Выбрать главу

‘Je moet heer Bloet om een kindermeid vragen,’ zei Imeyne nadat Agnes een keer in de hooischuur was gevonden. ‘En we hebben suiker nodig. Er is niets meer over voor het suikergoed.’

Eliwys wist niet wat ze moest zeggen. ‘Mijn gemaal wil dat we…’

‘Ik zal wel op Agnes passen,’ zei ik, in de hoop dat de tolk goed had begrepen dat ze het over een kindermeid hadden en dat die rol soms door adellijke vrouwen werd vervuld, zoals ik bij geschiedenis had geleerd. Het klopte blijkbaar. Eliwys keek me meteen dankbaar aan en Imeyne trok alleen haar gewone boze gezicht. Nu heb ik dus de zorg voor Agnes. En voor Rosemund, die vanmorgen vroeg of ik haar met haar borduurwerk wilde helpen.

Het voordeel is dat ik ze nu kan uithoren over hun vader en over het dorp en bovendien kan ik naar buiten gaan om de priester en Gawyn op te zoeken. Het nadeel is dat de meisjes lang niet alles te horen krijgen. Ik heb al eens meegemaakt dat Eliwys en Imeyne ophielden met praten toen ik met Agnes binnenkwam en toen ik aan Rosemund vroeg waarom ze hier eigenlijk waren, antwoordde ze: ‘Mijn vader vindt de lucht in Ashencote gezonder.’

Dat was de eerste keer dat iemand zei hoe het dorp heette. Op de kaart en in het Domesday Book komt helemaal geen Ashencote voor. Het zou natuurlijk een ‘verdwenen dorp’ kunnen zijn. De veertig inwoners kunnen heel goed tijdens de Zwarte Dood zijn omgekomen of naar een van de omliggende plaatsen zijn getrokken, maar ik geloof nog steeds dat het Skendgate is.

Ik vroeg de meisjes of ze wel eens van Skendgate hadden gehoord, maar Rosemund zei van niet. Dat zegt nog niets, want ze komen niet uit deze streek, maar volgens Agnes had ook Maisry nog nooit van zo’n dorp gehoord. De eerste schriftelijke vermelding stamt uit 1360, en veel Angelsaksische plaatsnamen zijn door Normandische vervangen of kregen een andere naam als er een nieuwe landheer kwam. Dat voorspelt weinig goeds voor Guillaume D’Iverie, die nog steeds niet terug is van het proces. Tenzij dit toch een heel ander dorp is, dan voorspelt het weinig goeds voor mij.

(Pauze)

Gawyns hoofse liefde voor Eliwys vormt blijkbaar geen beletsel voor avontuurtjes met dienstmaagden. Ik vroeg Agnes of ik haar pony mocht zien, in de hoop dat Gawyn in de stal zou zijn. Dat was hij. Samen met Maisry was hij in een van de boxen en maakte weinig hoofse kreunende geluiden. Maisry keek niet angstiger dan anders, ze gebruikte haar handen om haar rokken op te trekken en niet om haar oren te beschermen, dus ik geloof niet dat ze werd aangerand. Maar l’amour courtois was het zeker niet.

Ik moest snel een list verzinnen en zei tegen Agnes dat ik de klokketoren wilde zien. We liepen over het veld, gingen de toren in en keken naar het zware touw.

‘Vader Roche luidt de klok als er iemand dood is,’ zei Agnes. ‘Anders komt de duivel om zijn ziel te roven en dan kunnen ze niet in de hemel komen.’ Ik vermoed dat dit een van die bijgelovige praatjes is waar vrouwe Imeyne zich zo aan ergert.

Agnes wilde aan het touw trekken, maar ik slaagde erin haar mee te krijgen naar de kerk.

Vader Roche was er niet. Agnes zei dat hij wel bij de zieke boer zou zijn, ‘die al heeft gebiecht, maar toch niet doodgaat’, of ergens zat te bidden. ‘Vader Roche gaat vaak naar het bos om te bidden,’ zei Agnes, die door het koorhek naar het altaar keek.

Het is een Normandische kerk, met een middenschip, zuilen van zandsteen en grote tegels op de vloer. De glas-in-loodramen zijn heel klein en smal en donker van kleur. Ze laten bijna geen licht door. In het midden bevindt zich een enkele graftombe, misschien wel dezelfde die ik bij de opgraving heb blootgelegd. Bovenop ligt een gebeeldhouwde ridder met gekruiste armen, zware handschoenen en een zwaard aan zijn zijde. De inscriptie op de zijkant luidt: ‘Requiescat cum Sanctis tuis in aeternum.’ Moge hij voor eeuwig bij Uw heiligen rusten. De inscriptie die ik in Skendgate heb gevonden begon met Requiescat, maar verder waren we nog niet gekomen.

Agnes vertelde dat dit het graf van haar grootvader was, die ‘lang geleden’ aan koorts is gestorven, maar omdat hij er nog zo nieuw uitziet, lijkt hij helemaal niet op de tombe van de opgraving. Ik kon ook diverse ornamenten zien, die misschien later zijn afgebroken of gewoon weggesleten.

Afgezien van de tombe en een ruw beeld is de kerk helemaal leeg. De middeleeuwers stonden tijdens de mis, dus er zijn geen banken, en pas in de zestiende eeuw werd het gebruikelijk herdenkingstekens en dergelijke op te hangen.

Het bewerkte houten koorhek uit de twaalfde eeuw staat voor het altaar en de preekstoel, die helemaal in het donker liggen. Achter het altaar, aan weerskanten van het kruisbeeld, zijn twee grove muurschilderingen te zien die het Laatste Oordeel uitbeelden. Het ene laat zien hoe de gelovigen de hemel betreden, op het andere worden de verdoemden naar de hel gestuurd. Toch lijken ze sterk op elkaar. Ze zijn allebei in felle rode en blauwe tinten geschilderd en de mensen kijken op beide fresco’s even ongelukkig.

Het altaar is onopgesmukt, met een witte linnen doek eroverheen en aan beide zijden een zilveren kandelaar. Ik dacht eerst dat het beeld Maria voorstelde, maar het blijkt de heilige Katherina van Alexandrië te zijn. Het heeft het typische korte bovenlichaam en grote hoofd van de middeleeuwse beeldhouwkunst, met een vreemd, rechthoekig mutsje dat haar oren vrijlaat. Ze heeft een arm om een heel klein kind geslagen en in haar andere hand houdt ze een wiel. Op de grond lagen een korte gele kaars en twee flambouwen.

‘Vrouwe Kivrin,’ zei Agnes toen we weer naar buiten gingen, ‘Vader Roche zegt dat je een heilige bent.’

Ik begreep nu waar die persoonsverwisseling vandaan kwam, en ik vroeg me af of Agnes hetzelfde had gedaan met de klok en met de duivel op zijn zwarte paard.

‘Ik ben vernoemd naar Katherina van Alexandrië,’ zei ik, ‘net als jij naar Sinte Agnes, maar zelf zijn we geen heiligen.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Hij zegt dat God aan het einde der tijden zijn heiligen zal sturen om de mensen te bekeren. Hij zegt dat je de taal van God spreekt als je bidt.’

Ik let heel goed op of er niemand in de buurt is als ik mijn bevindingen op de recorder vastleg, maar ik weet niet wat ik heb gedaan toen ik ziek was. Ik weet nog wel dat ik Vader Roche voortdurend om hulp vroeg, net als u, meneer Dunworthy. En als Vader Roche mij modern Engels heeft horen praten, zou hij heel goed kunnen denken dat ik in tongen sprak. Liever een heilige dan een heks, maar vrouwe Imeyne was ook bij me toen ik ziek was. Ik zal nog voorzichtiger moeten zijn.

(Pauze)

Ik ben weer naar de stal gegaan (toen ik zeker wist dat Maisry in de keuken was), maar Gawyn was er net zomin als Gringolet. Ik vond er wel mijn kisten en de restanten van mijn kar. Gawyn moet wel tien keer heen en weer zijn gereden om alles hier te krijgen. Ik heb overal gezocht, maar het juwelenkistje kan ik niet vinden. Ik hoop dat hij het niet heeft gevonden en dat het nog steeds bij het pad ligt. Het zal wel helemaal ondergesneeuwd zijn, maar het is vandaag zonnig en het begint zelfs een beetje te dooien.

15

Kivrin herstelde zo snel van de longontsteking dat ze ervan overtuigd was dat haar immuunsysteem niet vanzelf weer op gang was gekomen. De pijn in haar borst was van de ene op de andere dag weg en de snee in haar voorhoofd was als bij toverslag verdwenen.

Imeyne onderzocht haar wantrouwig, alsof ze Kivrin ervan verdacht te simuleren. Kivrin was heel blij dat de wond niet was geschminkt. ‘Loof God dat Hij je op deze sabbat heeft genezen,’ zei Imeyne met tegenzin en ze knielde neer bij het bed.