‘U hebt nog niet gegeten,’ zei vrouwe Imeyne, op een toon alsof de zaak was afgehandeld.
Gawyn ging staan.
‘Heb dank voor uw vriendelijkheid, heer,’ zei ik snel. ‘Ik weet dat u het bent die mij in het bos heeft gevonden.’ Ik haalde adem en begon te hoesten. ‘Kunt u mij zeggen waar dat precies was?’ Ik had niet zoveel tegelijk moeten zeggen. Het hoesten werd erger, ik verslikte me en boog dubbel van de pijn.
Toen ik eindelijk was uitgehoest, had Imeyne vlees en kaas voor Gawyn neergezet en Eliwys had haar borduurwerk weer opgepakt, dus nu weet ik nog niets.
Of nee, dat is niet waar. Ik weet waarom Eliwys zo op haar hoede was toen hij binnenkwam en waarom hij een bende rovers uit zijn duim zoog. En ook waarom Imeyne over weggelopen vrouwen was begonnen.
Ik zag hoe hij naar Eliwys stond te kijken en ik had geen tolk nodig om de uitdrukking op zijn gezicht te verklaren. Hij is verliefd op de gemalin van zijn heer.
14
Dunworthy sliep ongestoord door tot de volgende ochtend.
‘Uw secretaris wilde u wakker maken, maar dat wou ik niet hebben,’ zei Colin. ‘Ik moest dit aan u geven.’ Hij liet een rommelige stapel papieren zien.
‘Hoe laat is het?’ zei Dunworthy, die moeizaam rechtop ging zitten.
‘Halfnegen,’ zei Colin. ‘Het koor en alle anderen zitten te ontbijten. Havermout.’ Hij deed alsof hij moest kokhalzen. ‘Gewoon necrotisch. Die secretaris van u zegt dat de eieren met spek op rantsoen moeten vanwege de quarantaine.’
‘Halfnegen in de ochtend?’ vroeg Dunworthy, kippig door het raam naar buiten kijkend. Het was nog even donker en grauw als toen hij was gaan slapen. ‘Allemachtig, ik had allang in het ziekenhuis moeten zijn om met Badri te praten.’
‘Weet ik,’ zei Colin. ‘Tante Mary zei dat u kon blijven slapen omdat ze hem aan het onderzoeken zijn.’
‘Heeft ze gebeld?’ Dunworthy tastte naar zijn bril op het nachtkastje.
‘Ik ben vanmorgen naar het ziekenhuis gegaan voor mijn bloedonderzoek. Tante Mary zei dat we maar één keer per dag hoeven.’
Dunworthy zette zijn bril op en keek Colin aan. ‘Zei ze ook of ze het virus hebben geïdentificeerd?’
‘Neuh,’ mummelde Colin met een bolle wang. Dunworthy vroeg zich af of hij de toverbal de hele nacht in zijn mond had gehouden en zo ja, waarom die dan niet kleiner was geworden. ‘Deze lijsten zijn voor u.’ Hij gaf hem de papieren. ‘Die andere mevrouw uit het ziekenhuis heeft ook nog gebeld. Die op de fiets was.’
‘Montoya?’
‘Ja. Ze wilde weten of u de vrouw van meneer Basingame kunt bereiken. Ik zei dat u zou terugbellen. Weet u ook wanneer de post komt?’
‘De post?’ zei Dunworthy, die de lijsten zat te bekijken.
‘Mijn moeder had nog geen cadeautjes voor me gekocht, dus die kon ik niet meenemen,’ zei Colin. ‘Ze zou ze opsturen. Denkt u dat de post vertraging ondervindt van de quarantaine?’
Een paar vellen waren aan elkaar gekleefd, ongetwijfeld doordat Colin regelmatig zijn toverbal had geïnspecteerd. De meeste waren geen naamlijsten, maar diverse memo’s van Finch. Een van de verwarmingselementen in Salvin was uitgevallen. Het ministerie wees alle inwoners van Oxford en omgeving op het gevaar van omgang met besmette personen. De vrouw van Basingame was voor de kerstdagen naar Torquay gegaan. De voorraad wc-papier had een kritiek peil bereikt.
‘U denkt toch niet dat hij nu later komt?’ vroeg Colin.
‘Dat wat later komt?’
‘De post!’ zei Colin geërgerd. ‘Die heeft toch geen vertraging? Hoe laat moet hij komen?’
‘Om tien uur,’ zei Dunworthy. Hij deed alle memo’s bij elkaar en opende een grote bruine envelop. ‘Maar door al die pakjes en kerstkaarten kan het wel wat later worden.’
Ook de aan elkaar geniete papieren in de envelop waren geen naamlijsten. William Gaddson had een uitgebreid verslag opgesteld over het doen en laten van Badri en Kivrin, netjes uitgetypt en elke dag onderverdeeld in ochtend, middag en avond. Het zag er veel verzorgder uit dan enig essay dat hij ooit had ingeleverd. Verbazend wat een heilzame invloed een moeder kon hebben.
‘Hoezo dan?’ zei Colin. ‘Het zijn toch geen mensen? Ik bedoel, het kan toch niet besmettelijk zijn? Waar wordt hij afgegeven?’
‘Wat?’
‘De post.’
‘Bij de portier,’ zei Dunworthy. Badri was dinsdagmiddag na zijn bezoek aan Balliol weer naar het lab gegaan. Finch had hem om twee uur gezien, toen hij naar Dunworthy vroeg, en opnieuw even voor drieën, toen Badri hem het briefje had gegeven. Tussen twee en drie had John Yi, een derdejaarsstudent, hem over de binnenplaats naar het lab zien lopen, kennelijk op zoek naar iemand.
Om drie uur had de portier van Brasenose hem ingeschreven. Hij had tot halfacht aan het net gewerkt en was daarna teruggegaan naar zijn flat om zich te kleden voor het bal.
Dunworthy belde Latimer. ‘Hoe laat bent u dinsdagmiddag naar het lab gegaan?’
Dunworthy zag hem op het scherm verward met zijn ogen knipperen. ‘Dinsdag?’ zei hij, om zich heen kijkend alsof hij iets kwijt was. ‘Was dat gisteren?’
‘De dag voor Kivrins vertrek,’ zei Dunworthy. ‘U bent ’s middags naar de bibliotheek gegaan.’
Latimer knikte. ‘Ze wilde weten hoe ze moest zeggen: “Help me, want ik ben belaagd door dieven.”’
Dunworthy nam aan dat hij met ‘ze’ Kivrin bedoelde. ‘Had u met Kivrin in de bibliotheek of in Brasenose afgesproken?’
Latimer wreef peinzend over zijn kin. ‘We zijn nog tot ’s avonds laat bezig geweest met de pronomina,’ zei hij. ‘Het wegvallen van voornaamwoordelijke uitgangen was in de veertiende eeuw wijd verbreid, maar nog niet algemeen.’
‘Is Kivrin bij het net naar u toe gekomen?’
‘Bij het net?’ zei Latimer weifelend.
‘Het laboratorium van Brasenose,’ snauwde Dunworthy.
‘Brasenose? De dienst wordt toch niet in Brasenose gehouden?’
‘Welke dienst?’
‘De dominee vroeg of ik op kerstavond de zegening wilde uitspreken,’ zei Latimer. ‘Wordt de dienst in Brasenose gehouden?’
‘Nee. U had dinsdagmiddag met Kivrin afgesproken om aan haar uitspraak te werken. Waar zag u haar?’
‘Het woord “dieven” was erg lastig te vertalen. Het komt van het Oudengelse theof, maar de…’
Het was zinloos. ‘De dienst van kerstavond is om zeven uur in St. Mary the Virgin,’ zei hij en legde neer.
Hij belde de portier van Brasenose, die nog steeds met zijn kerstversieringen in de weer was, en liet hem Kivrin in zijn dagrapporten opzoeken. Ze was er dinsdagmiddag niet geweest.
Hij stopte de lijsten in zijn computer en voegde er het rapport van William aan toe. Kivrin had Badri dinsdag niet ontmoet. Die morgen was ze in het ziekenhuis geweest en daarna bij Dunworthy. In de middag was ze met Latimer naar de bibliotheek gegaan en daar ging ze pas weg toen Badri al naar het feest in Headington was vertrokken. Maandagmiddag om drie uur was ze in het ziekenhuis gearriveerd. Het enige hiaat was de tijd tussen twaalf uur en halfdrie, in die periode zou ze Badri gezien kunnen hebben.
Hij nam de lijsten met namen nog een keer door. Montoya had niet meer dan enkele contacten opgegeven en dan nog alleen voor woensdagochtend. Over Badri wist ze helemaal niets te vertellen. Hij vroeg zich af hoe dat kwam, tot hij zich herinnerde dat ze pas binnen was gekomen nadat Mary had uitgelegd wat de bedoeling van de formulieren was.
Misschien had zij Badri eerder nog gezien, of wist ze waar hij maandag tussen twaalf uur en halfdrie was geweest.
‘Heeft Montoya een telefoonnummer achtergelaten?’ vroeg hij aan Colin. Hij keek op toen hij geen antwoord kreeg. ‘Colin?’