Ze was naar de mis geweest en droeg haar zilveren relikwie. Bijna zoals Kivrin met haar recorder deed, hield ze hem tussen haar handen en bad een onzevader, waarna ze weer ging staan.
‘Ik was graag met u meegegaan naar de mis,’ zei Kivrin.
Imeyne snoof. ‘Ik dacht dat u te ziek was,’ zei ze, met een veelzeggende nadruk op ‘ziek’. ‘Het was trouwens maar een armzalige vertoning.’
Ze somde de gebreken van Vader Roche nog maar eens op: hij had uit de Schrift gelezen vóór het Kyrie eleïson, zijn soutane zat onder het kaarsvet en hij was een deel van het confiteor vergeten. Dat leek haar op te luchten, want ze klopte Kivrin op haar hand en zei: ‘U bent nog niet helemaal beter. Blijf nog maar een dag in bed.’
Dat deed Kivrin. Ze maakte van de gelegenheid gebruik om vast te leggen hoe de hofsteden en het dorp eruitzagen en wie ze allemaal had ontmoet. De meier kwam namens zijn vrouw een kom bittere thee brengen. Hij was een donkere, stevig gebouwde man, die zich niet erg prettig leek te voelen in zijn zondagse buis met de wat al te fraai versierde zilveren riem. Een jongen van Rosemunds leeftijd kwam Eliwys vertellen dat haar merrie iets aan een voorpoot had. Maar de priester kreeg ze niet meer te zien. ‘Hij is de zieke boer de biecht gaan afnemen,’ zei Agnes tegen haar.
Agnes bleef een voortreffelijke informante. Ze gaf op elke vraag gewillig antwoord, ook als ze nergens van wist, en vertelde uit zichzelf van alles over het dorp en zijn bewoners. Rosemund was stiller en wilde vooral een zo volwassen mogelijke indruk maken. ‘Agnes, het is kinderachtig om zo te kletsen. Je moet je tong eens een beetje inhouden,’ zei ze meer dan eens, iets waar Agnes zich gelukkig niets van aantrok. Rosemund vertelde wel iets over haar broers en over haar vader, die stellig beloofd had met Kerstmis bij hen te zijn. Het was duidelijk dat ze hem verafgoodde en erg miste. ‘Ik wou dat ik een jongen was,’ zei ze toen Agnes de zilveren penning liet zien die heer Bloet haar had gegeven. ‘Dan was ik bij vader in Bath gebleven.’
Dank zij de twee meisjes, de gesprekken die Eliwys en Imeyne met elkaar voerden en haar eigen waarnemingen, slaagde ze erin zich een aardig beeld van het dorp te vormen. Het was kleiner dan Skendgate volgens Mathematica had moeten zijn, zelfs naar middeleeuwse begrippen stelde het niet veel voor. Kivrin schatte dat er niet meer dan veertig mensen woonden, inclusief de familie van heer Guillaume en van de meier, die behalve de baby nog vijf oudere kinderen had.
Er waren twee herders en diverse boeren in het dorp, dat volgens Imeyne ‘het armste van Guillaumes bezittingen’ was, en ze beklaagde zich er opnieuw over dat ze hier met de kerstdagen moest zitten. De vrouw van de meier scheen nogal pretenties te hebben en Maisry en haar familie waren de plaatselijke schobbejakken. Kivrin legde alles vast, zowel feiten als roddelpraatjes, en greep elke gelegenheid aan om haar handen in gebed te vouwen.
De sneeuw van de eerste dag had een etmaal aangehouden, zodat de bodem met een laag van bijna dertig centimeter was bedekt, maar toen Kivrin voor het eerst uit bed ging, regende het. Ze hoopte dat de sneeuw zou smelten, maar er kwam alleen een ijzige korst op.
Ze was bang dat ze de open plek nooit meer terug zou vinden zonder de kar en haar kisten. Gawyn zou haar de plaats moeten wijzen, wat makkelijker gezegd dan gedaan was. Hij kwam alleen binnen om te eten of om Eliwys iets te vragen en omdat Imeyne haar altijd nauwlettend in het oog hield durfde ze hem niet aan te spreken.
Ze nam de meisjes mee naar buiten om een wandelingetje te maken in de voorhof of in het dorp, in de hoop dat ze hem tegen het lijf zou lopen, maar hij was niet in de schuur of in de stal. Gringolet was ook weg. Ze vroeg zich af of hij tegen de wil van Eliwys toch achter de struikrovers aan was gegaan, maar Rosemund zei dat hij op jacht was. ‘Dan hebben we hertevlees voor het feest,’ zei Agnes.
Niemand scheen zich erom te bekommeren waar ze met de meisjes heen ging en hoe lang ze wegbleven. Vrouwe Eliwys knikte afwezig als ze vroeg of ze met de kinderen naar de stal mocht en vrouwe Imeyne zei niet eens tegen Agnes dat ze haar mantel dicht moest doen of haar wanten moest aantrekken. Het was net of ze van alle verantwoordelijkheid ontheven waren nu Kivrin de zorg voor de meisjes op zich had genomen.
Ze hadden het erg druk met de voorbereidingen van het kerstfeest. Eliwys had alle meisjes en oude vrouwen van het dorp aan het bakken en braden gezet. De twee varkens werden geslacht en de helft van alle duiven werd de nek omgedraaid en kaalgeplukt. De binnenplaats lag vol met veren en rook naar versgebakken brood.
In de veertiende eeuw was Kerstmis een twee weken durend festijn van dansen en spelen geweest, maar het verbaasde Kivrin dat Eliwys zich onder deze omstandigheden zo uitsloofde. Ze moest ervan overtuigd zijn dat heer Guillaume op tijd terug zou zijn, zoals hij had beloofd.
Imeyne hield toezicht op het schoonmaken van de grote zaal, waarbij ze voortdurend liep te klagen over de armoedige omgeving en het gebrek aan hulp. Die ochtend had ze de meier en een andere dorpeling gehaald om de zware tafels van de muren te halen en op schragen te zetten. Maisry en een tweede meisje, dat witte littekens van de klierziekte in haar hals had, schrobden de tafels schoon met zand en zware borstels.
‘Er is geen lavendel,’ zei Imeyne tegen Eliwys. ‘En we hebben te weinig biezen voor op de vloer.’
‘Dan moet het zo maar,’ zei Eliwys.
‘We hebben ook geen suiker en geen kaneel. In Courcy hebben ze volop. Hij zou ons met open armen ontvangen.’
Kivrin was bezig Agnes’ laarsjes dicht te rijgen om weer naar de pony in de stal te gaan kijken. Ze keek geschrokken op.
‘Het is maar een halve dag reizen,’ zei Imeyne. ‘De kapelaan van vrouwe Yvolde zal de mis wel opdragen en…’
Kivrin kon het vervolg niet horen, want Agnes zei: ‘Mijn pony heet Saraceen.’
‘Hmm,’ bromde Kivrin, die naar het gesprek probeerde te luisteren. De adel ging vaak op bezoek in de kersttijd, daar had ze eerder aan moeten denken. Met hun hele huishouding bleven ze vaak weken ergens logeren, in elk geval tot Driekoningen. Als ze naar Courcy gingen, zouden ze wel eens tot lang na het rendez-vous kunnen blijven.
‘Vader heeft hem Saraceen genoemd omdat hij een heiden is,’ zei Agnes.
‘Heer Bloet zal het niet prettig vinden als we al die tijd bij hem in de buurt zijn zonder hem een bezoek te brengen,’ zei vrouwe Imeyne. ‘Hij zal denken dat het huwelijk niet doorgaat.’
‘We kunnen met de kerst niet naar Courcy,’ zei Rosemund. Ze stond op van het bankje tegenover Kivrin en Agnes waar ze had zitten naaien. ‘Mijn vader heeft beloofd dat hij met Kerstmis beslist thuis zou zijn. Hij zal het niet leuk vinden als we weg zijn.’
Imeyne keek haar woedend aan. ‘Hij zal het niet leuk vinden dat zijn dochters te pas en te onpas hun mond opendoen en zich met zaken bemoeien die hen niet aangaan.’ Ze richtte zich weer tot Eliwys, die zorgelijk voor zich uit keek. ‘Mijn zoon is wijs genoeg om te begrijpen dat we naar Courcy zijn gegaan.’
‘Mijn gemaal heeft ons gevraagd hier te wachten tot hij komt,’ zei Eliwys. ‘Het zal hem verheugen als wij aan zijn wens voldoen.’ Ze ging naar de haard en pakte het borduurwerk van Rosemund om een eind aan het gesprek te maken.
Dat zal niet lang duren, dacht Kivrin met een blik op Imeyne. De oude vrouw kneep grimmig haar lippen op elkaar en wees naar een vlek op de tafel. Het meisje met de littekens ging er meteen naartoe om hem weg te borstelen.
Imeyne zou het er niet bij laten zitten. Ze zou telkens weer argumenten aanvoeren waarom ze bij heer Bloet moesten gaan logeren, die suiker en biezen en kaneel had. En een geletterde kapelaan om de mis op te dragen. Vrouwe Imeyne voelde er niets voor een mis van Vader Roche aan te moeten horen. Eliwys leek zich steeds meer zorgen te maken. Misschien kreeg ze het plotseling in haar hoofd naar Courcy te gaan om hulp te vragen, of zelfs naar Bath. Kivrin moest het rendez-vous zien te vinden.