De jongen was niet in de slaapkamer. Hij was helemaal niet in de woning, alleen de inhoud van zijn tas lag over het vloerkleed uitgespreid.
Dunworthy zocht het nummer van Montoya in Brasenose op en tikte het in zonder iets te verwachten. Ze was nog steeds op zoek naar Basingame en daarom kon ze nog niet naar Skendgate zijn gegaan, maar in plaats daarvan zat ze ongetwijfeld bij de Gezondheidsraad of bij Monumentenzorg om haar opgraving van ‘onschatbaar belang’ te laten verklaren.
Hij kleedde zich aan en ging naar de eetzaal om Colin te zoeken. Het regende nog steeds en de hemel had dezelfde vochtige grauwe kleur als de tegels en de stammen van de berkebomen. Hij hoopte dat de koorleden en de gestrande reizigers vroeg hadden ontbeten en naar de hun toegewezen kamers waren gegaan, maar dat was een ijdele wens. Halverwege de binnenplaats hoorde hij al het opgewonden geschetter van vrouwenstemmen.
‘Wat een geluk dat u er bent, meneer,’ zei Finch, die hem bij de deur opwachtte. ‘De Gezondheidsraad heeft zojuist gebeld. Ze willen dat we nog eens twintig mensen opnemen.’
‘Zeg maar dat het onmogelijk is.’ Dunworthy keek de zaal in. ‘We hebben opdracht contact met zieken te vermijden. Heb je de neef van dokter Ahrens gezien?’
‘Hij was hier net nog,’ zei Finch. Hij keek over de hoofden van de vrouwen heen, maar Dunworthy had de jongen al gezien. Hij stond aan de tafel van het bellenkoor een paar sneden geroosterd brood te besmeren.
Dunworthy ging naar hem toe. ‘Heeft Montoya gezegd waar ze te bereiken is toen ze opbelde?’
‘Die met de fiets?’ vroeg Colin. Hij deed marmelade op zijn brood.
‘Ja.’
‘Nee.’
‘Wilt u ontbijten, meneer?’ zei Finch. ‘Ik vrees dat er geen eieren met spek meer zijn, en we raken ook al lelijk door de marmelade heen.’ Hij wierp Colin een boze blik toe. ‘Maar er is havermout en…’
‘Alleen een kop thee,’ zei Dunworthy. ‘Heeft ze niet gezegd waar ze was?’
‘Ga toch zitten,’ zei mevrouw Taylor. ‘Ik moest u nog vertellen over onze Chicago Surprise.’
‘Wat zei Montoya precies?’ vroeg Dunworthy aan Colin.
‘Dat het niemand iets kon schelen dat haar opgraving mislukte en dat een waardevol overblijfsel uit het verleden verloren ging. En dat je wel gek moest zijn om midden in de winter te gaan vissen.’ Colin schraapte zijn mes af aan de rand van het kommetje marmelade.
‘De thee is bijna op.’ Finch schonk een wel erg slap bakje in.
Dunworthy ging zitten. ‘Wil je chocolademelk of gewone, Colin?’
‘De melk is bijna op,’ zei Finch.
‘Ik hoef niks, dank u,’ zei Colin. Hij drukte twee sneetjes brood op elkaar. ‘Ik neem dit mee naar de poort, dan kan ik de postbode zien komen.’
‘De dominee heeft gebeld,’ zei Finch. ‘Ik moest zeggen dat u pas om halfzeven in de kerk hoeft te zijn.’
‘Gaat de dienst dan nog door?’ zei Dunworthy. ‘Het lijkt me dat er onder deze omstandigheden niemand komt.’
‘Hij zei dat de Oecumenische Commissie heeft besloten de dienst toch te laten doorgaan,’ zei Finch. Hij deed een druppeltje melk in de bleke thee en zette het kopje voor Dunworthy neer. ‘Dat is goed voor het moreel, zei de dominee.’
‘We spelen verschillende stukken met onze handbellen,’ zei mevrouw Taylor. ‘Het is natuurlijk iets heel anders dan een carillon, maar het is beter dan niets. De priester van de Heilige Hervormden draagt een bijzondere mis op voor tijden van pestilentiën.’
‘Juist ja,’ zei Dunworthy. ‘Dat zal het moreel zeker goed doen.’
‘Moet ik mee?’ zei Colin.
‘Zo’n jongen hoort niet naar buiten te gaan met dit weer,’ zei mevrouw Gaddson, die als een harpij op de tafel neerstreek en een groot bord havermout voor Colin neerzette. ‘En in zo’n tochtige kerk wordt hij ook maar ziek. Hij kan hier bij mij blijven tijdens de dienst.’ Ze schoof een stoel naar hem toe. ‘Ga zitten en eet je pap op.’
Colin keek smekend naar Dunworthy.
‘Colin, ik heb Montoya’s telefoonnummer op mijn kamer laten liggen,’ zei Dunworthy. ‘Wil jij het even voor me halen?’
‘Ja!’ zei Colin, en hij ging er als een pijl uit een boog vandoor.
‘Als dat kind de Indische koorts krijgt,’ zei mevrouw Gaddson, ‘dan zult u er hoop ik nog wel eens aan denken dat hij door u zijn eten heeft laten staan. Het is me nu wel duidelijk waar deze epidemie vandaan komt. Slechte eetgewoonten en een volslagen gebrek aan discipline. Het is een schande zoals dit college wordt geleid. Ik wilde bij mijn zoon William logeren, maar in plaats daarvan heb ik een kamer in een heel ander gebouw gekregen en ik…’
‘Ik vrees dat u daarvoor bij de heer Finch moet zijn,’ zei Dunworthy. Hij stond op en deed Colins sandwich in een servetje. ‘Ik moet naar het ziekenhuis,’ zei hij en nam de benen voordat Gaddson weer kon beginnen.
Hij ging terug naar zijn kamer en belde Andrews. De lijn was bezet. Hij probeerde Skendgate te bereiken in de vage hoop dat Montoya haar vrijstelling had gekregen, maar er werd niet opgenomen. Tot zijn verbazing slaagde hij er de tweede keer wel in Andrews te bereiken. Hij kreeg een antwoordapparaat aan de lijn.
‘Met Dunworthy,’ zei hij. Hij aarzelde even en gaf het telefoonnummer van zijn kamer. ‘Ik moet u onmiddellijk spreken. Het is dringend.’
Hij legde neer en ging met zijn paraplu en Colins brood naar buiten.
Colin stond in de poort te schuilen en keek gespannen de straat in, in de richting van Carfax.
‘Ik ga naar het ziekenhuis om met mijn ingenieur en je tante te praten,’ zei Dunworthy, die de jongen het servetje met zijn brood gaf. ‘Wil je met me mee?’
‘Nee, bedankt,’ zei Colin. ‘Ik wil de post niet missen.’
‘Ga in godsnaam je jas halen. Als mevrouw Gaddson je zo ziet, gaat ze je meteen weer aan je hoofd zeuren.’
‘Mevrouw Godsamme is al geweest,’ zei Colin. ‘Ze wou dat ik een sjaal omdeed. Een sjaal!’ Hij keek opnieuw gespannen de straat in. ‘Ik heb maar niks gezegd.’
‘Dat is een idee,’ zei Dunworthy. ‘Ik ben tegen de middag weer terug. Als je iets nodig hebt, ga je maar naar Finch.’
‘Hmm,’ zei Colin, die niet naar hem geluisterd had. Dunworthy vroeg zich af wat voor bijzonder kerstcadeau hij verwachtte. Het kon geen sjaal zijn.
Hij trok zijn eigen das om zijn hals en ging door de regen op weg naar het ziekenhuis. Er waren maar een paar mensen op straat en die liepen met een boogje om elkaar heen. Een vrouw ging zelfs van het trottoir af om niet bij Dunworthy in de buurt te komen.
Het was dat het carillon luid schallend ‘It Came Upon the Midnight Clear’ speelde, anders had niemand kunnen denken dat het de dag voor Kerstmis was. Niemand liep met cadeautjes of groen te sjouwen, niemand had zelfs maar een pakje bij zich. De quarantaine leek elke gedachte aan Kerstmis te hebben verbannen.
En eigenlijk was dat ook zo. Hij had zelf geen moment aan geschenken of een kerstboom gedacht. Hopelijk had Colins moeder wel iets gestuurd en stond Colin niet voor niets bij de poort van Balliol te wachten. Op de terugweg zou hij iets voor hem kopen, speelgoed of een videoband, zolang het maar geen sjaal was.
In het ziekenhuis werd hij meteen naar de isolatie-afdeling gebracht om de nieuwe patiënten te ondervragen. ‘We moeten beslist iemand vinden die in Amerika is geweest,’ zei Mary. ‘Het Wereld Influenza Centrum heeft problemen. Vanwege de vakantie is er niemand die de DNA-structuur van het virus kan bepalen. Natuurlijk worden ze geacht altijd iemand achter de hand te hebben, maar meestal krijgen ze het na de kerstdagen pas druk met gevallen van voedselvergiftiging en andere virusachtige verschijnselen, daarom hebben ze iedereen met vakantie gestuurd. Hoe dan ook, Atlanta stuurt een prototype van het vaccin naar het WIC, maar ze hebben een duidelijke identificatie nodig voordat ze met de produktie kunnen beginnen.’