Geen zinnig mens zou met zulk weer de straat op gaan. Vorig jaar was het droog geweest en toen was de kerk nog maar halfvol. Kivrin was met hem meegegaan. Ze was met de vakantie in Oxford gebleven om te studeren. Dunworthy had haar in de Bodleian aangetroffen en had haar uitgenodigd op zijn cocktailparty en voor de mis.
‘Ik heb eigenlijk geen tijd,’ had ze onderweg gezegd. ‘Ik moet studeren.’
‘Dat kun je in de kerk doen. St. Mary the Virgin is in 1139 gebouwd en alles is nog net zoals in de middeleeuwen, inclusief de wijze van verwarming.’
‘De oecumenische dienst is zeker ook authentiek?’
‘In spirituele zin is het ongetwijfeld net zo goed bedoeld en net zo onzinnig als een middeleeuwse mis,’ had hij gezegd.
Hij liep snel over het smalle pad dat langs Brasenose voerde en deed de deur van de kerk open. De warmte golfde hem tegemoet. Zijn bril besloeg. Hij bleef in het portaal staan en wreef de glazen schoon aan zijn das, maar direct daarop besloegen ze opnieuw.
‘De dominee zoekt u,’ zei Colin. Hij had een colbertje en een wit overhemd aan, zijn haar was gekamd. Hij gaf Dunworthy een ordinarium van de stapel die hij in zijn handen hield.
‘Ik dacht dat je thuis zou blijven,’ zei Dunworthy.
‘Bij Gaddson? Wat een necrotisch idee! Ik ging nog liever naar de kerk, dus ik vroeg of ik mevrouw Taylor kon helpen met het dragen van de klokken.’
‘En nu heeft de dominee je aan het werk gezet,’ zei Dunworthy, die nog steeds probeerde zijn glazen droog te wrijven. ‘Heb je het druk?’
‘Ja, wat dacht u? Het is afgeladen.’
Dunworthy keek naar binnen. Alle banken waren bezet en achterin werden klapstoelen neergezet.
‘Ah, gelukkig, daar bent u,’ zei de dominee, die de teksten van de gezangen aan het uitdelen was. ‘Sorry voor de warmte, de ketel werkt niet goed meer. Monumentenzorg staat niet toe dat we een moderne installatie nemen en voor deze oude ketel zijn bijna geen onderdelen meer te krijgen. Nu is het de thermostaat weer. Het is hier òf te warm, òf te koud.’ Hij haalde twee papiertjes uit zijn soutane en keek ernaar. ‘U heeft meneer Latimer zeker ook nog niet gezien? Hij moet de zegening uitspreken.’
‘Nee,’ zei Dunworthy. ‘Ik heb hem wel gezegd hoe laat hij er moest zijn.’
‘Ja, vorig jaar was hij in de war en kwam hij een uur te vroeg.’ Hij gaf Dunworthy een van de briefjes. ‘Dit is de tekst. We gebruiken dit jaar de King James-vertaling, daar stond de Kerk van het Millennium op. Het is in elk geval beter dan de volksbijbel van vorig jaar. De King James is misschien archaïsch, hij is tenminste niet misdadig.’
De buitendeur ging open en een paar nieuwe kerkgangers kwamen binnen. Ze klapten hun paraplu’s in, sloegen de regen van hun hoeden en liepen met een van Colins formulieren de kerk in.
‘Waren we toch maar naar Christ Church gegaan,’ zei de dominee.
‘Wat doen al die mensen hier?’ zei Dunworthy. ‘Weten ze soms niet dat we midden in een epidemie zitten?’
‘Zo gaat het altijd,’ zei de dominee. ‘Ik herinner me het begin van de Pandemie nog. Zulke collectes hebben we sindsdien niet meer gehaald. Over een tijdje zijn ze met geen stok meer uit huis te krijgen, maar nu zoeken ze troost bij elkaar.’
‘En het is opwindend,’ zei de priester van de Heilige Hervormden. Hij droeg een zwarte coltrui en een flodderbroek onder zijn rood en groen geruite miskleed. ‘Hetzelfde zie je in oorlogstijd. De mensen vinden het dramatisch.’
‘En zo verbreidt het virus zich twee keer zo snel,’ zei Dunworthy. ‘Heeft niemand ze verteld dat het besmettelijk is?’
‘Dat ga ik doen,’ zei de dominee. ‘U bent direct na het koor aan de beurt. De volgorde is veranderd, dank zij de Kerk van het Millennium. Lukas 2:1-19.’ Hij ging weg om de gezangen uit te delen.
‘Waar is Kivrin Engle?’ vroeg de priester. ‘Ik heb uw studente vanmiddag gemist bij de Latijnse mis.’
‘Ze zit in 1320, hopelijk in Skendgate en ergens waar ze niet natregent.’
‘O, wat leuk,’ zei de priester. ‘Ze wilde zo graag. En wat fijn voor haar dat ze deze toestand niet hoeft mee te maken.’
‘Ja,’ zei Dunworthy. ‘Ik moet nu mijn tekst voorbereiden.’
Hij ging de kerk in. In de grote ruimte was het nog warmer en er hing een sterke geur van vochtige wol en vochtige steen. Laserkaarsen flikkerden bleek op de vensterbanken en het altaar. De koorleden schoven twee grote tafels voor het altaar en zetten er hun klokken op, afgedekt met rode wollen doeken. Dunworthy ging naar de kansel en sloeg de bijbel open.
‘En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van den keizer Augustus, dat de geheele wereld beschreven zou worden…’
De King James is echt archaïsch, dacht hij. En toch is hij nog niet eens geschreven waar Kivrin nu is.
Hij ging terug naar het portaal. Er kwamen nog steeds mensen binnen. De priester van de Heilige Hervormden en de islamitische imam gingen naar buiten om meer klapstoelen te halen, terwijl de dominee aan de thermostaat van de verwarming stond te draaien.
‘Ik heb twee plaatsen op de tweede rij gereserveerd,’ zei Colin. ‘Weet u wat Gaddson vanmiddag bij de thee deed? Ze gooide mijn toverbal weg. Ze zei dat hij onder de bacillen zat. Ik ben blij dat mijn moeder niet zo is.’ Hij keek naar de stapel in zijn handen, die al een stuk dunner was geworden. ‘Ik geloof dat haar pakjes toch niet door de quarantaine heen zijn gekomen. Ze moesten natuurlijk eerst levensmiddelen en zo doorlaten.’ Hij schoof de papieren netjes recht.
‘Dat zal het zijn,’ zei Dunworthy. ‘Wanneer wil je je andere cadeautjes openmaken? Vanavond of morgenochtend?’
Colin deed of het hem niets uitmaakte. ‘Liever morgenochtend.’ Met een stralende lach gaf hij een formulier aan een vrouw in een gele regenjas.
‘Nou,’ zei ze bits, terwijl ze het blad uit zijn hand griste, ‘ik ben blij dat iemand hier nog vriendelijk is, ondanks die dodelijke epidemie.’
Dunworthy ging naar binnen en zocht zijn plaats op. Het gedraai van de dominee had niet het gewenste effect gehad. Hij legde zijn das en jas op de plaats naast hem.
Vorig jaar was het steenkoud geweest. ‘Bijzonder authentiek,’ had Kivrin gefluisterd, ‘net als de schriftlezing uit de volksbijbel. “In die dagen scheepte de politiek het volk op met een belastingverhoging.” In de middeleeuwen was de bijbel voor de mensen ook in een onbegrijpelijke taal geschreven,’ had ze grinnikend gezegd.
Colin kwam binnen en ging op Dunworthy’s kleren zitten. De priester van de Heilige Hervormden stond op en ging tussen de tafels van het bellenkoor en het altaar staan. ‘Laat ons bidden,’ zei hij.
Met een plof werden de kussentjes op de stenen vloer gelegd en iedereen knielde.
‘O God, die deze plaag over ons hebt gezonden, weerhoudt Uw wrekende engel, laat het land niet woest en ledig worden en vernietig niet elke levende ziel.’
Goed voor het moreel, dacht Dunworthy.
‘Zoals in de dagen dat U een pestilentie over Israël zond en zeventigduizend man stierven van Dan tot Berseba, zo worden wij door deze plaag bezocht en smeken wij U Uw toorn van de gelovigen af te wenden.’
De antieke verwarmingspijpen begonnen luid te tikken, maar daar liet de geestelijke zich niet door afleiden. Hij ging nog een volle vijf minuten door met voorbeelden van de toorn Gods die de ongelovigen met plagen had getroffen, waarna hij iedereen vroeg op te staan om ‘God Rest Ye Merry, Gentlemen, Let Nothing You Dismay’ te zingen.
Montoya kwam binnen en ging snel naast Colin zitten. ‘Ik ben de hele dag bij de Gezondheidsraad geweest,’ fluisterde ze, ‘om vrijstelling te krijgen. Ze denken geloof ik dat ik niets liever wil dan het virus verspreiden. Ik zei nog dat ik rechtstreeks naar mijn opgraving wil en dat daar niemand is om aan te steken, maar dacht je dat ze naar me luisterden?’