Выбрать главу

‘Ik ga nog even bij Badri kijken,’ zei hij. ‘Daarna kun je me in de wachtkamer vinden.’

De zuster zei dat Badri lag te slapen. ‘Ik zou hem maar niet wakker maken.’

‘Nee, natuurlijk niet.’ Dunworthy ging weer terug naar de wachtkamer beneden.

Colin zat met gekruiste benen op de vloer in zijn tas te graven. ‘Waar is tante Mary?’ vroeg hij. ‘Ik geloof dat ze nogal giftig is omdat ik te laat was.’

‘Ze dacht dat je veilig en wel in Londen zat,’ zei Dunworthy. ‘Je moeder vertelde dat de trein niet verder dan Barton was gekomen.’

‘Dat klopt. Iedereen moest overstappen op een trein die naar Londen ging.’

‘En die heb je in de drukte gemist?’

‘Welnee. Ik hoorde een paar mensen over de quarantaine praten. Ze zeiden dat er een hele erge ziekte was en dat iedereen zou doodgaan en zo…’ Hij haalde een heleboel spullen uit zijn tas, videobanden, een zakcamera en een paar gehavende vuile sportschoenen, en stopte andere zaken weer terug. Het was duidelijk te merken dat hij familie van Mary was. ‘En ik had geen zin om met Eric opgescheept te zitten en alle opwinding te missen.’

‘Eric?’

‘De vriend van mijn moeder.’ Hij vond een grote rode toverbal, veegde er een paar pluisjes af en stopte hem in zijn mond. Hij kreeg een grote bobbel in zijn wang. ‘Hij is gewoon een ontzettende necroot,’ brabbelde hij met volle mond. ‘Hij heeft een flat in Kent en daar is helemaal niks te doen.’

‘Dus je bent in Barton uit de trein gestapt. En daarna? Ben je naar Oxford gaan lopen?’

Colin haalde de toverbal uit zijn mond. Het rood was veranderd in vlekkerig blauw en groen. Colin bekeek het snoepje kritisch van alle kanten en stopte het weer in zijn mond. ‘Natuurlijk niet. Oxford is veel te ver weg. Ik heb een taxi genomen.’

‘Natuurlijk,’ zei Dunworthy.

‘Ik zei tegen de chauffeur dat ik voor de schoolkrant een verslag over de quarantaine moest maken en dat ik opnamen van de blokkades wilde hebben. Ik had mijn camera bij me, ziet u wel, dus dat lag voor de hand.’ Hij hield de kleine camera omhoog, waarna hij hem in zijn tas stopte en verder ging met graven.

‘Geloofde hij je?’

‘Ik denk het wel. Hij wilde weten op welke school ik zat, maar ik vroeg heel verontwaardigd of hij dat dan niet kon zien. Hij gokte op St. Edwards en daar liet ik het maar bij. Hij geloofde me wel, anders had hij me niet meegenomen.’

En ik me maar zorgen maken over wat Kivrin zou doen als er geen barmhartige reiziger langskwam, dacht Dunworthy. ‘En heb je de politie hetzelfde verhaal verteld?’

Colin haalde een groene wollen jumper te voorschijn, vouwde hem op en legde hem op zijn open tas. ‘Nee. Achteraf vond ik het eigenlijk nogal een tam verhaal. Ik bedoel, wat valt er nou te filmen? Een wegversperring is toch zeker geen brand? Daarom liep ik naar de politieagent toe alsof ik hem iets over de quarantaine wilde vragen, maar op het laatste moment rende ik langs hem heen en dook onder de slagboom door.’

‘Kwamen ze niet achter je aan?’

‘Natuurlijk wel, maar een paar straten verder gaven ze het al op. Ze willen mensen voornamelijk binnen het afgezette gebied houden. Ik ben doorgelopen tot ik een telefooncel vond.’

Het had al die tijd waarschijnlijk hard geregend, maar daar zei Colin niets over. Er zat geen paraplu tussen de spullen die hij uit zijn tas haalde.

‘Tante Mary vinden was nog het moeilijkste,’ zei Colin. Hij ging languit liggen, met zijn hoofd op de tas. ‘Ik ben naar haar huis gegaan, maar daar was ze niet. Daarna probeerde ik het bij het metrostation waar ik had moeten aankomen, maar dat was dicht.’ Hij ging zitten, verschoof de wollen jumper een eindje en legde zijn hoofd erop. ‘Ineens dacht ik dat ze als dokter wel in het ziekenhuis zou zijn.’

Hij ging weer zitten, gaf een paar stompen tegen zijn tas, legde zijn hoofd neer en sloot zijn ogen. Dunworthy schoof heen en weer op de ongemakkelijke stoel en benijdde de jeugd. Colin was al bijna in slaap, niet in het minst bang of verontrust na zijn avonturen. Hij had midden in de nacht door half Oxford gezworven, als hij tenminste geen taxi had genomen of een vouwfiets uit zijn tas had gehaald, helemaal alleen in de kou en de regen, en het was net of hij de hond had uitgelaten.

Kivrin mankeerde niets. Ze zou net zolang rondlopen tot ze het dorp had gevonden, of een taxi nemen, of ergens gaan liggen met haar hoofd op haar dubbelgevouwen mantel, en de onaantastbare slaap van de jeugd slapen.

Mary kwam binnen. ‘Ze zijn gisteravond allebei op een bal in Headington geweest,’ zei ze. Ze liet haar stem dalen toen ze Colin zag.

‘Daar was Badri ook,’ fluisterde Dunworthy.

‘Weet ik. Een van de meisjes heeft met hem gedanst. Ze waren er van negen tot twee uur. Als Badri hen heeft aangestoken, wijst dat op een incubatietijd van vijfentwintig tot dertig uur, nog geen twee dagen.’

‘Denk je dat hij de bron is?’

‘Het lijkt me waarschijnlijker dat ze alle drie door een andere bezoeker zijn aangestoken, eerst Badri en later op de avond de twee anderen.’

‘Een drager?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Mensen hebben meestal geen myxovirus zonder er zelf ziek van te worden. Het is wel mogelijk dat de symptomen zo licht waren dat ze er geen aandacht aan hebben besteed.’

Badri was languit over het paneel gevallen. Dunworthy vroeg zich af hoe je aan zulke symptomen geen aandacht kon besteden.

‘En als hij of zij vier dagen geleden in South Carolina is geweest…’

‘Dan is er een verband met het Amerikaanse virus,’ vulde Dunworthy aan.

‘En hoef jij je geen zorgen meer over Kivrin te maken. Zij is niet op dat bal in Headington geweest. Natuurlijk is het waarschijnlijker dat de bron nog heel iemand anders is,’ zei Mary fronsend.

En die ‘iemand anders’ is vast nog niet in het ziekenhuis geweest en heeft evenmin zijn huisarts gebeld, dacht Dunworthy. Iemand die geen aandacht aan de symptomen heeft besteed.

Mary dacht kennelijk hetzelfde. ‘Wanneer is dat bellenkoor van jou in Engeland gearriveerd?’

‘Ik weet het niet. Maar ze kwamen gistermiddag pas naar Oxford, toen Badri al in het lab was.’

‘Vraag het voor de zekerheid toch maar na. Wanneer ze zijn geland, waar ze zijn geweest, of een van hen ziek is geworden. Misschien is iemand eerder gekomen om familie of vrienden in Oxford te bezoeken. Heb je geen Amerikaanse studenten?’

‘Nee. Montoya is Amerikaanse.’

‘Daar had ik niet aan gedacht,’ zei Mary. ‘Hoe lang is ze hier al?’

‘Het hele semester. Maar misschien heeft ze kennissen uit Amerika op bezoek gehad.’

‘Ik zal het vragen als ze voor haar bloedproef komt,’ zei ze. ‘Jij kunt Badri vragen of hij Amerikanen kent, of studenten die in het kader van een uitwisselingsprogramma in Amerika zijn geweest.’

‘Badri slaapt.’

‘Dat zou jij ook moeten doen,’ zei ze. ‘Het hoeft niet meteen.’ Ze klopte hem op zijn arm. ‘Het is niet nodig om tot zeven uur te wachten. Ik zal iemand halen om bloed af te nemen en je bloeddruk te meten, daarna mag je naar huis.’ Ze pakte zijn pols en keek op de thermometer. ‘Heb je het koud?’

‘Nee.’

‘Hoofdpijn?’

‘Ja.’

‘Dat is de vermoeidheid.’ Ze liet zijn pols los. ‘Ik zal meteen iemand sturen.’

Ze keek naar Colin, die languit op de grond lag. ‘Colin moet ook onderzocht worden, in elk geval tot we zeker weten dat het virus met speeksel wordt overgedragen.’

Colins mond hing open, maar de toverbal zat nog stevig onder zijn wang. Dunworthy vroeg zich af of hij zo niet kon stikken. ‘En je neef?’ zei hij. ‘Wil je dat ik hem meeneem naar Balliol?’

Ze keek hem dankbaar aan. ‘Wil je dat doen? Ik zadel je niet graag met hem op, maar ik betwijfel of ik naar huis kan voordat we de toestand onder controle hebben.’ Ze zuchtte. ‘Arme knul. Ik hoop dat zijn kerstvakantie niet bedorven is.’