Выбрать главу

Het begon nu pas goed te sneeuwen. Maisry deed de deur open, die een klink had, net als het deurtje van de kooi. Ik had de rat vrij moeten laten, dacht Kivrin. Laat ze de pest maar krijgen. Ik had hem vrij moeten laten.

Vrouwe Imeyne wenkte Maisry, die weer terugkwam om Kivrin te ondersteunen. ‘Nee,’ zei Kivrin. Ze schudde de twee meisjes af en ging op eigen kracht de donkere zaal binnen.

AFSCHRIFT UIT HET DOMESDAY BOOK
(005982–013198)

18 december 1320 (Oude Stijl). Ik geloof dat ik longontsteking heb. Ik was te zwak om het rendez-vous te bereiken en mijn ziekte is weer opgekomen. Elke ademhaling doet pijn en ik moet voortdurend hoesten, wat me een gevoel geeft alsof al mijn ribben zijn gebroken. Als ik rechtop ga zitten breekt het zweet me uit en ik denk dat ik weer koorts heb. Volgens dokter Ahrens zijn dat allemaal symptomen van longontsteking.

Vrouwe Eliwys is nog niet terug. Vrouwe Imeyne heeft een stinkende zalf op mijn borst gesmeerd en de vrouw van de meier laten komen. Ik dacht eerst dat ze haar de les wilde lezen omdat ze in het grote huis was gaan wonen, maar toen de vrouw met een baby van zes maanden op haar arm binnenkwam, zei Imeyne: ‘De wond heeft haar longen aangestoken.’ De vrouw bekeek mijn slaap en ging weg. Na een tijdje kwam ze zonder baby terug met een kom bittere thee. Ik denk dat er wilgebast of iets dergelijks in zat, want de koorts werd minder en mijn ribben zijn nu wat minder pijnlijk.

De vrouw van de meier is klein en mager, met een scherp gezicht en lichtblond haar. Vrouwe Imeyne kon wel eens gelijk hebben met haar idee dat zij de meier tot ‘zonde’ heeft verleid. Ze droeg een kleed dat met bont was afgezoomd en zulke lange mouwen had dat ze bijna over de grond sleepten. Haar baby was in een fijne wollen deken gewikkeld. Ze heeft een moeilijk te verstaan accent, hoewel ik geloof dat ze daarmee vooral vrouwe Imeyne probeert na te doen.

Zij behoort tot de ‘groeiende middenklasse’ van Latimer, tot de nouveau riche die zijn kans afwacht. Ze moeten nog dertig jaar wachten, tot de Zwarte Dood een derde van de edelen uitroeit.

‘Is dit de vrouwe die in het bos is gevonden?’ vroeg ze bij haar binnenkomst. Ze toonde geen spoortje van de ‘gepaste bescheidenheid’ die haar betaamt. Ze glimlachte tegen vrouwe Imeyne alsof ze goede vriendinnen waren en kwam naar mij toe.

‘Ja,’ zei vrouwe Imeyne. In dat ene woordje hoorde ik tegelijkertijd ongeduld, minachting en afkeer.

De vrouw van de meier trok zich er niets van aan. Toen ze mij zag deed ze een stap terug, de eerste die blijkbaar besefte dat ik besmettelijk zou kunnen zijn. ‘Heeft ze de … koorts?’ vroeg ze. De tolk begreep het woord niet, net zomin als ik, door het eigenaardige accent. Florentijnse?

‘Het is de wond aan haar hoofd,’ zei Imeyne scherp. ‘Die heeft haar longen aangetast.’

De vrouw knikte. ‘Vader Roche zei dat hij en Gawyn haar in het bos hebben gevonden.’

Imeyne verstrakte toen ze zo onbeleefd ‘Gawyn’ zei. Dat merkte de vrouw van de meier wel, ze haastte zich om de thee te gaan halen. Toen ze de tweede keer wegging, maakte ze zelfs een lichte buiging voor vrouwe Imeyne.

Rosemund kwam bij me zitten nadat Imeyne was weggegaan, ik geloof dat het meisje opdracht heeft gekregen mij te bewaken. Ik vroeg haar of het waar was dat Vader Roche en Gawyn mij samen hadden gevonden.

‘Nee,’ zei ze. ‘Gawyn kwam hem onderweg tegen toen hij je hierheen wilde brengen. Hij liet je bij hem achter om de rovers te gaan zoeken, maar toen hij die niet kon vinden is hij teruggekomen. Maak je maar geen zorgen, Gawyn heeft al je spullen hier gebracht.’

Ik kan me alleen herinneren dat Vader Roche hier in de kamer was, niet op de weg. Als het waar is, heeft hij misschien van Gawyn gehoord waar het rendez-vous is.

(Pauze)

Ik heb over de woorden van vrouwe Imeyne nagedacht. ‘De wond heeft haar longen aangestoken,’ zei ze. Ik geloof niet dat iemand hier goed beseft wat ik heb. De meisjes lopen hier in en uit en de vrouw van de meier is de enige die schrik lijkt te hebben. Toch kwam ook zij meteen naar me toe toen vrouwe Imeyne zei dat ik ‘koortslongen’ had.

Ze moet begrijpen dat mijn aandoening besmettelijk kan zijn. Toen ik Rosemund vroeg waarom ze niet met haar moeder meeging naar de boer, zei ze heel stellig: ‘Dat mag ik niet. De boer is ziek.’

Ik geloof niet dat ze weten wat ik mankeer. Ik heb geen zichtbare symptomen zoals blaasjes of uitslag en ze schrijven mijn koorts en delirium blijkbaar toe aan mijn hoofdwond. Wonden raakten in de middeleeuwen vaak ontstoken en gaven aanleiding tot bloedvergiftiging. Misschien durven ze daarom de kinderen bij me te laten.

En ik heb nog niemand aangestoken. Ik ben nu vijf dagen ziek en als het een virus is zou de incubatietijd maar twaalf tot achtenveertig uur zijn. Dokter Ahrens zei dat de kans op besmetting het grootst is als er nog geen symptomen zijn, dus misschien was het gevaar al geweken toen de meisjes me kwamen opzoeken. Of misschien heb ik de ziekte van hen gekregen en zijn ze allemaal immuun. De vrouw van de meier vroeg of ik de Florentijnse(?) koorts had, en Gilchrist is ervan overtuigd dat er in 1320 een griepvirus heerste. Misschien is het dat.

Het is nu middag. Rosemund zit op het bankje rode wol op een stuk linnen te borduren en Blackie ligt naast me te slapen. Ik denk dat u toch gelijk had, meneer Dunworthy. Ik was helemaal niet goed voorbereid en alles is heel anders dan ik had verwacht. Maar toch blijf ik erbij dat het net een sprookje is.

Ik zie het overal. Agnes is net Roodkapje als ze haar mantel aan heeft, de rat in zijn kooi, kommetjes pap… en in het dorp kan elk moment de grote boze wolf opduiken om de gammele huisjes omver te blazen.

De klokketoren lijkt op de gevangenis van Repelsteeltje en Rosemund lijkt als twee druppels op Sneeuwwitje als ze zo over haar borduurwerk gebogen zit, met haar donkere haar, witte mutsje en rode wangen.

(Pauze)

De koorts is weer erger. De kamer ruikt naar rook. Vrouwe Imeyne ligt op haar knieën naast het bed uit haar getijdenboek te bidden. Rosemund vertelde dat ze de vrouw van de meier weer hebben gewaarschuwd. Vrouwe Imeyne heeft een grote hekel aan haar, dus ik moet wel erg ziek zijn als ze haar laat komen. Zullen ze de priester ook weer halen? Dan moet ik hem vragen of hij weet waar Gawyn mij heeft gevonden. Het is hier zo warm. Dit lijkt helemaal niet op een sprookje. Er komt alleen een geestelijke als er iemand op sterven ligt, maar volgens Mathematica overleed in de veertiende eeuw 72 procent van alle lijders aan longontsteking. Ik hoop dat hij gauw komt, dan kan hij me vertellen waar het rendez-vous is en mijn hand vasthouden.

13

Twee nieuwe patiënten, allebei studentes, waren binnengebracht terwijl Mary aan Colin vroeg hoe hij het afgezette gebied binnen was gekomen.

‘Een fluitje van een cent,’ had Colin verontwaardigd geantwoord. ‘Ze letten er alleen maar op of er niemand uitgaat.’ Voordat hij nadere details kon geven, was de administratrice binnengekomen.

Mary nam Dunworthy mee naar de eerstehulp om te zien of hij een van de patiënten herkende. ‘En jij blijft hier,’ had ze tegen Colin gezegd. ‘Je hebt voor één avond al genoeg ellende veroorzaakt.’

Dunworthy herkende geen van beide zieken, maar dat deed er ook niet toe. Ze waren goed bij en gaven de dienstdoende arts al de namen van mensen met wie ze in contact waren geweest toen hij en Mary binnenkwamen. Hij bekeek de twee studentes zorgvuldig en schudde zijn hoofd. ‘Ik weet het niet, misschien ben ik ze tegengekomen in High Street.’

‘Dat geeft niet,’ zei Mary. ‘Je kunt wel naar huis als je wilt.’

‘Ik kan net zo goed op mijn volgende bloedproef wachten,’ zei hij.

‘O, dat is pas over…’ Ze keek op haar horloge. ‘Lieve hemel, het is al zes uur geweest!’