar zo onschuldig ben je niet,’ zei Kivrin. ‘Jij bent de grootste plaag van de middeleeuwen.’

De rat liet het stuk kaas vallen en ging naar de tralies. Zijn lange neusharen trilden. Hij ging met zijn roze voorpootjes tegen de tralies staan en keek Kivrin smekend aan.

‘Ik kan je echt niet vrijlaten.’ Het dier spitste zijn oren alsof hij haar kon verstaan. ‘Je eet het weinige graan dat er is op of maakt het oneetbaar, je hebt vlooien en over achtentwintig jaar roeien jij en je maatjes half Europa uit. Vrouwe Imeyne kan zich beter zorgen over jou maken en niet over Franse spionnen en ongeletterde priesters.’ De rat keek haar aan. ‘Ik zou wel willen, maar het kan echt niet. De Zwarte Dood was erg genoeg met al die slachtoffers. Als ik jou vrijlaat, maken je nakomelingen het misschien nog erger.’

De rat liet de tralies los en begon door de kooi te rennen. Doelloos vloog hij van de ene kant naar de andere en botste af en toe hard tegen de tralies op.

‘Sorry, maar het zal niet gaan,’ zei Kivrin. Het vuur was bijna uit. Ze probeerde het weer op te stoken, maar er was bijna alleen nog as over. De deur, die ze open had gelaten in de hoop dat de jongen iemand mee terug zou brengen, viel met een klap dicht en hulde de hut in duisternis.

Het was heel stil. De wind was gaan liggen en de rat liet zich niet meer horen. Een takje in het vuur knapte en een paar vonken vielen op de aarden vloer.

Niemand weet waar ik ben, dacht ze, en drukte een hand tegen haar borst alsof ze met een mes was gestoken. Niemand weet waar ik ben, zelfs meneer Dunworthy niet.

Maar dat kon niet waar zijn. Misschien was vrouwe Eliwys al teruggekomen en naar boven gegaan om haar wond te verzorgen, of Maisry was door Imeyne naar huis gestuurd, of de jongen kon elk moment hier zijn met een paar boeren die hij van het land had gehaald. En zelfs als niemand haar zou missen voor de avond viel, zouden ze in het donker met toortsen en lantarens op zoek gaan. De ouders van de magere jongen zouden thuiskomen en haar vinden, en dan zouden ze iemand naar het grote huis sturen. Wat er ook gebeurt, hield ze zich voor, je bent nooit helemaal alleen. De gedachte sterkte haar een beetje.

Want ze was wel helemaal alleen. Ze had zichzelf getroost met het idee dat Gilchrist en Montoya op de monitoren in het lab hadden gezien dat er iets mis was gegaan, dat meneer Dunworthy alles nog eens door Badri had laten controleren en dat ze het net open hadden gehouden om haar te laten terugkeren. Maar dat hadden ze niet gedaan. Ze wisten net zo weinig van haar als Agnes en vrouwe Eliwys. Ze dachten dat ze ongedeerd in Skendgate was aangekomen om de middeleeuwen te bestuderen, dat ze het rendez-vous goed had gemarkeerd en de recorder al half had gevuld met opmerkingen over vreemde gebruiken en het landbouwbedrijf. Pas over twee weken zouden ze merken dat ze verdwenen was, als ze het net openden.

‘En tegen die tijd is het donker,’ zei Kivrin.

Roerloos keek ze naar het vuur, dat bijna uit was gegaan. Ze zag nergens takken liggen. Misschien was de jongen achtergebleven om hout te sprokkelen, hoe moesten ze anders vanavond vuur maken?

Ze was helemaal alleen en het vuur doofde uit. Niemand wist waar ze was, behalve de rat die half Europa het leven zou kosten. Ze stond op, waarbij ze haar hoofd weer stootte, duwde de deur van de hut open en ging naar buiten.

Op het land was nog steeds geen mens te zien. De wind was afgenomen en ze kon duidelijk de kerkklok in het zuidwesten horen luiden. Een paar sneeuwvlokken daalden neer uit de grijze hemel. De lage heuvel waarop de kerk stond was helemaal bedekt met sneeuw. Kivrin ging op weg naar de kerk.

Een tweede klok werd hoorbaar, dichterbij en meer uit het zuiden. Kivrin hoorde aan het hoge, metalige geluid dat het een kleinere klok moest zijn. De regelmatige slagen liepen iets achter bij de eerste klok, zodat ze als echo’s klonken.

‘Kivrin! Vrouwe Kivrin!’ riep Agnes. ‘Waar ben je geweest?’ Het meisje kwam aangehold, haar ronde gezichtje rood van inspanning of kou. Of van opwinding. ‘We hebben je overal gezocht.’ Ze keerde op haar schreden terug. ‘Ik heb haar gevonden! Ik heb haar gevonden!’

‘Helemaal niet,’ zei Rosemund. ‘We hebben haar allemaal gezien.’ Ze verwijderde zich met grote passen van vrouwe Imeyne en Maisry, die haar ruwe mantel los over haar schouders had gegooid. Maisry had rode oren. Misschien had zij de schuld gekregen van Kivrins verdwijning of was ze bang voor een nieuwe afstraffing, of misschien had ze het alleen maar koud. Vrouwe Imeyne zag er woedend uit.

‘Je wist niet dat het Kivrin was,’ riep Agnes naar haar zus. ‘Je zei zelf dat je het niet kon zien. Ik heb haar gevonden.’

Rosemund sloeg geen acht op haar en pakte Kivrin bij een arm. ‘Wat is er gebeurd? Waarom ben je uit bed gegaan?’ vroeg ze gespannen. ‘Gawyn wilde met je praten en zag dat je weg was.’

Gawyn, dacht Kivrin verslagen. Gawyn had me precies kunnen vertellen waar het rendez-vous is en ik ben weggegaan.

‘Hij wilde je vertellen dat hij geen spoor van de struikrovers heeft gevonden en dat hij…’

Vrouwe Imeyne kwam bij hen. ‘Waar wilde u heen?’ vroeg ze op verwijtende toon.

‘Ik ben verdwaald,’ zei Kivrin. Ze vroeg zich af welke reden ze moest geven voor haar afwezigheid.

‘Wilde u naar iemand toe?’ zei vrouwe Imeyne. Het klonk bepaald als een beschuldiging.

‘Hoe kan ze nou naar iemand toe?’ vroeg Rosemund. ‘Ze kent hier niemand en ze kan zich niets herinneren.’

‘Ik wilde de plek zien waar Gawyn mij heeft gevonden,’ zei Kivrin. Ze probeerde niet al te zwaar op Rosemund te leunen. ‘Ik dacht dat het zien van de kar mij zou helpen…’

‘Je geheugen terug te krijgen,’ zei Rosemund. ‘Maar…’

‘Dat is verspilde moeite,’ zei vrouwe Imeyne. ‘Gawyn heeft al uw spullen vandaag hierheen gebracht.’

‘Alles?’ vroeg Kivrin.

‘Ja,’ zei Rosemund. ‘De wagen en alle kisten.’

De tweede klok zweeg, maar de eerste bleef in hetzelfde trage en gelijkmatige ritme doorgaan, alsof het voor een begrafenis was. Kivrin kon haar hoop wel ten grave dragen. Gawyn had alles naar de hofstede gebracht.

‘Vrouwe Katherine mag niet te lang in de kou blijven,’ zei Rosemund, die net als haar moeder klonk. ‘Ze is ziek geweest. We moeten haar naar binnen brengen voor ze het koud krijgt.’

Dat is al gebeurd, dacht Kivrin. Gawyn had alles naar het huis gebracht, elk spoor van het rendez-vous uitgewist. Zelfs de kar was er niet meer.

‘Het is allemaal jouw schuld, Maisry.’ Vrouwe Imeyne duwde Maisry naar voren en liet haar Kivrin bij een arm nemen. ‘Je had haar niet alleen moeten laten.’

Kivrin deinsde terug voor het vieze meisje.

‘Kun je lopen?’ vroeg Rosemund, gebogen onder het gewicht van haar last. ‘Moeten we de merrie halen?’

‘Nee,’ zei Kivrin. Ze moest er niet aan denken als een gevangene op een paard te worden teruggevoerd, zeker niet op een paard met belletjes. ‘Nee,’ herhaalde ze, ‘ik kan wel lopen.’

Ze moest zwaar op Rosemund en Maisry leunen en het duurde lang, maar ze haalde het, langs de hutten en het huisje van de meier en de belangstellend toekijkende varkens naar de voorhof. Voor de schuur lag de grote stronk van een es, met zijn kromme wortels onder de sneeuwvlokken.

‘Dit wordt haar dood nog,’ zei vrouwe Imeyne. Ze beduidde Maisry de zware houten deur te openen. ‘Straks ligt ze weer ziek te bed.’