Ze keek naar Colin. ‘Als ik ontheffing krijg, heb ik vrijwilligers nodig. Zou jij geen skeletten willen opgraven?’
‘Dat kan niet,’ zei Dunworthy haastig. ‘Dat wil zijn tante niet hebben.’ Hij boog voor Colin langs en fluisterde: ‘We moeten nog weten waar Badri Chaudhuri maandagmiddag tussen twaalf uur en halfdrie is geweest. Hebt u hem toen gezien?’
‘Ssst,’ siste de vrouw met de gele regenjas.
Montoya schudde haar hoofd. ‘Ik was met Kivrin de plattegrond van Skendgate aan het bestuderen,’ fluisterde ze.
‘Waar? In Skendgate?’
‘Nee, in Brasenose.’
‘En Badri was er niet?’ vroeg hij, hoewel Badri toen ook nog geen reden had om in Brasenose te zijn. Dunworthy had hem pas om halfdrie gevraagd het net te controleren.
‘Nee,’ fluisterde Montoya.
‘Ssst!’
‘Hoe lang bent u bij Kivrin geweest?’
‘Ze kwam om tien uur en ze is gebleven tot ze naar het ziekenhuis moest, ik geloof om drie uur.’
‘Ssst!’ siste de vrouw weer.
‘Ik moet het Gebed voor de Grote Geest opdragen,’ fluisterde Montoya. Ze stond op en liep naar voren.
Nadat ze haar indiaanse gebed had voorgedragen, was het de beurt aan het bellenkoor. Met witte handschoenen en vastberaden gezichten speelden ze op hun klokken ‘O Christ Who Interfaces with the World’, wat weinig verschil maakte met het getik van de pijpen.
‘Zijn ze niet necrotisch?’ fluisterde Colin achter zijn formulier.
‘Dat is atonale muziek uit het eind van de twintigste eeuw,’ antwoordde Dunworthy zachtjes. ‘Het moet zo vreselijk klinken.’
Hij wachtte tot de vrouwen van het bellenkoor helemaal klaar leken te zijn, ging naar de kansel en las voor uit de Schrift. ‘ “En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van den keizer Augustus, dat de geheele wereld beschreven zou worden…” ’
Montoya ging staan en liep langs Colin naar de zijbeuk, waarna ze de kerk verliet. Dunworthy had haar willen vragen of ze Badri maandag of dinsdag nog had gezien of Amerikanen kende die met hem in contact waren geweest. Dat kon hij morgen doen, als ze naar het ziekenhuis gingen voor het onderzoek. Het belangrijkste wist hij aclass="underline" dat Kivrin Badri maandagmiddag niet had gezien. Montoya was tussen tien en drie uur bij haar geweest, waarna ze naar het ziekenhuis was gegaan. Tegen die tijd zat Badri al bij Dunworthy en hij was pas om twaalf uur met de trein uit Londen gekomen, dus hij kon Kivrin onmogelijk hebben aangestoken.
‘ “En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want ziet, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal…” ’
Niemand scheen naar hem te luisteren. De vrouw die Colin had afgesnauwd zat haar jas uit te trekken, de andere kerkgangers hadden dat al gedaan en wuifden zich met hun misformulieren koelte toe.
Hij dacht aan Kivrin, die tijdens de dienst vorig jaar heel aandachtig naar hem had gestaard terwijl ze op haar knieën op de stenen vloer zat. Ook zij had niet geluisterd. Ze moest aan de Latijnse mis in 1320 denken, met echte kaarsen die op de vensterbanken stonden te flakkeren.
Ik vraag me af of het ook werkelijk zo is, dacht hij, tot hij besefte dat het bij haar nu geen kerstavond was. Ze moest nog twee weken wachten. Als ze er echt was, en als ze het goed maakte.
‘ “… Doch Maria bewaarde deze woorden alle tezamen, overleggende die in haar hart.” ’ Dunworthy beëindigde de lezing en ging terug naar zijn stoel.
De imam somde de tijden op van de diensten die op eerste kerstdag in alle kerken gehouden zouden worden, waarna hij het advies van de Gezondheidsraad over het vermijden van omgang met zieken voorlas. Daarna begon de dominee met zijn preek.
‘Er zijn mensen,’ zei hij, met een vervaarlijke blik op de priester van de Heilige Hervormden, ‘die ziekte als een straf van God beschouwen. Toch heeft Jezus zijn hele leven zieken genezen en als hij nu hier was, zou hij ongetwijfeld ook de mensen genezen die door dit virus zijn aangetast, net zo goed als hij de melaatse van Samaria genas.’ Tien minuten lang gaf hij college over mogelijkheden om zich tegen influenza te beschermen. Hij noemde de symptomen en verklaarde hoe de overdracht in zijn werk ging.
‘Drink veel en rust goed uit,’ zei hij, zijn armen boven de kansel uitspreidend alsof hij iedereen zijn zegen gaf, ‘en raadpleeg uw arts zodra u een van deze symptomen bespeurt.’
De dames van het bellenkoor trokken hun witte handschoenen aan en begeleidden de organist bij een uitvoering van ‘Angels from the Realms of Glory’, dat zowaar te herkennen was.
De voorganger van de Bekeerde Unitariërs besteeg de kansel. ‘In deze nacht, meer dan tweeduizend jaar geleden, zond God Zijn eigen Zoon, Zijn geliefde kind, in de wereld. Kunt u zich voorstellen hoeveel liefde Hij voor de mensen voelde? Die nacht verliet Jezus zijn hemelse woning om zich in een wereld vol gevaar en ziekte te begeven. Hij kwam als een onwetend en hulpeloos kind, onbewust van het kwaad en van het verraad dat op zijn weg zou komen. Hoe kon God Zijn enige Zoon, Zijn geliefde kind, aan zulke gevaren overleveren? Het antwoord is liefde. Liefde.’
‘Of onbekwaamheid,’ mompelde Dunworthy.
Colin hield zijn toverbal in zijn vingers en staarde hem aan.
En nadat God hem had laten gaan, dacht Dunworthy, zat Hij onafgebroken over hem te tobben. Ik vraag me af of Hij er een einde aan had willen maken.
‘Door de liefde is Christus in de wereld verschenen en door de liefde was Hij meer dan bereid om te komen.’
Ze maakt het goed, dacht hij. De coördinaten klopten. Er was maar vier uur verschuiving. Ze was niet besmet met het virus. Ze zit ongedeerd in Skendgate, ze weet wanneer het rendez-vous is en haar recorder is al voor de helft vol. Ze is gezond en vol energie en ze heeft geen flauw idee wat zich hier allemaal afspeelt.
‘Hij is in de wereld gezonden om ons bij te staan in onze plagen en verzoekingen,’ zei de predikant.
De dominee wenkte Dunworthy en boog voor Colin langs. ‘Ik hoor net dat meneer Latimer ziek is,’ fluisterde de dominee. Hij gaf Dunworthy een opgevouwen vel papier. ‘Zou u de zegening willen uitspreken?’
‘… een boodschapper van God, een gezant van de liefde,’ zei de Unitariër, die zijn preek afsloot.
Dunworthy ging naar de preekstoel. ‘Wilt u allen opstaan voor de zegen?’ Hij vouwde het papier open en begon te lezen. ‘O Heer, weerhoudt Uw wrekende hand…’
Dunworthy verfrommelde het vel in zijn hand. ‘Barmhartige Vader,’ zei hij, ‘behoed allen die hier niet aanwezig kunnen zijn en breng hen veilig thuis.’
20 december 1320. Ik ben bijna helemaal beter. Mijn versterkte T-cellen of de vaccins hebben de zaak eindelijk onder controle. Ik kan zonder pijn ademhalen, mijn hoest is verdwenen en ik geloof dat ik helemaal naar het rendez-vous zou kunnen lopen als ik wist waar dat was.
Ook de wond aan mijn voorhoofd is genezen. Vrouwe Eliwys keek er vanochtend naar en ging toen Imeyne halen. ‘Het is een mirakel,’ zei Eliwys opgetogen, maar Imeyne vertrouwde de zaak niet. Straks gelooft ze nog dat ik een heks ben.
Overigens heb ik meteen een probleem nu ik niet meer bedlegerig ben. Imeyne denkt nog steeds dat ik een spionne ben of het bestek wil stelen en niemand weet wie of wat ik nu eigenlijk ben en hoe ik behandeld moet worden. Eliwys heeft de tijd noch de energie om zich daarmee bezig te houden.
Zij heeft genoeg andere dingen aan haar hoofd. Heer Guillaume is er nog steeds niet, zijn privé is verliefd op haar en het is bijna Kerstmis. Het halve dorp is ingeschakeld om te bedienen of te koken, maar ze hebben niet alles in huis en Imeyne wil dat er iemand naar Oxford of Courcy gaat om het ontbrekende te halen. Agnes loopt iedereen voor de voeten en is door Maisry niet te bewaken.