Выбрать главу

Plotseling ging het licht op de trap aan en Finch kwam naar beneden. ‘Wat een geluk dat u er bent, meneer Dunworthy,’ zei hij.

Ook hij had een stel gekleurde formulieren, waarmee hij naar Dunworthy zwaaide. ‘We hebben zojuist nog eens dertig gestrande reizigers op ons dak gekregen. Ik zei dat we geen ruimte meer hebben, maar ze wilden gewoon niet luisteren en nu weet ik niet wat ik moet beginnen. We kunnen al die mensen nooit onderbrengen, daar hebben we de spullen niet voor.’

‘Wc-papier,’ zei Dunworthy.

‘Ja!’ zei Finch, weer met de papieren zwaaiend. ‘En levensmiddelen. Alleen vanochtend al is de helft van de eieren en het spek opgegaan.’

‘Eieren met spek?’ zei Colin. ‘Is er nog wat over?’

Finch keek vragend van Colin naar Dunworthy.

‘Dit is de neef van dokter Ahrens,’ zei Dunworthy. Voordat Finch weer kon beginnen voegde hij er haastig aan toe: ‘Hij kan bij mij op de kamer.’

‘Gelukkig dan maar, want ik heb echt geen plaats meer over.’

‘We zijn de hele nacht op geweest, Finch, dus…’

‘Ik heb opgeschreven wat we nu nog in huis hebben.’ Hij gaf Dunworthy een vochtig blauw papier. ‘Zoals u ziet…’

‘Ik begrijp dat je je zorgen maakt over de voorraden, Finch, maar dit kan toch wel wachten tot we…’

‘Dit zijn de binnengekomen telefoontjes. Ik heb een sterretje gezet bij de namen van de mensen die u moet terugbellen. En hier zijn uw afspraken. De dominee van St. Mary’s wil graag dat u morgen om kwart over zes in de kerk bent om de dienst van kerstavond te repeteren.’

‘Ik bel iedereen terug, maar eerst…’

‘Dokter Ahrens heeft twee keer gebeld. Ze wilde weten of u de koorleden al hebt ondervraagd.’

Dunworthy gaf het op. ‘Stuur de nieuwkomers maar naar Warren en Basevi, drie per kamer. Er staan veldbedden in de kelder.’

Finch wilde iets tegenwerpen.

‘Aan de stank van de verf kan ik niets veranderen.’

Hij gaf Mary’s tas en paraplu aan Colin. ‘Dat gebouw waar licht brandt is de eetzaal,’ zei hij, naar de ingang wijzend. ‘Zeg maar dat je wilt ontbijten en laat een van de bedienden je daarna naar mijn kamer brengen.’

Hij richtte zich tot William, die zijn handen onder de regenjas van de leerling-verpleegster had gestoken. ‘Meneer Gaddson, zet uw medeplichtige in een taxi en haal alle studenten bij elkaar die met de vakantie hier zijn gebleven. Vraag of een van hen de afgelopen week in de Verenigde Staten is geweest of zo iemand kent. Stel een lijst op. U bent toch zelf onlangs in Amerika geweest?’

‘Nee, meneer,’ zei hij, terwijl hij zijn vriendin losliet. ‘Ik heb de hele vakantie Petrarca zitten lezen.’

‘O ja, Petrarca,’ zei Dunworthy. ‘Vraag de studenten of ze weten wat Badri Chaudhuri vanaf maandag heeft gedaan. En vergeet het personeel niet. Ik moet weten waar hij was en met wie. Datzelfde geldt voor Kivrin Engle. Ik wil een uitvoerig verslag. Als u dan verder afziet van publieke vertoningen, zal ik zorgen dat uw moeder ergens aan de overkant wordt ondergebracht.’

‘Dank u, meneer,’ zei William. ‘Dat betekent veel voor me, meneer.’

‘Finch, wil je me nu zeggen waar ik mevrouw Taylor kan vinden?’

Finch gaf hem nog meer papieren, waarop de kamerindeling stond, maar hij kon Taylor niet vinden. Zij zat blijkbaar met de andere leden van het bellenkoor in de eetzaal en had net als de nieuwkomers nog geen kamer toegewezen gekregen.

Een ontzagwekkende vrouw in een bontjas greep hem bij zijn arm zodra hij binnenkwam. ‘Hebt u hier de leiding?’ vroeg ze bars.

Zo te zien niet, dacht Dunworthy. ‘Ja,’ zei hij.

‘Wilt u er dan voor zorgen dat we ergens kunnen slapen? We hebben hier de hele nacht moeten zitten.’

‘U bent niet de enige, mevrouw,’ zei Dunworthy, die begon te vrezen dat zij Taylor was. Op het telefoonscherm had ze er magerder en niet zo vervaarlijk uitgezien, maar het uiterlijk zei ook niet alles en bovendien had ze hetzelfde accent en dezelfde houding. ‘U bent toch niet toevallig mevrouw Taylor?’

‘Dat ben ik,’ zei een vrouw, die in een van de oorfauteuils zat. Ze ging staan. In werkelijkheid was ze nog magerder, maar zo te horen minder boos. ‘Ik heb u door de telefoon gesproken,’ zei ze, alsof ze een aardig gesprekje hadden gevoerd over het bellenkoor. ‘Dit is mevrouw Piantini, onze tenor.’ Ze gebaarde naar de vrouw in de bontjas.

Piantini zag eruit alsof ze Great Tom met één ruk uit zijn hengsels kon lichten. Het was duidelijk dat ze geen virus onder de leden had.

‘Kan ik u even onder vier ogen spreken, mevrouw Taylor?’ Hij nam haar mee naar de gang. ‘Hebt u uw concert in Ely nog kunnen afzeggen?’

‘Ja,’ zei ze. ‘En in Norwich ook. Ze hadden er begrip voor.’ Ze boog gespannen naar voren. ‘Is het waar dat er cholera heerst?’

‘Cholera?’ zei Dunworthy vlak.

‘Een vrouw die van het station kwam zei dat het cholera was. Iemand zou in India besmet zijn geraakt en ze zeggen dat de zieken sterven als vliegen.’

Haar veranderde houding was blijkbaar het gevolg van angst, niet van een gebrek aan nachtrust. Als hij zei dat er maar vier patiënten waren, zou ze er waarschijnlijk op staan dat hij haar naar Ely bracht.

‘Het gaat waarschijnlijk om een myxovirus,’ zei hij omzichtig. ‘Wanneer bent u met uw koor in Engeland aangekomen?’

Ze zette grote ogen op. ‘Denkt u dat wij het hebben meegebracht? Wij zijn niet in India geweest.’

‘Het zou om hetzelfde myxovirus kunnen gaan dat in South Carolina heeft geheerst. Komt een van uw leden uit South Carolina?’

‘Nee,’ zei ze. ‘We zijn allemaal van Colorado, behalve mevrouw Piantini. Zij komt uit Wyoming. En niemand is ziek geweest.’

‘Hoe lang bent u al in Engeland?’

‘Drie weken. We hebben alle Traditionele Gemeenten bezocht en optredens verzorgd. In St. Katherine’s hebben we een Boston Treble Bob gespeeld en Post Office Caters met drie beiaards van Bury St. Edmund’s, maar dat waren natuurlijk geen nieuwe klokken. Een Chicago Surprise…’

‘En u bent allemaal gisterochtend in Oxford gearriveerd?’

‘Ja.’

‘Is er niemand vooruit gereisd om de stad te bezichtigen of vrienden op te zoeken?’

‘Nee,’ zei ze ontdaan. ‘We zijn op tournee, meneer Dunworthy, niet met vakantie.’

‘En er is niemand ziek geweest, zegt u?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Dat kunnen we ons niet veroorloven. We zijn maar met ons zessen.’

‘Hartelijk dank voor uw hulp,’ zei Dunworthy, die haar terugstuurde naar de zaal.

Hij belde het ziekenhuis, waar ze Mary niet konden vinden, liet een boodschap achter en begon het lijstje van Finch af te werken. Achtereenvolgens belde hij Andrews, Jesus College, de secretaresse van Basingame en St. Mary’s Church zonder verbinding te krijgen. Hij legde neer, wachtte vijf minuten en probeerde het nog eens. Tijdens een van die pauzes belde Mary zelf.

‘Waarom lig je nog niet in bed?’ vroeg ze streng. ‘Je ziet er doodmoe uit.’

‘Ik heb de leden van het koor ondervraagd,’ zei hij. ‘Ze zijn nu drie weken in Engeland. Ze zijn pas sinds gistermiddag in Oxford en niemand is ziek geweest. Wil je dat ik terugkom om met Badri te praten?’

‘Daar zul je weinig aan hebben. Hij praat erg onsamenhangend.’

‘Ik probeer Jesus College te bereiken om te zien of iemand weet wat hij de laatste tijd heeft gedaan.’

‘Goed,’ zei ze. ‘Vraag het ook aan zijn hospita. En ga slapen. Ik wil niet dat jij ook ziek wordt.’ Ze wachtte even. ‘Er zijn zes nieuwe gevallen.’

‘Is er iemand uit South Carolina bij?’

‘Nee,’ zei ze, ‘en iedereen zou met Badri in contact kunnen zijn geweest. We beschouwen hem daarom nog steeds als de bron. Hoe gaat het met Colin?’

‘Hij zit te ontbijten. Je hoeft je over hem geen zorgen te maken.’