Imeyne had gezegd dat heer Bloet een machtig man was, bij wie ze in de gunst moesten blijven. Misschien zat er meer achter Imeynes uitnodiging dan Kivrin eerst had gedacht. Misschien had heer Guillaume grotere problemen dan Eliwys wist en was Rosemund daar, gebogen over haar borduurwerk, stilletjes achter gekomen.
‘Cob!’ zei Rosemund weer, hoewel hij al klaar stond om Kivrin te helpen. ‘Straks lopen we Vader Roche nog mis door jouw getreuzel!’
Kivrin glimlachte geruststellend naar de jongen en zette haar handen op zijn schouder. Meneer Dunworthy had er meteen op aangedrongen dat ze zou leren paardrijden en dat was haar vrij vlot gelukt. Dameszadels waren pas aan het eind van de veertiende eeuw in gebruik gekomen, waar ze wel zo blij om was, en dit zadel had voor en achter een hoge rand. De achterste boog was nog hoger dan die van het zadel waarop ze had leren rijden.
Maar ik geloof dat ik nog eerder van mijn paard val dan Agnes, dacht ze. Het meisje zat zelfverzekerd in het zadel en hield zich niet eens vast, maar zat half omgedraaid in haar zadeltas te zoeken.
‘Laten we gaan!’ zei Rosemund ongeduldig.
‘Heer Bloet zegt dat hij een zilveren ketting voor me meeneemt, die kan ik aan de teugel van Saraceen hangen,’ zei Agnes, die nog steeds met haar tas bezig was.
‘Agnes! Schiet nou op en kom mee!’ zei Rosemund.
‘Heer Bloet komt met Pasen, dan neemt hij hem mee.’
‘Agnes!’ zei Rosemund. ‘Vooruit, straks gaat het regenen.’
‘Helemaal niet,’ zei Agnes luchtig. ‘Heer Bloet…’
Rosemund keek haar zusje woest aan. ‘O, weet jij het ineens weer beter? Je bent nog maar een baby! Een kleine huilbaby!’
‘Rosemund!’ zei Kivrin. ‘Praat niet zo tegen je zusje.’ Ze ging naar het meisje toe en pakte de slap neerhangende teugels van de merrie. ‘Wat is er met je? Zit je iets dwars?’
Rosemund trok de teugels met een ruk aan. ‘Alleen dat we hier nog staan te wachten door dat kindergepraat!’
Kivrin liet fronsend de teugels los en liet zich door Cob in het zadel helpen. Zo had ze Rosemund nog nooit meegemaakt.
Ze reden over de binnenplaats naar het paadje dat langs het inmiddels lege varkenskot voerde. Het was een grauwe dag, windstil en met zware laaghangende bewolking. Rosemund had gelijk, het kon wel eens gaan regenen. De koude lucht was vochtig en nevelig. Ze spoorde haar paard wat aan.
Het dorp bereidde zich voor op het feest. In alle hutten brandde vuur en op het open veld waren twee mannen bij een grote houtstapel nog meer hout aan het hakken. Bij het huis van de meier hing een groot, zwartgeblakerd stuk vlees aan een spit te roosteren, misschien was ook de geit geslacht. De vrouw van de meier was de magere koe aan het melken die een eindje met Kivrin was meegelopen toen ze had geprobeerd de open plek terug te vinden. Ze had nog een hele discussie met Dunworthy gehad over de vraag of ze zelf moest leren melken. Zij had beweerd dat er in de veertiende eeuw ’s winters geen koeien werden gemolken en dat de middeleeuwers geitemelk gebruikten om kaas te maken. Ze had ook beweerd dat geiten niet voor het vlees werden gehouden.
‘Agnes!’ zei Rosemund woedend.
Kivrin keek op. Agnes was blijven staan en zat weer half omgekeerd in het zadel. Ze gaf haar paard gehoorzaam de sporen, maar Rosemund riep: ‘Ik wacht niet meer op je, sukkel!’ Ze draafde vooruit, waardoor de kippen alle kanten op fladderden, en reed bijna een klein meisje omver dat met haar armen vol brandhout over het veld liep.
‘Rosemund!’ riep Kivrin, maar het meisje was al een heel eind vooruit en Kivrin wilde Agnes niet alleen laten.
‘Is je zus boos omdat we hulst moeten halen?’ vroeg ze aan Agnes, in de hoop dat het meisje de werkelijke reden zou kennen.
‘Zij ligt altijd dwars,’ zei Agnes. ‘Grootmoeder heeft niet graag dat ze zo kinderachtig doet.’ Ze liet haar pony statig over het veld stappen, als een volwassen amazone, en knikte naar de dorpelingen.
Het meisje met het brandhout bleef staan en staarde hen met open mond aan. De vrouw van de meier glimlachte even toen ze voorbijkwamen en ging daarna verder met melken, maar de twee houthakkers namen hun mutsen af en maakten een buiging.
Ze kwamen langs de hut waar Kivrin was gaan uitrusten, juist toen Gawyn bezig was haar spullen van de open plek naar de hofstede te brengen.
‘Agnes,’ zei Kivrin, ‘is Vader Roche met jullie meegegaan toen jullie het joelblok gingen halen?’
‘Ja,’ zei Agnes. ‘Hij moest het zegenen.’
‘O,’ zei Kivrin teleurgesteld. Ze had gehoopt dat hij met Gawyn was meegegaan om haar bezittingen te halen. ‘Heeft iemand Gawyn geholpen toen hij mijn spullen naar huis bracht?’
‘Nee,’ zei Agnes. Kivrin kon niet zien of Agnes het zeker wist of dat ze maar wat zei. ‘Gawyn is heel sterk. Hij heeft vier wolven gedood met zijn zwaard.’
Dat klonk onwaarschijnlijk, net zo onwaarschijnlijk als het redden van een maagd in het bos. Maar hij zou alles doen om Eliwys voor zich te winnen, al had hij er de kar eigenhandig voor naar huis moeten slepen.
‘Vader Roche is ook sterk,’ zei Agnes.
‘En hij is weg,’ zei Rosemund, die al uit het zadel was. Ze had haar paard aan het hek van het kerkhof vastgebonden en stond met haar handen op haar heupen rond te kijken.
‘Heb je binnen gekeken?’ vroeg Kivrin.
‘Nee,’ zei Rosemund nukkig. ‘Maar het is zo koud, Vader Roche zal echt niet buiten in de sneeuw gaan staan wachten.’
‘Dan kijken we in de kerk.’ Kivrin steeg af en stak haar armen uit naar Agnes. ‘Kom maar.’
‘Nee,’ zei Agnes, al bijna even koppig als haar zus. ‘Ik wil bij Saraceen blijven.’ Ze klopte de pony op zijn hals.
‘Saraceen wacht hier wel.’ Kivrin tilde het meisje van haar paard. ‘Kom, dan kijken we eerst of hij in de kerk is.’ Ze nam Agnes bij de hand en deed het hek open.
Agnes protesteerde niet, maar keek gespannen achterom naar de paarden. ‘Saraceen is niet graag alleen.’
Rosemund bleef midden op het kerkhof staan en draaide zich om. ‘Wat heb je verstopt, stouterd? Heb je appels gepikt en in je zadeltas gedaan?’
‘Nee!’ zei Agnes geschrokken, maar Rosemund liep al terug naar de pony. ‘Blijf af, het is jouw pony niet!’ riep Agnes. ‘Hij is van mij!’
Nou, we hoeven de priester niet meer te zoeken, dacht Kivrin. Die komt vanzelf naar buiten als hij dat geschreeuw hoort.
Rosemund maakte Agnes’ zadeltas open. ‘Kijk eens!’ zei ze en ze tilde Blackie bij zijn nekvel in de lucht.
‘O, Agnes,’ zei Kivrin.
‘Je bent heel stout,’ zei Rosemund. ‘Ik denk dat ik hem in de rivier ga verzuipen.’ Ze draaide zich om in de richting van de stroom.
‘Nee!’ gilde Agnes. Ze rende terug naar het hek. Rosemund tilde het hondje op, zodat Agnes er niet bij kon.
Zo is het wel mooi geweest, dacht Kivrin. Ze nam het hondje over van Rosemund. ‘Hou op met gillen, Agnes. Je zus doet niets.’
Blackie krabbelde met zijn pootjes over haar schouder en probeerde haar wang te likken. ‘Agnes, hondjes kunnen niet op een paard rijden. Blackie stikt nog in die tas.’
‘Ik kan hem toch dragen,’ zei Agnes zonder veel overtuiging. ‘Hij wilde op mijn pony zitten.’
‘Hij heeft een fijn ritje naar de kerk gemaakt,’ zei Kivrin resoluut. ‘En hij mag ook nog eens terug naar de stal. Rosemund, breng Blackie terug.’ Het hondje probeerde in haar oor te bijten. Ze gaf het aan Rosemund, die het weer bij zijn nekvel omhoog hield. ‘Het is nog maar een jonkie, Agnes. Hij moet weer naar zijn moeder om te gaan slapen.’
‘Jij bent zelf ook een jonkie, Agnes!’ zei Rosemund giftig. Kivrin wist niet of ze haar wel met het beest kon vertrouwen. ‘Wie zet er nou een hond op een paard! En nou moet ik hem weer terugbrengen ook! Ik zal blij zijn als ik groot genoeg ben om niet meer op kleine zusjes te moeten passen.’