Eliwys, Imeyne en Rosemund hebben een tamelijk schoon gezicht, maar ze wassen hun handen nooit, ook niet als ze de kamerpot hebben geleegd, en niemand is nog op het idee gekomen dat je etenskommen kunt afwassen of dat je de bedvulling kunt vernieuwen. Eigenlijk zouden ze allemaal al aan de een of andere infectie overleden moeten zijn, maar afgezien van scheurbuik en rotte tanden maakt iedereen een gezonde indruk. Zelfs de knie van Agnes trekt aardig bij. Ze komt elke dag om me het korstje te laten zien, haar zilveren gesp, haar houten ridder en die bijna doodgeknuffelde Blackie.
Ik kom heel veel van haar te weten en ik hoef bijna niets te vragen. Rosemund is in ‘haar dertiende jaar’, wat betekent dat ze twaalf is, en het is haar kamer waarin ik word verpleegd. Het is nauwelijks voor te stellen dat ze binnenkort de huwbare leeftijd bereikt — daarom heeft ze ook haar eigen ‘boudoir’ — maar in de veertiende eeuw werden meisjes vaak al op hun veertiende of vijftiende uitgehuwelijkt. Eliwys moet ongeveer even oud zijn geweest toen zij trouwde. Agnes heeft me ook verteld dat ze drie oudere broers heeft, die allemaal bij hun vader in Bath zijn.
De klok die ik in het zuidwesten hoorde luiden, is van de kerk in Swindone. Agnes kan alle klokken uit elkaar houden. De eerste, heel in de verte, is die van Osney, de voorloper van de Great Tom. De twee klokken zijn die van Courcy, waar heer Bloet woont, en dan zijn er nog kerken dichterbij, in Witenie en Esthcote. Dat betekent dat dit heel goed Skendgate kan zijn, in elk geval ben ik er heel dichtbij. Er zijn essen, de omvang klopt ongeveer en de kerk staat op de juiste plaats. Misschien heeft Montoya de klokketoren gewoon nog niet gevonden. Jammer genoeg is de naam van dit dorp een van de weinige dingen die Agnes niet weet.
Ze wist ook niet waar Gawyn was. Ze zei dat hij weer op zoek was gegaan naar de struikrovers, ‘en als hij ze vindt, slaat hij ze zó neer met zijn zwaard’. Ze demonstreerde het met Blackie in de rol van slachtoffer. Ik weet niet of het allemaal waar is wat ze me vertelt. Ze zei dat koning Edward in Frankrijk is en dat Vader Roche de duivel heeft gezien, helemaal in het zwart en gezeten op een zwarte hengst.
Dat laatste zou best kunnen. (Dat Vader Roche haar dat heeft verteld, niet dat hij de duivel heeft gezien.) Pas in de renaissance werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen geest en materie en de middeleeuwers hadden heel vaak visioenen van engelen, het Laatste Oordeel of de Maagd Maria.
Vrouwe Imeyne loopt voortdurend te klagen over de onwetendheid en ongeletterdheid van Vader Roche. Ze probeert Eliwys nog steeds zover te krijgen dat ze Gawyn naar Osney stuurt om een monnik te halen. Toen ik vroeg of Vader Roche samen met mij mocht bidden (een verzoek dat me niet al te ‘onbeschaamd’ leek), stak ze een preek van een halfuur af om zijn tekortkomingen op te sommen: hij kent de Venite niet meer allemaal, hij blaast de kaarsen uit in plaats van ze te snuiten en ‘verspilt daardoor veel was’, en hij jaagt de bedienden schrik aan met bijgelovige praat (ongetwijfeld over de duivel op zijn paard).
In de veertiende eeuw waren dorpspriesters gewone boeren die de mis uit hun hoofd hadden geleerd en niet meer dan een paar woorden Latijn kenden. Ik merk weinig verschil, zeker niet als het op de reuk aankomt, maar voor de adel waren de lijfeigenen een heel andere soort. Imeyne zal zich zeker wel in haar aristocratische ziel gekwetst voelen als ze bij zo’n ‘kinkel’ te biecht moet gaan!
Hij is ongetijfeld werkelijk zo bijgelovig en ongeletterd als zij beweert, maar onbekwaam is hij niet. Hij hield mijn hand vast toen ik op sterven lag. Hij zei dat ik niet bang hoefde te zijn en dat was ik ook niet.
Het gaat langzamerhand weer beter met me. Vanmiddag heb ik een halfuur op het bankje gezeten en later ben ik beneden gaan eten. Vrouwe Eliwys liet me een bruin kleed met een mosterdgeel schort aantrekken en ze gaf me een hoofddoek om mijn korte haar te bedekken. Ik kreeg geen echte kap en muts, dus Eliwys gelooft blijkbaar dat ik een ongetrouwde juffer ben, ondanks Imeynes gepraat over overspelige vrouwen. Ik weet niet of mijn eigen kleren ongepast worden gevonden of dat ze gewoon te mooi zijn voor doordeweeks. Eliwys zei helemaal niets toen ze me samen met Imeyne hielp aankleden. Ik had me graag gewassen voordat ik mijn nieuwe kleren aantrok, maar ik wilde niets doen om Imeyne nog meer reden tot verdenking te geven.
Ze keek hoe ik mijn rijgkoordjes en de veters van mijn schoenen vastmaakte, ook tijdens het eten hield ze me scherp in de gaten. Ik zat tussen de kinderen in en deelde een broodplank met ze. De meier was verbannen naar het eind van de tafel en Maisry was nergens te zien. Volgens Latimer at de plaatselijke geestelijke mee aan de tafel van zijn heer, maar ik denk dat vrouwe Imeyne ook weinig op heeft met de tafelmanieren van Vader Roche.
We kregen een stuk wildbraad met brood erbij. Het vlees smaakte naar kaneel, zout en ouderdom, en het brood was keihard, maar het was beter dan pap en ik geloof niet dat ik iets verkeerd heb gedaan.
Toch weet ik zeker dat ik om de haverklap iets fout doe, daarom is vrouwe Imeyne ook zo achterdochtig. Mijn kleren, mijn handen en waarschijnlijk ook mijn taalgebruik vallen meer of minder uit de toon, en dat is voldoende om mij een vreemde, buitenlandse indruk te geven. Iemand die niet te vertrouwen is.
Vrouwe Eliwys maakt zich te veel zorgen over het proces om mijn fouten op te merken en de meisjes zijn te jong. Maar vrouwe Imeyne ontgaat niets en waarschijnlijk houdt ze al mijn tekortkomingen net zo goed bij als die van Vader Roche. Goddank heb ik niet tegen haar gezegd dat ik Isabel de Beauvrier was. Ze was meteen naar Yorkshire gegaan, winter of geen winter, om mijn verhaal na te trekken.
Gawyn kwam na het eten terug. Maisry was al eerder binnengekomen, met een vuurrood oor en een kommetje bier, ze had de tafels naar het midden gesleept en een paar flinke houtblokken op het vuur gelegd. De vrouwen zaten in het gelige licht te borduren.
Gawyn bleef bij de tussenmuur staan. Het was hem aan te zien dat hij een zware rit achter de rug had en het duurde even voordat de anderen hem opmerkten. Rosemund zat over haar naaiwerk gebogen. Agnes speelde met haar houten ridder, die ze in haar wagentje had gezet, en Eliwys en Imeyne zaten ernstig te praten over de zieke boer, met wie het blijkbaar niet erg goed gaat. De rook van het vuur sloeg op mijn longen en ik wendde mijn hoofd af om niet te hoesten. Ik zag dat Gawyn naar Eliwys stond te kijken.
Even later reed Agnes met haar wagen tegen de voet van Imeyne, die zei dat ze een kind van de duivel was, en Gawyn kwam naar het midden van de zaal. Ik sloeg mijn ogen neer en hoopte dat hij me zou aanspreken.
Hij kwam naar me toe en ging op een knie zitten. ‘Goede vrouwe,’ zei hij, ‘ik ben blij dat het u beter gaat.’
Ik had geen idee of ik iets terug moest zeggen. Ik boog alleen mijn hoofd.
Hij bleef op een knie zitten, alsof hij mijn dienaar was. ‘Ik hoor dat u zich niets van de overval kunt herinneren, vrouwe Katherine. Is dat zo?’
‘Ja,’ mompelde ik.
‘En u weet niet waar uw knechten naartoe gevlucht kunnen zijn?’
Ik schudde mijn hoofd en hield mijn blik op de vloer gericht.
Hij keek naar Eliwys. ‘Ik heb nieuws van de rovers, vrouwe Eliwys. Ik heb hun spoor gevonden. Ze waren met velen en te paard.’
Ik was bang geweest dat hij een arme sprokkelaar voor de dader had aangezien en had opgehangen.
‘Als u mij toestaat wil ik ze achtervolgen om de vrouwe te wreken,’ vervolgde hij.
Eliwys keek hem onzeker aan, net zo op haar hoede als in het begin. ‘Mijn gemaal wil dat wij hier zijn komst afwachten,’ zei ze, ‘en u moet ons bewaken. Nee.’