Выбрать главу

Ze klom met het hondje in het zadel, maar toen ze zat stopte ze Blackie bijna liefdevol in haar mantel en drukte hem tegen zich aan. Met haar vrije hand trok ze aan de teugel. ‘Vader Roche zal nu wel helemaal weg zijn!’ zei ze boos terwijl ze wegdraafde.

Kivrin was bang dat Rosemund wel eens gelijk kon hebben. Ze hadden genoeg lawaai gemaakt om de doden op het kerkhof te wekken, maar er was niemand uit de kerk gekomen. Vader Roche was waarschijnlijk eerder weggegaan en zou nu al een eind uit de buurt zijn. Toch nam ze Agnes bij de hand en ging met haar naar de kerk.

‘Rosemund is een rotkind,’ zei Agnes.

Kivrin was geneigd haar gelijk te geven, maar omdat ze dat niet hardop wilde doen en evenmin Rosemund wilde verdedigen, zei ze helemaal niets.

‘En ik ben ook geen baby,’ zei Agnes. Ze keek verwachtingsvol omhoog naar Kivrin, die ook daar niets op wist te zeggen. Ze duwde de zware deur open en ging naar binnen.

Er was niemand te zien. Het was bijna pikdonker in de kerk. Het grijze daglicht drong nauwelijks door de smalle glas-in-loodramen, alleen door de openstaande deur viel licht naar binnen.

‘Misschien is hij in het koor,’ zei Agnes. Ze wurmde zich langs Kivrin, knielde neer om een kruis te slaan en keek ongeduldig achterom.

In het koor was ook niemand. De kaarsen op het altaar waren niet aangestoken, maar Agnes was niet tevreden voordat ze de hele ruimte hadden afgezocht. Kivrin knielde eveneens om een kruisteken te maken, waarna ze in het pikkedonker met Agnes naar het koorhek liep. Ook de toortsen bij het beeld van Sinte Katherina waren gedoofd. Er hing nog een scherpe geur van talg en rook. Ze vroeg zich af of Vader Roche de kaarsen had gedoofd voordat hij was weggegaan. Brand zou een geweldige catastrofe zijn, zelfs in een stenen kerk, en de kaarsen stonden niet op votiefschotels waarin ze veilig konden opbranden.

Agnes ging regelrecht naar het hek en drukte haar gezicht tegen de spijlen. ‘Vader Roche!’ Ze draaide zich meteen om en zei: ‘Hij is er niet, vrouwe Kivrin. Misschien is hij thuis.’ Ze holde door de zijdeur naar buiten.

Kivrin vermoedde dat die deur alleen door de priester gebruikt mocht worden, maar er zat niets anders op dan Agnes over het kerkhof naar het ernaast gelegen huisje te volgen.

Agnes stond al bij de deur ‘Vader Roche!’ te roepen, dus dat moest de woning van de geestelijke zijn. Toch verbaasde het Kivrin dat de pastorie even vervallen was als de hut waarin ze had uitgerust en nauwelijks groter. De priester had recht op een tiende deel van de oogst en de veestapel, maar in het smalle hofje liepen alleen een paar magere kippen rond en tegen de muur lag slechts een kleine stapel brandhout.

Agnes stond op de gammele deur te bonken en Kivrin was bang dat ze hem open zou doen en naar binnen zou gaan, maar het meisje draaide zich meteen weer om. ‘Misschien is hij in de klokketoren.’

‘Nee, dat denk ik niet,’ zei Kivrin. Ze nam Agnes bij de hand om te voorkomen dat het kind weer weg zou hollen. Ze liepen terug naar het hek. ‘Vader Roche hoeft pas voor de vesper weer te luiden.’

‘Laten we toch maar gaan kijken.’ Agnes hield haar hoofd schuin om te luisteren.

Kivrin luisterde ook, maar er was niets te horen. Plotseling besefte ze dat er ook uit het zuidwesten geen klokgelui kwam. Ze had die kerk bijna onafgebroken gehoord toen ze ziek was en opnieuw toen ze voor de tweede keer naar de stal was gegaan om Gawyn te zoeken, maar ze kon zich niet herinneren of ze hem sindsdien nog had gehoord.

‘Hoorde je dat, vrouwe Kivrin?’ zei Agnes. Ze maakte zich los en holde weg, niet in de richting van de klokketoren maar naar de noordkant van de kerk. ‘Zie je wel?’ riep ze, met uitgestrekte arm wijzend. ‘Hij is niet weg.’

Kivrin zag de witte ezel van de geestelijke. Het dier stond rustig te knabbelen aan het gras dat boven de sneeuw uitkwam. De teugel was een stuk touw en over de rug van het dier lagen een paar lege jute zakken, kennelijk bestemd om de hulst en het loof in te doen.

‘Ik zei toch dat hij in de klokketoren was!’ zei Agnes en ze holde weer terug.

Kivrin volgde haar naar het kerkhof en zag haar in de toren verdwijnen. Ze vroeg zich af waar de priester kon zijn. Misschien was hij in een van de hutten.

Door het raam van de kerk zag ze iets bewegen. Kaarslicht. Misschien was hij teruggekomen terwijl ze naar de ezel stonden te kijken. Ze duwde de zijdeur open en keek naar binnen. Voor het beeld van Sinte Katherina was een kaars aangestoken, die de voeten van het beeld met een zachte gloed bescheen.

‘Vader Roche?’ riep ze zachtjes. Er kwam geen antwoord. Ze ging naar binnen, deed de deur achter zich dicht en liep naar het beeld.

De kaars stond tussen de plompe voeten van het beeld. Katherina’s ruw uitgehouwen gezicht en haar bleven in het donker, beschuttend gebogen over het bijna volwassen figuur van wat een klein meisje moest voorstellen. Kivrin knielde neer en pakte de kaars, die net was aangestoken. De was rond de pit was nauwelijks gesmolten.

Kivrin keek de kerk in. De kaars in haar hand verlichtte alleen de vloer en de hoekige kap van de heilige, de rest van de ruimte was bijna helemaal donker.

Ze deed een paar passen naar voren. ‘Vader Roche?’

Het was doodstil in de kerk, even stil als in het bos toen ze was doorgekomen. Bijna alsof iemand in de buurt de adem stond in te houden, verborgen achter de graftombe of een van de zuilen.

‘Vader Roche?’ zei ze op luidere toon. ‘Bent u daar?’

De afwachtende stilte duurde voort. In het bos was ook niemand geweest, dacht ze, en waagde zich nog verder naar voren. Bij de tombe was niemand. Imeynes gemaal lag met gekruiste armen vredig en roerloos te slapen, het zwaard aan zijn zijde. Ook bij de voordeur, die ze nu in het flikkerende licht van de kaars kon zien, was niemand.

Haar hart bonkte net zo luid als in het bos, luid genoeg om zachte voetstappen of een ademhaling te overstemmen. Ze draaide zich met een ruk om, waardoor het vlammetje van de kaars een lichtspoor in de donkere ruimte trok.

Hij stond vlak bij haar. De kaars was door de abrupte beweging bijna uitgegaan, maar de vlam brandde snel weer gewoon en bescheen het gezicht van de moordenaar uit het bos.

‘Wat wil je van me?’ vroeg Kivrin, bijna onhoorbaar. ‘Hoe kom je hier?’

De moordenaar gaf geen antwoord. Hij staarde haar alleen maar aan, net als op de open plek. Het was geen droom, dacht ze angstig, hij was er echt. Hij had haar willen beroven of verkrachten en Gawyn had hem weggejaagd.

Ze deed een stap naar achteren. ‘Wat wil je? Wie ben je?’

Ze sprak modern Engels. De woorden weerkaatsten tussen de koude stenen muren. O nee, dacht ze, nu begeeft de tolk het weer.

‘Wat moet je hier?’ Ze dwong zichzelf langzamer te praten en nu hoorde ze zichzelf Middelengels spreken: ‘Whette wolde thou withe me?

Hij stak een hand naar haar uit, een vuile en rode hand, de hand van een moordenaar. Hij leek haar korte haar te willen aanraken.

‘Ga weg!’ zei ze. Ze deinsde verder terug en botste tegen de tombe. De kaars ging uit. ‘Ik weet niet wie je bent of wat je wilt, maar ga nu maar weg.’ Ze sprak weer modern Engels, maar wat maakte het uit? Hij wilde haar beroven of vermoorden en waar was de priester? ‘Vader Roche!’ riep ze wanhopig. ‘Vader Roche!’

Er klonk een bons en de deur zwaaide open, schrapend over de stenen vloer. Agnes kwam binnen. ‘Daar ben je,’ zei ze vrolijk. ‘Ik heb je overal gezocht.’

De moordenaar keek naar haar.

‘Agnes!’ riep Kivrin. ‘Vlucht!’

Het kind bleef stokstijf staan, haar hand nog op de zware deur.

‘Ga weg!’ schreeuwde Kivrin en ze merkte tot haar ontzetting dat het nog steeds gewoon Engels was. Wat was het woord voor ‘vlucht’?

De moordenaar kwam een stap dichterbij. Ze drukte zich tegen de graftombe.

Renne! Vlucht, Agnes!’ De deur viel met een slag dicht. Kivrin holde over de stenen vloer, trok de deur open en schoot naar buiten. De kaars viel uit haar hand.