Выбрать главу

Het was halftwee geweest voordat hij naar bed kon. Het kostte hem twee uur om alle door Finch gemerkte namen af te werken en nog een uur om uit te vinden waar Badri woonde. Zijn hospita was er niet en toen Dunworthy terugkwam stond Finch erop de complete inventarislijst met hem door te nemen.

Dunworthy kwam tenslotte van hem af met de belofte het ministerie te bellen en extra wc-papier te eisen. Hij ging naar zijn kamer.

Colin was op de vensterbank gaan liggen, met zijn hoofd op zijn tas en een gehaakte plaid over zich heen die nog niet tot zijn voeten reikte. Dunworthy haalde een deken van zijn bed, legde die over de jongen heen en ging op de bank zitten om zijn schoenen uit te trekken.

Hij was er bijna te moe voor, maar hij wist dat hij er spijt van zou krijgen als hij met zijn kleren aan naar bed ging. Dat was weggelegd voor jongeren en mensen zonder reuma. Colin zou fris als een hoentje wakker worden, ondanks de knopen die tegen zijn huid drukten en de mouwen die zijn bloed afsneden. Kivrin kon haar te dunne witte mantel om zich heen slaan en haar hoofd op een boomstronk te rusten leggen zonder er iets aan over te houden, maar Dunworthy kon geen kussen vergeten of zijn hemd aanhouden en hij werd stijf als een plank wakker. En als hij hier met zijn schoenen in zijn hand bleef zitten, zou er van slapen helemaal niets komen.

Hij hees zichzelf overeind, deed het licht uit en nam zijn schoenen mee naar de slaapkamer. Hij trok zijn pyjama aan en sloeg de lakens terug. Het bed zag er verschrikkelijk aanlokkelijk uit.

Ik slaap al voordat ik lig, dacht hij terwijl hij zijn bril afzette. Hij stapte in bed en trok de deken over zich heen. Voordat ik het licht heb uitgedaan, dacht hij, en deed het licht uit.

Door het raam viel slechts een dofgrijs schijnsel naar binnen door de verwarde takken van de nog donkerder klimop. De regen tikte zachtjes op de leerachtige bladeren. Ik had de gordijnen dicht moeten doen, dacht hij, maar hij was te moe om weer uit bed te gaan.

Kivrin zou in elk geval geen last van de regen hebben. Zij was in de Kleine IJstijd en neerslag zou in de vorm van sneeuw vallen. De middeleeuwers hadden dicht bij elkaar naast het vuur geslapen tot iemand op het heldere idee kwam de schoorsteen en de open haard uit te vinden, maar in de dorpen van Oxfordshire hadden ze die luxe pas halverwege de vijftiende eeuw gekregen. Maar Kivrin zou zich daar niets van aantrekken. Zij zou zich net als Colin ergens neerleggen en de ontspannen, te weinig naar waarde geschatte slaap van de jeugd slapen.

Hij vroeg zich af of het nog regende. Bij het raam was geen getik meer te horen. Misschien miezerde het alleen nog of zou het dadelijk weer gaan beginnen. Het was al zo donker voor de middag. Hij haalde zijn hand onder de deken vandaan en keek naar de lichtgevende cijfers van zijn horloge. Twee uur pas. Bij Kivrin zou het nu zes uur zijn. Later moest hij Andrews weer bellen om hem de lokalisatie te laten uitleggen, zodat ze precies wisten waar Kivrin was en op welke datum.

Badri had tegen Gilchrist gezegd dat er nauwelijks verschuiving was opgetreden en dat de berekeningen van de stagiair ook na een dubbele controle juist waren gebleken, maar hij moest het zeker weten. Gilchrist had slordig werk geleverd, maar ook zonder Gilchrist kon er van alles misgaan. Dat was vandaag wel gebleken.

Badri had al zijn vaccins gehad. Colin was door zijn moeder op de trein gezet en had extra geld meegekregen. Dunworthy was op zijn eerste tijdreis naar Londen bijna niet meer teruggekomen, ondanks alle voorzorgsmaatregelen.

Het was een simpele proef met het net geweest. Een reisje van slechts dertig jaar. Dunworthy moest op Trafalgar Square doorkomen, met de ondergrondse van Charing Cross naar Paddington gaan en de trein van 10 uur 48 naar Oxford nemen, waar het hoofdnet in het lab zou opengaan. Ze hadden hem ruimschoots de tijd gegeven, het net dubbel gecontroleerd, een reisschema opgesteld en voor geldige munten gezorgd. En toen hij naar Charing Cross ging, bleek het station te zijn gesloten. Het hokje van de kaartverkoop was donker en een ijzeren hek sloot de toegang tot de houten klaphekjes af.

Hij trok de deken tot over zijn schouder. Er kon van alles mis zijn gegaan, dingen waar niemand aan had gedacht. Colins moeder had er waarschijnlijk nooit rekening mee gehouden dat de trein niet verder zou gaan dan Barton. En niemand had er rekening mee gehouden dat Badri plotseling languit over het paneel zou vallen.

Mary heeft gelijk, dacht hij, je hebt lelijk de Gaddsonitis te pakken. Kivrin had al zoveel obstakels overwonnen voordat ze naar de middeleeuwen kon. Zij redde zich wel, ook als er problemen kwamen. Colin had zich niet door zoiets onbeduidends als een quarantaine laten tegenhouden. En Dunworthy was zelf veilig uit Londen teruggekeerd.

Hij had met zijn vuisten tegen het ijzeren hek gebonkt en was de trap opgerend om op de bordjes te kijken, in de hoop dat hij een verkeerde ingang had genomen. Dat was niet zo. Misschien was er toch een grotere verschuiving opgetreden dan verwacht en was het station al gesloten. Maar de klok boven de ingang stond op kwart over negen.

‘Een ongeval,’ zei een sjofele figuur met een vuile pet op. ‘Alles ligt stil tot de boel is opgeruimd.’

‘M-maar ik moet de trein halen,’ stotterde hij, maar de man schuifelde weg.

Hij stond naar het donkere station te staren en probeerde vergeefs iets te verzinnen. Hij had niet genoeg geld bij zich voor een taxi en Paddington lag helemaal aan de andere kant van Londen. Hij zou de trein van 10 uur 48 nooit halen.

‘Waar mot je heen, makker?’ vroeg een jonge knaap in een zwart leren jack en met groen haar in de vorm van een hanekam. Een punker, dacht Dunworthy. De jongen kwam dreigend op hem af.

‘Naar Paddington,’ zei hij met overslaande stem.

De punker voelde in zijn binnenzak en Dunworthy was ervan overtuigd dat hij een stiletto te voorschijn zou halen, maar het was een gelamineerde metropas. Hij draaide het ding om en keek op de kaart. ‘Je ken op Embankment de metro nemen naar District of Sacle. Dan loop-ie Craven Street door en sla je linksaf.’

Dunworthy had het op een lopen gezet, bang dat de punker zijn bende zou optrommelen om hem van zijn historisch verantwoorde geld te beroven. Bij Embankment had hij geen idee hoe de kaartjesautomaat werkte.

Een vrouw met twee kleine kinderen hielp hem door zijn bestemming in te tikken en te laten zien hoe hij zijn kaartje in de gleuf moest steken. Ten slotte was hij nog ruim op tijd op Paddington gearriveerd.

‘Zijn er helemaal geen aardige mensen in de middeleeuwen?’ had Kivrin hem gevraagd en natuurlijk waren die er. Knapen met stiletto’s en plattegronden waren er altijd al geweest. Net als moeders en kleuters en Gaddsons en Latimers. En Gilchrists.

Hij ging op zijn andere zij liggen. ‘Ze redt zich prima,’ zei hij zachtjes, om Colin niet te wekken. ‘De middeleeuwen zijn niet opgewassen tegen mijn beste studente.’ Hij trok de deken over zijn schouder en sloot zijn ogen. Hij dacht aan de punker met de groene hanekam en de plattegrond. Maar ook aan het ijzeren hek dat hem bij de klaphekjes weghield en aan het donkere station daarachter.

AFSCHRIFT UIT HET DOMESDAY BOOK
(015104–016615)

19 december 1320 (Oude Stijl). Ik voel me beter. Ik kan nu drie of vier keer ademhalen zonder te hoesten en vanochtend had ik zelfs mijn eetlust weer terug. Alleen had ik weinig trek in de vette pap die Maisry me kwam brengen. Ik doe een moord voor een bord eieren met spek.

En voor een bad. Ik ben ontzettend smerig. Alleen mijn voorhoofd heeft water gezien sinds ik hier ben en sinds twee dagen doet vrouwe Imeyne linnen omslagen met een vreselijk riekende zalf op mijn borst. Omdat ik ook nog regelmatig hevig zweet en het bed sinds de vorige eeuw niet meer verschoond is, stink ik een uur in de wind en is mijn haar moddervet. En dan ben ik hier nog de schoonste.

Dokter Ahrens had gelijk dat ze mijn neus wilde dichtschroeien. Iedereen stinkt, zelfs de kinderen, en dan is het binnen nog steenkoud. Ik kan me niet voorstellen hoe het hier in augustus moet zijn. Ze hebben allemaal vlooien. Vrouwe Imeyne onderbreekt zelfs haar gebeden om zich te krabben en toen Agnes haar maillot naar beneden deed om haar knie te laten zien, zag ik dat ze onder de rode beten zat.