‘Daar zou ik me niet te veel zorgen over maken,’ zei Dunworthy.
‘Ik ben er erg mee geholpen,’ zei Mary. ‘Ik laat meteen de proeven doen.’
Zodra ze de deur uit was, ging Colin rechtop zitten.
‘Wat voor proeven?’ vroeg Colin. ‘Kan ik nu ook ziek worden?’
‘Laten we hopen van niet,’ zei Dunworthy. Hij dacht aan Badri’s rode gezicht en moeizame ademhaling.
‘Maar het kan wel,’ zei Colin.
‘De kans is heel klein,’ zei Dunworthy. ‘Zit er maar niet over in.’
‘Dat doe ik niet.’ Colin stak een arm uit. ‘Ik geloof dat ik uitslag krijg,’ zei hij vrolijk. Hij wees naar een sproet.
‘Dat is geen symptoom van het virus,’ zei Dunworthy. ‘Pak je spullen. Na het onderzoek ga je met mij mee naar huis.’
De jongen pakte zijn sjaal en jas van de stoel. ‘Wat zijn de symptomen dan?’
‘Koorts en problemen met de ademhaling,’ zei Dunworthy. Mary’s boodschappentas lag op de grond bij Latimers stoel. Die moest hij maar meenemen.
Een zuster kwam binnen met de apparatuur.
‘Ik heb het warm,’ zei Colin, die theatraal naar zijn keel greep. ‘Ik krijg geen lucht.’
De zuster deed geschrokken een stap terug.
Dunworthy pakte Colin bij een arm. ‘U hoeft niet bang te zijn,’ zei hij tegen de verpleegster. ‘Dit is een geval van toverbalvergiftiging.’
Colin grinnikte en rolde gretig zijn mouw op. Toen de zuster klaar was, propte hij de jumper in zijn tas en trok zijn nog natte jack aan terwijl Dunworthy’s bloed werd afgenomen.
‘Dokter Ahrens zegt dat u niet op de uitslag hoeft te wachten,’ zei de zuster, die met haar spullen de kamer uitging.
Dunworthy trok zijn jas aan, pakte Mary’s tas en liep met Colin door de afdeling naar de uitgang. Mary was nergens te zien, maar ze had gezegd dat ze niet hoefden te wachten en hij voelde zich ineens te moe om op zijn benen te staan.
Ze gingen naar buiten. Het begon net licht te worden en het regende nog steeds. Dunworthy bleef onder de overkapping staan en vroeg zich af of hij een taxi moest bellen. Maar hij wilde niet het risico lopen dat Gilchrist voor zijn onderzoek zou arriveren terwijl ze stonden te wachten, want die zou toch maar weer beginnen over zijn plannen om Kivrin naar de Zwarte Dood en de slag bij Agincourt te sturen. Hij haalde Mary’s paraplu uit de tas en stak hem op.
Plotseling kwam Montoya aanrijden op een fiets. Ze remde abrupt, zodat het water onder de banden vandaan spatte.
‘Gelukkig bent u er nog,’ zei ze. ‘Ik moet Basingame spreken.’
Wie niet, dacht Dunworthy, die zich afvroeg waar ze met haar gedachten geweest was tijdens al die telefoongesprekken.
Montoya stapte af, zette de fiets in een van de rekken en deed hem op slot. ‘Volgens zijn secretaresse weet niemand waar hij is. Dat is toch niet te geloven?’
‘Toch wel,’ zei Dunworthy. ‘Ik heb vandaag, of liever gezegd gisteren, de hele dag geprobeerd hem te bereiken. Hij is met vakantie in Schotland, niemand weet precies waar. Zijn vrouw zegt dat hij op vistocht is.’
‘Midden in de winter? Wie gaat er in december nou naar Schotland om te vissen? Zijn vrouw weet toch zeker wel waar hij is of waar we hem kunnen bereiken?’
Dunworthy schudde zijn hoofd.
‘Dat is belachelijk! Doe ik al die moeite om naar Skendgate te kunnen en dan is Basingame met vakantie!’ Ze haalde een bundel gekleurde formulieren onder haar regenjas vandaan. ‘Ik krijg ontheffing als de rector van Geschiedenis schriftelijk verklaart dat de opgraving een essentieel project voor de universiteit is. Hoe kan hij in vredesnaam vertrekken zonder een adres achter te laten?’ Ze sloeg met de papieren tegen haar been, waardoor de regendruppels in het rond vlogen. ‘Ik moet zijn handtekening hebben voordat het hele dorp wegspoelt. Waar is Gilchrist?’
‘Die kan elk ogenblik hier zijn voor zijn onderzoek,’ zei Dunworthy. ‘Als je Basingame te pakken krijgt, zeg dan dat hij onmiddellijk terug moet komen. Zeg maar dat we hier in quarantaine zijn, dat er een historica wordt vermist en dat de ingenieur te ziek is om ons te helpen.’
‘Hij is gaan vissen,’ zei Montoya op verachtelijke toon. Ze liep naar de ingang. ‘Als mijn opgraving mislukt, weet ik hem te vinden.’
‘Kom mee,’ zei Dunworthy tegen Colin. Hij wilde niemand meer tegenkomen. Hij wilde de paraplu ook boven Colins hoofd houden, maar zag daar al snel vanaf. De jongen liep eerst een eindje voor hem uit, waarbij hij erin slaagde in bijna elke plas te stappen en bleef vervolgens voor alle etalages staan.
Er was niemand op straat. Dunworthy wist niet of dat door de quarantaine of door het vroege tijdstip kwam. Misschien liggen ze op Balliol allemaal te slapen, dacht hij, dan kunnen wij tenminste ook meteen naar bed.
‘Ik dacht dat er hier wat zou gebeuren,’ zei Colin teleurgesteld. ‘Ik hoor nergens sirenes of zo.’
‘Had je soms doodgravers willen zien die overal de lijken kwamen ophalen?’ zei Dunworthy. ‘Je had met Kivrin mee moeten gaan. Epidemieën waren in de middeleeuwen veel spannender, vooral omdat we hier maar vier patiënten hebben en er al een vaccin uit Amerika onderweg is.’
‘Wie is Kivrin?’ vroeg Colin. ‘Uw dochter?’
‘Een studente van me. Ze is net naar het jaar 1320 gegaan.’
‘Een tijdreis? Apocalyptisch!’
Ze kwamen in Broad Street. ‘De middeleeuwen,’ zei Colin. ‘Was dat niet in de tijd van Napoleon? De slag bij Trafalgar en zo?’
‘De Honderdjarige Oorlog,’ zei Dunworthy, maar dat zei de jongen niets. Wat leren kinderen tegenwoordig op school? dacht hij. ‘Je weet wel, ridders en hofdames en kastelen.’
‘De kruistochten?’
‘De kruistochten waren iets eerder.’
‘Die zou ik wel eens willen meemaken, de kruistochten.’
Ze bereikten de poort van Balliol. ‘Hier moeten we stil zijn,’ zei Dunworthy. ‘Iedereen ligt te slapen.’
Het hok van de portier was leeg en de binnenplaats was verlaten. Alleen in de conversatiezaal brandde licht, daar zat het bellenkoor vermoedelijk te ontbijten. Ze zouden zonder ongelukken zijn kamer kunnen bereiken als ze ongemerkt de trap op konden sluipen, als Colin tenminste niet eens luid verklaarde dat hij honger had.
De jongen was op de binnenplaats blijven staan om zijn toverbal te inspecteren, die nu een paarszwarte kleur had aangenomen. ‘Ssst,’ siste Dunworthy met een vinger tegen zijn lippen. Hij draaide zijn hoofd weer om en wilde het gebouw binnengaan, maar hij kwam meteen in botsing met een jong stel.
Het tweetal was gehuld in regenjassen en stond met overgave te zoenen. De jongen leek niets te merken, maar het meisje maakte zich los en keek geschrokken naar Dunworthy. Ze had kort rood haar en droeg onder haar regenjas het uniform van een leerling-verpleegkundige. Dunworthy herkende de jongen, het was William Gaddson.
‘Uw gedrag is ongepast, zeker op dit uur en op deze plaats,’ zei Dunworthy streng. ‘Het is hier strikt verboden in het openbaar affectie te laten blijken. Het is overigens ook onverstandig, want uw moeder kan elk ogenblik hier zijn.’
‘Mijn moeder?’ William keek al net zo ontdaan als Dunworthy toen die de vrouw met haar koffer door de gang had zien naderen. ‘Hier, in Oxford? Wat doet zij hier? Ik dacht dat er quarantaine was?’
‘Dat is ook zo, maar een moeder laat zich niet tegenhouden. Ze maakt zich zorgen over je gezondheid, net als ik trouwens, gezien de omstandigheden.’ Hij keek fronsend naar William en het meisje, dat stond te giechelen. ‘Ik stel voor dat u uw medeplichtige naar huis brengt en dan voorbereidingen treft om uw moeder te ontvangen.’
‘Ontvangen?’ zei William met een ontsteld gezicht. ‘U wilt toch niet zeggen dat ze blijft?’
‘Ik ben bang dat ze geen keus heeft. We staan onder quarantaine.’