Выбрать главу

Ze ging hem voor door een afgezette gang. ‘Alle patiënten vertonen de symptomen van het South Carolina-virus: hoge koorts, spierpijn en secundaire longaandoeningen, maar dat is jammer genoeg nog geen bewijs.’ Ze bleef voor een deur staan. ‘Je hebt zeker geen Amerikanen gevonden die met Badri contact hebben gehad?’

‘Nee, maar er zijn nog de nodige hiaten. Zal ik het hem zelf nog eens vragen?’

Ze aarzelde.

‘Hij gaat achteruit,’ zei Dunworthy.

‘Hij heeft longontsteking gekregen. Ik weet niet of hij je iets kan vertellen. Hij heeft nog steeds hoge koorts, wat bij de diagnose past. We geven hem dezelfde antimicrobia en versterkers die effectief zijn tegen het South Carolina-virus.’ Ze deed de deur open. ‘Ik zal je het overzicht van alle nieuwe gevallen laten zien. Je kunt de hoofdverpleegster vragen in welk bed ze liggen.’ Ze ging naar de computer bij het eerste bed. Op de monitor was een diagram te zien met net zoveel takken als de grote beuk op de binnenplaats van Balliol. ‘Je vindt het toch niet erg als Colin nog een nachtje bij je logeert?’

‘Helemaal niet.’

‘Fijn. Ik betwijfel sterk of ik voor morgen thuis ben en ik heb niet graag dat hij helemaal alleen is. Al geloof ik dat ik de enige ben,’ voegde ze er boos aan toe. ‘Ik heb eindelijk Deirdre in Kent weten te bereiken, maar die maakt zich nergens zorgen om. Ze had het nota bene te druk gehad om het nieuws over de quarantaine te volgen. Daarna vertelde ze van alles over de plannen die zij en haar nieuwe vriend hadden gemaakt. Ik kon maar al te duidelijk merken dat ze helemaal geen tijd voor Colin heeft gehad en blij was dat hij bij mij zat. Soms geloof ik werkelijk dat ze geen echte nicht van me is.’

‘Weet je of ze Colins cadeautjes op de post heeft gedaan? Hij zei dat ze dat van plan was.’

‘Ze heeft het vast veel te “druk” gehad om iets te kopen, laat staan te versturen. De laatste keer dat Colin met de kerstdagen bij mij logeerde, kreeg hij ze pas in januari. Dat doet me er trouwens aan denken, weet jij waar mijn boodschappentas is gebleven? Mijn cadeaus voor Colin zaten erin.’

‘Ik heb hem meegenomen naar Balliol,’ zei hij.

‘O, dank je. Ik had nog niet alles, maar als je de sjaal en zo voor me zou willen inpakken, dan heeft hij in elk geval iets.’ Ze ging staan. ‘Laat het me meteen weten als je een mogelijke Amerikaanse connectie hebt gevonden. Zoals je ziet hebben we al een paar ziektegevallen tot Badri kunnen herleiden, maar het is nog steeds niet duidelijk of hij de bron is.’

Ze ging weg en Dunworthy nam plaats aan het bed van de vrouw met de lila paraplu.

‘Mevrouw Breen?’ zei hij. ‘Ik moet u helaas een paar vragen stellen.’

Haar gezicht was erg rood en ze haalde net zo moeilijk adem als Badri, maar ze beantwoordde zijn vragen duidelijk en zonder aarzelen. Nee, ze was de afgelopen maand niet in de Verenigde Staten geweest. Nee, ze kende geen Amerikanen of mensen die in Amerika geweest waren. Ze was met de trein uit Londen gekomen om kerstinkopen te doen bij Blackwell’s. Ze had de halve stad afgelopen en er waren zeker vijfhonderd mensen die haar aangestoken konden hebben.

Het was al twee uur geweest voordat hij alle patiënten had ondervraagd en de nieuwe namen van contactpersonen had ingevoerd. Er zaten geen Amerikanen bij, maar hij wist nu wel dat twee van hen eveneens op het feest in Headington waren geweest.

Hij ging naar boven, zonder veel hoop dat Badri in staat zou zijn vragen te beantwoorden, maar de ingenieur leek er beter aan toe te zijn. Hij lag te slapen, maar toen Dunworthy zijn hand aanraakte sloeg hij zijn ogen op en keek hem aan.

‘Meneer Dunworthy,’ zei hij. Zijn stem was zwak en hees. ‘Wat doet u hier?’

Dunworthy ging zitten. ‘Hoe voel je je?’

‘Ik heb zo raar gedroomd. Ik dacht… ik had zo’n hoofdpijn…’

‘Ik moet je een paar vragen stellen, Badri. Weet je nog met wie je op het bal in Headington hebt gesproken?’

‘Het was heel druk,’ zei hij, pijnlijk slikkend. ‘Ik kende de meeste mensen niet.’

‘Weet je nog met wie je hebt gedanst?’

‘Met Elizabeth,’ zei hij met overslaande stem. ‘Sisu en nog iets, ik ken haar achternaam niet,’ fluisterde hij. ‘En Elizabeth Yakamoto.’

De barse hoofdverpleegster kwam binnen. ‘Tijd voor uw röntgenfoto’s,’ zei ze, zonder Badri aan te kijken. ‘U kunt niet blijven, meneer Dunworthy.’

‘Kan het nog twee minuten wachten?’ vroeg hij. ‘Het is belangrijk.’ De zuster zat al achter de computer te tikken.

Hij boog zich over het bed heen. ‘Badri, hoe groot was de tijdverschuiving?’

‘Meneer Dunworthy!’ zei de zuster.

Dunworthy sloeg geen acht op haar. ‘Was die groter dan verwacht?’

‘Nee,’ zei Badri schor. Hij bracht een hand naar zijn keel.

‘Hoe groot was het verschil?’

‘Vier uur,’ fluisterde Badri en Dunworthy liet zich de kamer uit sturen.

Vier uur. Kivrin was om halfeen vertrokken en zou dus om halfvijf zijn doorgekomen. Dat was laat, maar het moest nog licht genoeg zijn om te kunnen zien waar ze was en om desnoods naar Skendgate te kunnen lopen.

Hij ging Mary opzoeken en gaf haar de namen van de twee meisjes met wie Badri had gedanst. Mary bekeek het diagram, waar de namen nog niet op voorkwamen, daarna nam ze bloed bij Dunworthy af en controleerde zijn temperatuur, zodat hij niet hoefde terug te komen. Hij wilde net naar huis gaan toen Sisu Fairchild werd binnengebracht. Pas tegen theetijd kwam hij eindelijk thuis.

Colin was niet meer bij de poort en evenmin in de eetzaal, waar Finch bijna door zijn suiker en boter heen was. ‘Waar is de neef van dokter Ahrens?’ vroeg Dunworthy.

‘Hij heeft de hele ochtend bij de poort staan wachten,’ zei Finch, die zorgelijk de suikerklontjes stond te tellen. ‘Het was al een uur voor de post kwam en daarna is hij naar de flat van zijn tante gegaan om te zien of de pakjes daarheen waren gestuurd. Dat was blijkbaar niet het geval. Hij kwam met een heel sip gezicht terug, maar een halfuur geleden zei hij ineens dat hij ergens aan dacht en holde naar buiten. Misschien zijn de pakjes nog ergens anders heen gestuurd.’

Of niet, dacht Dunworthy. ‘Hoe laat gaan de winkels vandaag dicht?’

‘Op kerstavond? Alles is al dicht, meneer. Ze sluiten normaal al vroeg, maar sommige winkels zijn vanwege de quarantaine al tussen de middag gesloten. Ik heb een aantal telefoontjes binnengekregen, meneer.’

‘Die kunnen wachten,’ zei Dunworthy. Hij greep zijn paraplu en ging weer naar buiten. Finch had gelijk. Alle winkels waren dicht. Zelfs Blackwell’s, waarvan hij toch zeker had gedacht dat ze open zouden blijven, was gesloten. Toch hadden ze de quarantaine al aangegrepen om reclame te maken. Tussen de besneeuwde huisjes van het Victoriaanse dorp in de etalage lagen boeken over zelfmedicatie en geneesmiddelen en een felgekleurde paperback met de titel Lach uzelf gezond.

Bij High Street vond hij eindelijk een postkantoor dat nog open was, maar daar verkochten ze alleen sigaretten, goedkope snoep en ansichtkaarten, geen geschikte cadeautjes voor een jongen van twaalf. Hij ging naar buiten zonder iets gekocht te hebben, bedacht zich en ging weer naar binnen. Hij kocht een grote zak toffees, een toverbal ter grootte van een kleine komeet en een paar pakjes kauwgom in de vorm van zeeptabletten. Het was niet veel, maar Mary had gezegd dat ze ook nog iets voor hem had gekocht.

Dat ‘iets’ bleek een paar grijze wollen sokken te zijn, nog saaier dan de sjaal, en een taalvideo om zijn woordenschat te vergroten. Gelukkig zaten er ook een paar knalbonbons en cadeaupapier in haar tas, maar een paar sokken en snoep maakten nog geen Kerstmis. Hij keek zijn kamer door en probeerde te verzinnen of hij zelf nog iets had liggen.

Colin had ‘Apocalyptisch!’ geroepen toen hij hoorde dat Kivrin in de middeleeuwen was. Dunworthy haalde De Riddertijd uit de kast. Er stonden alleen gewone illustraties in, geen hologrammen, maar iets beters had hij niet in huis. Hij pakte het met de rest van de spullen haastig in, trok andere kleren aan en ging naar buiten. In de stromende regen holde hij over de verlaten binnenplaats van de bibliotheek in de richting van St. Mary the Virgin, af en toe een sprong makend over een overlopende goot.